De voormalige Portugese kolonie Cabo Verde, een eilandengroep in de Atlantische Oceaan op zowat 550 km van Senegal, fungeerde vanaf de 15de eeuw als tussenstation op de slavenroute van Afrika naar Zuid-Amerika. Dat kleurde onvermijdelijk de ziel van de Kaapverdiaan, een kruisbestuiving van Portugezen en Afrikanen, van Franse schippers en Brazilianen. Die smeltkroes weerspiegelt zich in muziekgenres als de morna en de meer opgewekte coladeira. Je hoort er de echo's van Portugese fado, Braz...

De voormalige Portugese kolonie Cabo Verde, een eilandengroep in de Atlantische Oceaan op zowat 550 km van Senegal, fungeerde vanaf de 15de eeuw als tussenstation op de slavenroute van Afrika naar Zuid-Amerika. Dat kleurde onvermijdelijk de ziel van de Kaapverdiaan, een kruisbestuiving van Portugezen en Afrikanen, van Franse schippers en Brazilianen. Die smeltkroes weerspiegelt zich in muziekgenres als de morna en de meer opgewekte coladeira. Je hoort er de echo's van Portugese fado, Braziliaanse samba en West-Afrikaanse dans. De morna's vormen met hun melancholische melodieën en polyritmie het muzikale uithangbord van Kaapverdië. Het bitterzoete verlangen of de treurige nostalgie doen denken aan de Portugese saudade. Maar de criolu-poëzie (een mengvorm van oud-Portugees en West-Afrikaans) verhaalt meer dan afscheid en nostalgie. Het kan ook gaan over de liefde voor een vrouw of een moeder, over het Kaapverdische landschap, of over het terralongismo, een begrip dat het gevoel voor het verre thuisland (terralonge) oproept. Het woord morna zou zijn afgeleid van het Engelse werkwoord to mourn, treuren. Maar in tegenstelling tot de Portugese fado's, waarin men zich fatalistisch en gelaten neerlegt bij het noodlot, brengen de Kaapverdiërs altijd hoopvolle elementen aan. De morna is overigens slechts één van de muziekvormen waarin je iets van het wezen van de Kaapverdiër kunt terugvinden. De morna is niet contemplatief; het is stadsmuziek, die gezongen wordt in de kroegen. In het begin van de 19de eeuw duikt op Santiago - het meest Afrikaanse eiland van Kaapverdië - de funanà op. Op een stevig ritme wordt er dicht tegen elkaar gedanst. Rechtaan-rechtuit, met eenvoudige middelen: een diatonische accordeon en een ferro, een ijzeren staaf waarop muzikanten met een mes het ritme slaan. Vooral Carlos Alberto, alias Katchàs, laat de stijl na de onafhankelijkheid uitgroeien tot een populair genre. De Kaapverdische dans heeft iets hoekigs, en concentreert zich dikwijls rond het bekken. Vooral de batuque legt dat samengaan van hard en zacht bloot. Op de nieuwe cd's staat ook een aantal Europese uitsmijters. De Fransen voerden de mazurka in, samen met de contradans, de polka en de wals. Iets rustiger werk, meestal instrumentaal met viool, cavaquinho en gitaar. Radio France trok tussen 1995 en 1998 met een mobiele studio op de eilanden rond. Met verrassende resultaten, want van een aantal genres - en van heel wat uitvoerders - wist niemand het bestaan af.'Cap-Vert. Un Archipel de Musiques' (Ocora C 560146/47 - een dubbel-cd met muzikaal overzicht per eiland) & 'Cap-Vert. Raíz di Djarfogo' (Ocora C 560150 - opnames van het eiland Fogo)Johan Van Acker