Piet van Bockstal opent Ars Musica met het hoboconcerto van Elliot Carter. Een gesprek.
...

Piet van Bockstal opent Ars Musica met het hoboconcerto van Elliot Carter. Een gesprek.Hoboïst Piet van Bockstal was nog niet klaar met zijn studies of hij was al zeker van zijn zitje bij het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen. Zijn carrière leek vast te liggen. Maar de hedendaagse muziek werd hem te sterk. Hij verkoos om halftijds mee te spelen met het hedendaagse muziekensemble Ictus en om rond te trekken met zijn eigen meer romantisch georiënteerd blazersensemble ?Arcane.? Nu zaterdag opent hij met het Koninklijk Filharmonisch Orkest van Vlaanderen het festival voor de nieuwe muziek ?Ars Musica?. Hij speelt er het hoboconcerto van Elliot Carter, een aartsmoeilijk stuk zowel voor de muzikant als voor de luisteraar. PIET VAN BOCKSTAL : Ik denk dat Carter voor hobo is gaan schrijven uit vriendschap en respect voor de hoboïst Heinz Holliger. De recente werken zijn allemaal geschreven onder zijn invloed. Hij valt in de muziekgeschiedenis altijd tussen de plooien. Hij heeft zijn invloeden gehad : Stravinsky, Debussy, Skrjabin, Nadia Boulanger. Als componist heeft hij nooit in de strengheid van het twaalftoonstelsel of het serialisme geloofd. Hij heeft zijn eigen taal ontwikkeld, het weze gezegd, die zeer complex is. En complexer is geworden. Ondertussen zeur ik mijn intendant al vier jaar de oren van zijn kop om het concerto van Carter te mogen doen. Maar alleen in goede condities. Met een goede dirigent, want het is zo moeilijk dat je het alleen kan doen met iemand die het kent. Als het zo maar tussen een ouverture van Mozart en een symfonie van Tsjaikovski moet staan, nee dank u, dan hoeft het voor mij niet. Nu is het de ideale situatie. Lijkt het er dikwijls niet op alsof de hedendaagse hobo op allerlei manieren gebruikt wordt, behalve dan op de conventionele ? VAN BOCKSTAL : In de twintigste eeuw zijn enkele voorlopers gaan zoeken naar de mogelijkheden van het instrument. Naar de extremen. Heinz Holliger heeft alle mogelijke technieken uitgezocht, geperfectioneerd en op papier gezet. De multiphonics, de flageolettonen, of glissandi of fluittonen... Ik zie dat niet als een Walibi van de hobo, als een speeltuin. Ver van daar. In de goede composities die deze techniek functioneel gebruiken, staan de multiphonics niet onnozelweg wat na mekaar, gewoon voor het effect. Dat heeft geen zin. Dat klinkt alleen maar belachelijk. Maar in Holligers ?Studie über Mehrklange? hoor je ineens een eenstemmig instrument dat meerstemmig begint te spelen. Dan sta je wel even paf. Of de ?Sequenza? van Berio, een van de toppers van de hedendaagse muziek en waarschijnlijk een van de mooiste stukken die ooit geschreven zijn voor hobo. De technieken die daarin gebruikt worden, zijn verschrikkelijk goed doordacht. Als je ziet welke eenheid dat stuk vormt, welke kracht daar van uitgaat, dan vind ik dat het een verrijking is voor het instrument. Zelf nooit zin om te schrijven ? VAN BOCKSTAL : Misschien zal ik het ooit nog doen. Maar wat ik nooit zal doen, is dirigeren. Ik weet van mezelf dat ik ten hoogste een middelmatig dirigent zal zijn. En ik heb in mijn leven al genoeg gewerkt met middelmatige dirigenten om te weten hoe irritant dat kan zijn in een orkest. Als ik iets wil doen, wil ik het liever zo goed mogelijk doen. Ik speel beter dan ik ooit zal kunnen dirigeren. Componeren, dat weet ik niet, misschien dat ik er mij op een dag aan zal zetten. Is voor hedendaagse muziek een ander spel vereist ? VAN BOCKSTAL : Je moet soepelheid hebben op de hele tessituur van je instrument. Dat zijn extremen die je in een orkest quasi nooit gebruikt. Je moet ook over een hele diversiteit van aanzetten beschikken. Er bestaan duizend en één manieren om een toon aan te zetten, duizend en één manieren om een piano te spelen of forte te blazen, om vibrato te geven. Vooral in de hedendaagse muziek zijn de componisten vrij precies. Je moet je techniek herzien en dat helpt me dan weer om in het orkest veel soepeler te worden. Je kan het orkest een breder pallet van kleuren aanbieden. Het belangrijkste is echter wat ik door dat instrument wil zeggen ; per toeval was dat een hobo, het had ook fluit, viool of piano kunnen geweest zijn. Ik probeer zoveel mogelijk van mijn innerlijk te bieden. Als muzikant leg je constant jezelf open. Dat maakt het muzikantenberoep zo waardevol. Er zijn ook negatieve kanten aan : constant studeren, altijd met die rietjes bezig zijn, van her naar der rijden, een vreselijk onregelmatig leven, daar lig ik niet van wakker. Het contact met het publiek vind ik het mooiste, en dan spreek ik niet over het applaus. Er is in België een groot aanbod van goede hoboïsten, hoe komt dat ? VAN BOCKSTAL : Ik denk dat alles te maken heeft met het feit dat hier een heel aantal goede leraars zijn. Daarbij denk ik in eerste instantie aan mijn eigen leraar Paul Dombrecht, van het conservatorium in Brussel, die een hele rist hoboïsten afleverde en nog altijd aflevert. Hijzelf is nu volop met barokmuziek bezig, met zijn eigen orkest ?Il Fondamento?, maar het blijft een heel goede pedagoog. Een open geest. Hij zal niemand verplichten in een bepaalde richting te gaan. Het is evident dat barok ter sprake komt tijdens de opleiding. Maar niet in de zin van ?nu gaat iedereen in mijn klas barokhobo spelen?. Indien je de wens uitdrukte om dat te doen, zou hij alles gedaan hebben om je te helpen en te begeleiden. Maar als je naar een orkest wilde, iets wat hij zelf bijna nooit gedaan heeft, dan liet hij je die volledige vrijheid. Op dat vlak alleen al was het een ongelofelijke ervaring. Het enige waar hij bewust naar zocht was een grote soepelheid van spel, van materiaal, je instrument, het riet. Zodat je daarmee echt kon realiseren, wat je wou realiseren. En of dat nu meer naar de Duitse school of de Franse school of wat dan ook gaat, dat laat hem koud. Hoofdzaak is dat je muziek maakt, dat je je kan uitdrukken met de middelen die je hebt. Hij haalt het beste uit de mensen dus. Wat is het verschil tussen al die hoboscholen ? VAN BOCKSTAL : Die verschillen zijn sterk aan het nivelleren. Vroeger was dat frappanter. De Duitse school is gebaseerd op de orkesttraditie : de mooie ronde gepolijste klank, sterke klanken, ietwat negatief, de harde klanken. Je moet maar naar de vroege opnamen van de Berliner met Karajan uit de jaren vijftig luisteren. Daar hoor je die typische hoboklank. De blazerssectie was opgebouwd rond die hobo. Een beetje stug, zeker in kamermuziek en in de hedendaagse muziek met minder souplesse. Dat in tegenstelling tot de meer lichtvoetige, speelse, ietwat meer snijdende Franse toon, waarbij ik aanleun, omdat die een elegantie en een raffinement heeft waar het die Duitse toon aan ontbreekt. Maar het begint allemaal een beetje te vervagen. In de Bayerische Rundfunk is er nu een Fransman eerste hoboïst, en omgekeerd. U bent wel erg snel bij het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen gekomen. Was dat een keuze ? VAN BOCKSTAL : In een muzikantenbestaan worden er niet veel keuzen gemaakt. Je kan het niet kiezen zoals je het zou willen. Mijn droom was om met mijn hobo mijn brood te verdienen. Dan zijn er twee keuzen, ofwel ga je in een orkest, ofwel ga je in het onderwijs. Ik zat nog aan het conservatorium en, toevalstreffer, mijn eerste auditie was onmiddellijk recht in de roos. Toen werd de Filharmonie van Antwerpen juist omgevormd naar het Filharmonisch Orkest van Vlaanderen. Ik zat toen in het voorlaatste jaar van het conservatorium. Dan twijfel je niet en pak je die job. Ik heb mijn studies weliswaar afgemaakt. Een van uw belangrijkste bezigheden tegenwoordig is Ictus. VAN BOCKSTAL : Drie jaar geleden werd ik gebeld om een concert te spelen tijdens Ars Musica onder de titel ?17 Belges?. Een programma rond Webern, met een paar creaties. Hoe het mogelijk is, weet ik niet, maar tussen de twaalf orkestleden klikte het. Het was een schitterend concert en nadien was iedereen in euforie. ?Dit moet verder gaan, dit kunnen we zo niet laten?. In de zaal zat Thierry de Mey, die sprak erover met Anne Teresa de Keersmaeker. Veel volk kende mekaar al van vroeger van Maximalist !. Dat werd Ictus. Anne Teresa heeft het risico gelopen om met ons scheep te gaan voor een compleet nieuwe productie, ?Kinok?, met veel succes. Ieder heeft er zijn eigen inbreng, die ook erg wordt gerespecteerd. Het is een ensemble in volle explosie. Soms ben ik een beetje bang dat het te snel gaat. Dat het boven onze hoofden uitgroeit. Als je de lijst ziet van uitnodigingen voor volgend seizoen naar het buitenland. We zijn gevraagd op alle grote festivals : Donauesschingen, Darmstadt, Salzburg, Berlijn, Musica Straatsburg. Dan denk je ?jongens, dit is het wel !?. De juiste mensen hebben mekaar op het juiste moment gevonden. En er was nood aan een groep in het Brusselse. Er wordt dikwijls voor u gecomponeerd. Is het altijd raak ? VAN BOCKSTAL : Het is spijtig genoeg niet altijd raak, maar dat risico loop je. In dit land ken ik de componisten persoonlijk. Je bouwt dan een bepaalde reputatie op, ik vraag ook om voor mij te schrijven. Dat kan tegenslaan, dat kan meevallen. Ik heb, ik zal het maar met de mantel der liefde bedekken, een aantal miskleunen gehad. Maar ik heb ook een aantal gelukkige dingen gehad. In januari heb ik een kwintet gecreëerd van Frits Celis. Niet direct in de stijl die we met Ictus spelen. Maar ik heb enorm veel respect voor de componist. Ik ben gelukkig met wat hij voor mij heeft geschreven. Zo gauw ik kan, zal ik het opnieuw programmeren. Herkent u uzelf in composities ? Onder andere in die lange solo in Kinok ? VAN BOCKSTAL : Dat is evident. We hebben intens samengewerkt. Ik heb met Thierry de Mey ettelijke keren samen gezeten om alle technieken uit te leggen. We hebben mekaar toen leren kennen. Dat zal wel zijn reflectie gekregen hebben. Dat is een stuk dat me ligt en dat me nauw aan het hart ligt. En de solo in de vijfde symfonie van Brewaeys zal ook wel op mijn lijf geschreven zijn. Toen ik hem enkele maanden voor de creatie in de stad tegenkwam, heeft hij gezegd dat er een grote solo in voorkwam. En ik las toen in zijn ogen ?t'is eigenlijk voor u geschreven?. Lukas Huybrechts Koninklijk Filharmonisch orkest van Vlaanderen o.l.v. George Benjamin, Piet van Bockstal, hobo met werk van Messiaen, Carter, Ligeti en Benjamin ; vrijdag 28/2 deSingel Antwerpen ; zaterdag 1/3 Paleis voor Schone Kunsten Brussel. Piet van Bockstal : In een muzikantenbestaan worden er niet veel keuzen gemaakt.