Duizenden vonnissen van familierechtbanken heeft ze bestudeerd voor een proefschrift aan de KU Leuven. Via dat empirische onderzoek - een primeur - wilde Christine Van Roy, zelf familierechter in Dendermonde, de echtscheidingswet evalueren die sinds 2006 van kracht is. Tot dan werden kinderen uit een gebroken relatie meestal toegewezen aan de moeder. Vaders moesten het vaak stellen met een weekend om de twee weken. Sindsdien zijn rechters verplicht om de mogelijkheid tot verblijfsco-ouderschap 'bij voorrang' te onderzoeken als een van beide partners daarom vraagt. Uit Van Roys onderzoek blijkt dat dat doel niet is bereikt.

Vooral vaders vragen om co-ouderschap: vóór 2006 gebeurde dat in 81 procent van de gevallen, na de nieuwe wet in 88 procent van de gevallen. Opvallender is dat rechters vóór 2006 het co-ouderschap toestonden bij 36 procent van de verzoeken maar dat percentage zeven jaar na de wetswijziging nauwelijks gestegen was, tot 40 procent. 'Dat is minder dan de helft waarop de wetgever had gerekend. En dan gaat het nog om zaken waarin specifiek om co-ouderschap gevraagd is.'

Wie co-ouder wil worden, kan maar beter in Antwerpen scheiden.

Het onderzoek bevestigt ook grote regionale verschillen. In Antwerpen werd na de wetswijziging in bijna de helft van de gevallen co-ouderschap toegekend, in Limburg in slechts 28 procent van de gevallen. De plaats waar je woont speelt dus een belangrijke rol in het al dan niet verkrijgen van co-ouderschap.

Het kwalijkste gevolg van de echtscheidingswet, zegt Van Roy, is dat de meeste ouders en hun advocaten het co-ouderschap als een recht zijn gaan beschouwen. 'Dat was niet de bedoeling van de wetgever. Als koppels uiteengaan, moeten ze alles verdelen. Daarvoor gaan ze naar notaris. Als ze er niet uit raken, komen ze naar ons: voor wie is het huis, wat met het spaargeld? Ze moeten nu eenmaal uit de zogenoemde onverdeeldheid treden. Maar wat met de kinderen? In het zakenrecht kun je de onverdeeldheid behouden, bijvoorbeeld als een van de ex-partners in de gezinswoning blijft wonen en de ander daarvoor financieel vergoed wordt. Maar een kind is toch geen "goed" dat je kunt verdelen? Gevoelige materie als een scheiding met kinderen kun je eenvoudigweg niet in vaste modellen gieten. Je moet elk geval apart onderzoeken en beoordelen.'

Duizenden vonnissen van familierechtbanken heeft ze bestudeerd voor een proefschrift aan de KU Leuven. Via dat empirische onderzoek - een primeur - wilde Christine Van Roy, zelf familierechter in Dendermonde, de echtscheidingswet evalueren die sinds 2006 van kracht is. Tot dan werden kinderen uit een gebroken relatie meestal toegewezen aan de moeder. Vaders moesten het vaak stellen met een weekend om de twee weken. Sindsdien zijn rechters verplicht om de mogelijkheid tot verblijfsco-ouderschap 'bij voorrang' te onderzoeken als een van beide partners daarom vraagt. Uit Van Roys onderzoek blijkt dat dat doel niet is bereikt.Vooral vaders vragen om co-ouderschap: vóór 2006 gebeurde dat in 81 procent van de gevallen, na de nieuwe wet in 88 procent van de gevallen. Opvallender is dat rechters vóór 2006 het co-ouderschap toestonden bij 36 procent van de verzoeken maar dat percentage zeven jaar na de wetswijziging nauwelijks gestegen was, tot 40 procent. 'Dat is minder dan de helft waarop de wetgever had gerekend. En dan gaat het nog om zaken waarin specifiek om co-ouderschap gevraagd is.'Het onderzoek bevestigt ook grote regionale verschillen. In Antwerpen werd na de wetswijziging in bijna de helft van de gevallen co-ouderschap toegekend, in Limburg in slechts 28 procent van de gevallen. De plaats waar je woont speelt dus een belangrijke rol in het al dan niet verkrijgen van co-ouderschap.Het kwalijkste gevolg van de echtscheidingswet, zegt Van Roy, is dat de meeste ouders en hun advocaten het co-ouderschap als een recht zijn gaan beschouwen. 'Dat was niet de bedoeling van de wetgever. Als koppels uiteengaan, moeten ze alles verdelen. Daarvoor gaan ze naar notaris. Als ze er niet uit raken, komen ze naar ons: voor wie is het huis, wat met het spaargeld? Ze moeten nu eenmaal uit de zogenoemde onverdeeldheid treden. Maar wat met de kinderen? In het zakenrecht kun je de onverdeeldheid behouden, bijvoorbeeld als een van de ex-partners in de gezinswoning blijft wonen en de ander daarvoor financieel vergoed wordt. Maar een kind is toch geen "goed" dat je kunt verdelen? Gevoelige materie als een scheiding met kinderen kun je eenvoudigweg niet in vaste modellen gieten. Je moet elk geval apart onderzoeken en beoordelen.'