Opinie

Patrick Loobuyck

‘Hoe democratisch is democratische vernieuwing?’

Patrick Loobuyck Hoogleraar politieke filosofie aan de Universiteit Antwerpen en gastprofessor aan de UGent

‘Inzetten op directe burgerdemocratie is geen onschuldig spel. Een poging om de democratie te versterken kan zich ook tegen de democratie keren’, waarschuwt Patrick Loobuyck. Hij staat stil bij de voor- en nadelen van initiatieven rond directe, participatieve democratie.

België springt op de kar van de democratische vernieuwing. De verkozenen des volks willen zich blijkbaar steeds vaker direct laten bijstaan door de inzichten en adviezen van gewone burgers. In de Duitstalige Gemeenschap loopt een project waarbij gelote panels input kunnen geven aan het parlement. De federale regering heeft net een online burgerbevraging afgesloten waarin we werden uitgenodigd om over de toekomst van België te brainstormen. Diezelfde Vivaldi-regering heeft ook een wetsontwerp klaar om panels mogelijk te maken waarin gelote burgers in dialoog gaan met elkaar, politici, experten en het middenveld om op basis daarvan beleidsaanbevelingen te formuleren in verband met de staatshervorming.

Er worden verschillende argumenten gebruikt om dit soort initiatieven te ondersteunen. Politici stellen het voor als een welwillend gebaar om de politieke betrokkenheid en inspraak van burgers te verhogen. Burgerdemocratie als middel om de kloof met de burger te dichten en de democratie te versterken. Voorstanders gaan er vaak ook vanuit dat gelote burgerpanels de politieke besluitvorming kunnen versnellen en verbeteren. Auteurs als David Van Reybrouck, Manu Claeys en Hélène Landemore vertrekken voor hun pleidooi graag van ‘de crisis van de representatieve democratie’: een politiek systeem dat hapert, geen daadkracht meer zou hebben en burgers doet afhaken. Gelote burgerpanels zouden de oplossing zijn voor al die problemen. Activisten veronderstellen dan weer dat gelote burgers meer dan verkozen politici geneigd zullen zijn om hún oplossingen voor politieke problemen naar voor te schuiven: een ander migratiebeleid, een beter klimaatbeleid, een andere visie op de zorg en het onderwijs, et cetera. Het is natuurlijk lang niet zeker of de burgerdemocratie al deze verwachtingen kan inlossen.

Voordelen en nadelen

Burgerpanels die door loting tot stand komen, kunnen het voordeel hebben dat er een grotere diversiteit aan stemmen wordt gehoord dan in het parlement waarin alleen beroepspolitici zitten. Er zou ook vrijer gesproken kunnen worden omdat de deelnemers niet in de pas moeten lopen van een politieke partij. De particratie wordt buiten spel gezet. Burgerpanels kunnen mogelijk ook op langere termijn nadenken omdat er geen verkiezingen zijn waarmee ze rekening moeten houden. Heel wat belangrijke onderwerpen vergen immers een visie en een plan van uitvoering die verder in de tijd gaan dan de volgende verkiezingen.

Er zijn echter ook nadelen en valkuilen. Over de democratische legitimiteit van gelote panels bestaat veel discussie. Het gaat hier immers om burgers die een bijzonder politiek mandaat krijgen, zonder daarvoor verkozen te zijn. Ze kunnen aanbevelingen doen, maar kunnen daar electoraal niet op afgerekend worden. Dat gelote burgers geen verkiezingen moeten vrezen, is geen versterking van de democratie, maar een uitholling ervan. Om de burger meer inspraak te geven, wordt een methode gebruikt die de meeste burgers buiten spel zet. Burgerpanels werken bovendien niet noodzakelijk transparant en kunnen sterk beïnvloed worden door de visie van bepaalde experten die input geven of het gesprek begeleiden. Wat weet een doorsnee burger immers van staatsrecht, staatsstructuren en homogene bevoegdheidspaketten?

Shortcut

Er loeren nog gevaren om de hoek. Men lijkt er immers vanuit te gaan dat directe, participatieve democratie het volk een stem kan geven. Als we burgers voldoende informeren en op een redelijke manier met elkaar in debat laten gaan, kunnen we de wil van het volk op het spoor komen. Deze veronderstelling is problematisch. Vooreerst geeft burgerdemocratie mogelijks aan wat geïnformeerde burgers na deliberatie zouden denken over een bepaald politiek onderwerp. Maar daarmee is de bevolking zelf nog niet overtuigd. Het gebruik van burgerpanels gaat zo in tegen de idee dat democratie een vorm van zelfbestuur is. De weloverwogen oordelen van gelote burgers vallen immers niet samen met wat de actuele bevolking denkt of wil. Democratie als zelfbestuur is niet gediend met een participatieve shortcut die boven de hoofden van het gros van de burgers wordt genomen. De kracht van de deliberatieve democratie ligt veeleer in de poging om de hele samenleving op de politieke menings- en besluitvorming te betrekken, met name via open debat in de publieke ruimte en via het diverse middenveld en de civil society.

Ten tweede is het een populistische illusie om te denken dat er een homogene volkswil zou bestaan. We gaan er best vanuit dat burgers ook na geïnformeerde en redelijke deliberatie over allerlei politieke onderwerpen fundamenteel van mening zullen blijven verschillen. Dat is net de reden waarom de democratie is ingevoerd en we die moeten blijven koesteren. Een democratie biedt de ruimte waarbinnen de politieke en ideologische strijd gevoerd kan worden en waarbinnen we het op een geweldloze manier blijvend met elkaar oneens kunnen zijn. Ook over de inrichting van de Belgische staat zullen burgers na geïnformeerd en redelijk overleg met elkaar van mening blijven verschillen. Politici die zouden denken dat hun werk inzake staatshervorming gemakkelijker wordt na een rondje burgerdemocratie, vergissen zich schromelijk.

Democratisch prijskaartje

Veel, zoniet alles, hangt natuurlijk ook af van de manier waarop de inspraak wordt georganiseerd. De recente online-burgerbevraging heeft alvast geen goede indruk nagelaten. Te ingewikkeld, te duur en te weinig betrokkenheid. Het lijkt erop dat deze bevraging de kloof tussen politici en burgers in de verf heeft gezet, in plaats van die te helpen dichten. Ook bij de burgerpanels die de regering wil invoeren, zal het van kapitaal belang zijn dat die op een geloofwaardige manier worden ingezet. Ze zullen, zeer terecht, geen wetgevende bevoegdheid hebben. Om te vermijden dat burgers zich achteraf in het ootje genomen voelen, moet er zeer goed afgesproken en gecommuniceerd worden wat het statuut is van de panels en wat er met hun voorstellen zal gebeuren. Nogal wat participatieve trajecten lopen immers af op een sisser en laten burgers ontgoocheld achter. Denk aan de Convention Citoyenne pour le Climat (CCC) die de Franse president Emmanuel Macron in het leven had geroepen als antwoord op de gele hesjes.

Het risico bestaat dat de participatieve verwachtingen groter zijn dan wat politiek haalbaar is. Al snel ontstaat dan de perceptie van schijnparticipatie: politici die er burgers bij betrekken om hen de indruk te geven dat er naar hen geluisterd wordt. Wanneer deze indruk zou worden gewekt, zal dit het wantrouwen in de politiek alleen maar groter maken. Inzetten op directe burgerdemocratie is daarom geen onschuldig spel. Een poging om de democratie te versterken kan zich ook tegen de democratie keren. Laat ons maar hopen dat we van dit perverse neveneffect gespaard kunnen blijven.

Patrick Loobuyck is hoogleraar politieke filosofie aan de Universiteit Antwerpen en gastprofessor aan de UGent.

Partner Content