Al sinds 1814 leefden vele Fransen in onmin met koning Louis XVIII. De broer van de in 1793 terechtgestelde Louis XVI had zijn troon immers te danken aan de overwinnaars van Napoleon en kon zich helemaal niet vinden in het liberale gedachtegoed van de Franse Revolutie. De katholieke Kerk werd in haar rechten hersteld en voerde opnieuw trouw de directieven van de koning uit. In het parlement klonk de stem van het volk steeds zwakker, zeker toen vanaf juni 1820 het aandeel van de allerrijksten bij de kiesverrichtingen aanzienlijk werd uitgebreid.
...

Al sinds 1814 leefden vele Fransen in onmin met koning Louis XVIII. De broer van de in 1793 terechtgestelde Louis XVI had zijn troon immers te danken aan de overwinnaars van Napoleon en kon zich helemaal niet vinden in het liberale gedachtegoed van de Franse Revolutie. De katholieke Kerk werd in haar rechten hersteld en voerde opnieuw trouw de directieven van de koning uit. In het parlement klonk de stem van het volk steeds zwakker, zeker toen vanaf juni 1820 het aandeel van de allerrijksten bij de kiesverrichtingen aanzienlijk werd uitgebreid. Nog sterker tekenden die tendensen zich af onder de broer van Louis en diens opvolger Charles X (1824-1830). Deze 'neoabsolutist' omringde zich met uitgesproken reactionaire lieden en regeerde het land alsof er nooit een Franse Revolutie had plaatsgevonden. Zijn laatste krediet bij het volk verspeelde Charles X toen hij in november 1829 Jules Armand de Polignac aanstelde als regeringsleider. Polignac, een aristocraat van de oude stempel, wenste net als de koning een herstel van het ancien régime en steunde dan ook voluit diens beleid. Dat beleid vormde het cement tussen de verschillende oppositiegroepen - liberalen, republikeinen en aanhangers van een constitutionele monarchie - die in 1827 opnieuw een flink aantal parlementszetels hadden weten te veroveren. De vertrouwenscrisis bereikte een hoogtepunt op 18 maart 1830, toen 221 parlementsleden in een open brief aan Charles X diens autocratische beleid afkeurden en de invoering van de democratie eisten. De koning reageerde met de ontbinding van het parlement, maar dat kon het tij niet keren. Bij de verkiezingen van 13 juli behaalde de oppositie een glansrijke overwinning en zij leek haar aspiraties nu eindelijk te kunnen waarmaken. In een ultieme poging de antiroyalisten schaakmat te zetten, vaardigde de vorst twaalf dagen later de fameuze 'Verordeningen van Saint-Cloud' uit. Die schaften de persvrijheid af en bevoordeelden bij de verkiezingen de (veelal koningsgezinde) landeigenaars tegenover de burgerij. Voor laatstgenoemde groep was nu de maat vol. Volop gesteund door het gezaghebbende oppositieblad Le National zetten liberale en andere agitatoren Parijs in rep en roer. In de nacht van 27 op 28 juli 1830 verschenen de eerste barricaden. Tijdens Les Trois Glorieuses, de drie roemrijke dagen (27, 28 en 29 juli 1830), versloeg 'het volk' de troepen van maarschalk Auguste Marmont en dwong het zijn tirannieke vorst tot aftreden. Tot een herstel van de republiek kwam het echter niet. Achter de schermen waren de leiders van de revolutie overeengekomen om de kroon te geven aan de liberaalgezinde hertog Louis Philippe d'Orléans. Die legde op 9 augustus de eed af als 'koning der Fransen' en opende met zijn 'kroning door het volk' een nieuwe bladzijde in de politieke geschiedenis van Europa. Ondanks de waarschuwingen bleef Willem I geloven dat alles wel zou koelen zonder blazen.