De roep om een algemene selectieproef in te voeren om zo het aantal mislukkingen te verminderen, is niet nieuw. 'Van 1986 tot vandaag zien we dat tussen 45 en 50 procent van de studenten in zijn eerste jaar aan de universiteit slaagt', zegt doctor Rudi Janssens (VUBrussel). 'Vroeger werd daar niet zo'n probleem van gemaakt. Maar door de groei en de vervrouwelijking van de studentenpopulatie slaan de percentages op almaar grotere aantallen jongeren. Een slaagcijfer van vijftig procent in de eerste kandidatuur bij een populatie van 14.000 generatiestudenten veroorzaakt een gemiddeld verlies van zowat 2,7 miljard frank (70 miljoen euro). Niet-geslaagden worden zo als een verliespost voor de onderwijsbegroting beschouwd. De spanning tussen de gestaag groeiende studentenpopulatie aan de universiteiten en het krimpende budget leidt tot een discussie over de selectieproblematiek.'
...

De roep om een algemene selectieproef in te voeren om zo het aantal mislukkingen te verminderen, is niet nieuw. 'Van 1986 tot vandaag zien we dat tussen 45 en 50 procent van de studenten in zijn eerste jaar aan de universiteit slaagt', zegt doctor Rudi Janssens (VUBrussel). 'Vroeger werd daar niet zo'n probleem van gemaakt. Maar door de groei en de vervrouwelijking van de studentenpopulatie slaan de percentages op almaar grotere aantallen jongeren. Een slaagcijfer van vijftig procent in de eerste kandidatuur bij een populatie van 14.000 generatiestudenten veroorzaakt een gemiddeld verlies van zowat 2,7 miljard frank (70 miljoen euro). Niet-geslaagden worden zo als een verliespost voor de onderwijsbegroting beschouwd. De spanning tussen de gestaag groeiende studentenpopulatie aan de universiteiten en het krimpende budget leidt tot een discussie over de selectieproblematiek.'Professor Nonneman (Ufsia) en Isabelle Cortens (VEV) tonen zelfs een zwaardere rekening. Volgens hen kost het niet slagen van de helft van alle eerstejaars aan universiteiten en hogescholen jaarlijks 16 miljard frank (400 miljoen euro) aan de studenten, de gezinnen en de Vlaamse gemeenschap. De discussie over de selectieproblematiek wordt echter zelden op basis van wetenschappelijke gegevens gevoerd. Daarom begonnen doctor Rudi Janssens en professor Machteld De Metsenaere, voorzitter van het Centrum voor Vrouwenstudies van de VUBrussel, aan een onderzoeksproject: de preselectieproef voor eerstegeneratiestudenten. Dat zijn studenten die uit het laatste jaar secundair onderwijs komen en zich voor het eerst aan de universiteit inschrijven. De onderzoekers vragen zich ook af wat de voorspellende kracht van zo'n proef is. Voor hun project kozen ze de MENO-test uit. De universiteit van Oxford ontwikkelde die internationaal gewaardeerde testbatterij. Ze namen een test af aan het begin van het academiejaar en vergeleken de uitslagen ervan met de eindresultaten van de studenten. Wat blijkt? Een preselectieproef verhoogt het slaagpercentage niet spectaculair. Zonder de selectieproef slaagde 38 procent in de eerste zittijd, mét de proef 42 procent. 'De MENO-test kan misschien wel geschikt zijn om zwakke studenten weg te selecteren, maar het is veel moeilijker om er een voorspellende component in te vinden', zegt Janssens. 'Het geslacht en de sociale achtergrond van de eerstejaars spelen daarentegen wel een rol bij het slagen voor de selectieproef en bij het met succes voltooien van het eerste academiejaar', zegt professor De Metsenaere. 'Vooral voor studenten met ouders uit de laagste diplomacategorie vergroot zelfs het meest gunstige selectiescenario hun achterstand tegenover de andere categorieën van studenten. Hoewel vrouwen in de eerste kandidatuur beduidend hogere slaagkansen laten noteren dan mannen, doen die laatsten het dan weer beter op de selectieproef.'GOED INGELICHTDe selectieproef is bijgevolg een extra drempel voor vrouwen en studenten met een minder gunstige sociaal-economische afkomst. Janssens: 'Zowel qua slaagkansen als qua testscores springen bovendien altijd dezelfde studierichtingen er in positieve en negatieve zin uit. Een vooropleiding met veel uren wiskunde of wetenschappelijke vakken is een goede voorbereiding voor alle faculteiten. Moderne en klassieke talen vernauwen de toegang tot bepaalde universitaire studierichtingen. De richting Menswetenschappen is de zwakste vooropleiding. Dat betekent niet dat die richtingen minder waardevol zouden zijn. Alleen bereiden ze niet voor op academisch onderwijs.' Welke impact heeft die vaststelling op de studiekeuze op het eind van het secundair onderwijs? De Metsenaere: 'Ouders en jongeren moeten vooraf ingelicht worden over de vooropleiding die de beste garanties biedt om de gewenste voortgezette opleiding met succes aan te vatten. Ze moeten duidelijkheid krijgen in hun verwachtingen. Misschien moeten we het verschil beter uitleggen tussen richtingen die bijvoorbeeld goed voorbereiden op een exact-wetenschappelijke studie of op humane wetenschappen. Dat mag natuurlijk niet tot een ver doorgedreven specialisatie in het secundair onderwijs leiden. Integendeel zelfs. We hebben een bredere vorming met duidelijkere studieperspectieven voor ogen. Dat moet met een betere ondersteuning en verbetering van het keuzeproces gepaard gaan. Daarbij veronderstel ik dat leraars en medewerkers van de Centra voor Leerlingenbegeleiding (CLB) op de hoogte zijn van de achtergronden van keuzepatronen en van de universitaire realiteit.' Criteria voor selectie bepalen, is niet eenvoudig. 'De gemakkelijkste oplossing om de slaagcijfers te verhogen, is per universitaire studierichting een eigen examen organiseren dat op de studie-inhoud van het aanbod gericht is', zegt Janssens. 'Om ingenieursstudenten te selecteren, geeft dat een positief resultaat voor de eerste kandidatuur. Die toelatingsproef richt zich dan ook tot studenten met een welbepaalde vooropleiding. Bij falen hebben ze meteen alternatieven, zoals een studie binnen de faculteit Wetenschappen. Die andere universitaire alternatieven maken de huidige selectie mogelijk. Als je deze procedure voor alle universitaire richtingen veralgemeent, zou een student een hele reeks bijkomende examens of tests moeten afleggen om een aantal mogelijkheden open te houden. Het is gevaarlijk om de selectie te sterk op de eventuele beroepsfinaliteit van de richting te enten. Het zou een te eenzijdige selectie kunnen opleveren of een te sterke hypotheek op de richting leggen. Dat gaat in tegen de noodzaak aan polyvalente vormingsmogelijkheden.' Janssens gelooft dat we van een algemene selectieprocedure geen substantiële verbetering van de slaagcijfers kunnen verwachten. De studierichting die de jongere in het secundair onderwijs volgt, voorspelt de slaagkansen beter dan een selectieproef. De voordelen van zo'n selectie wegen niet op tegen de sociale en financiële kosten die met deze procedure gepaard gaan. 'Er is veel meer behoefte aan een soepelere organisatie van de eerstejaarsopleidingen zelf', zegt De Metsenaere. 'Zo kan voorkomen worden dat een student een academiejaar lang tegen zijn verkeerde keuze moet aankijken. Hij zou de kans moeten krijgen om vlotter naar andere richtingen binnen het universitaire of hogeschoolonderwijs over te stappen. In economisch perspectief biedt zo'n reorganisatie meer garanties om op de arbeidsmarkt de juiste persoon naar de geschikte job te leiden.''Een maat voor niets? Zin en onzin van een preselectieproef' is te bestellen via vubpress@vub.ac.be.G.D.M.