Het regeerakkoord verwijst de brede eerste graad naar de prullenmand. Dat wil zeggen dat het huidige aanbod van aso, tso, kso en bso behouden blijft en dat leerlingen op hun 12 jaar een studiekeuze kunnen maken, bijvoorbeeld voor Latijn. Daarmee lijkt de regering tegemoet te komen aan wat ouders, leerlingen en scholen willen: excellerend onderwijs en ruimte voor scholen om hun eigen identiteit te bepalen. Leuvense scholieren gingen de voorbije week immers nog in zitstaking gegaan tegen de beslissing van hun schoolbestuur om één gezamenlijke eerste graad organiseren. (DS 24-09) Vergelijkbare plannen in Neerpelt, Roeselare en Tielt hadden even grote weerstand opgeroepen. (DS 26-09). Maar is de discussie over het al dan niet inrichten van een brede eerste graad wel de kern van deze discussie?

Onderwijs & emancipatie

Laten we de zaken even in een ruimer perspectief plaatsen. Feit is: ons onderwijs is in volle verandering. Na de laatste schoolstrijd en het schoolpact van 1958 zijn we er in geslaagd om een bijzonder kwaliteitsvol onderwijssysteem uit te bouwen. We garandeerden niet alleen onderwijsvrijheid, maar herwerkten ook het toenmalige vakonderwijs tot volwaardig technisch en beroepsonderwijs. De discussie ging toen om de vraag: hebben kinderen uit boeren- en arbeidersgezinnen al dan niet nood aan brede algemene vorming? Een positieve visie op kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen leidde er in de jaren 1960 toe dat veel meer jongeren uit arbeiders- of boerenklassen verdere studies deden en konden 'doorgroeien' tot de middenklasse.

Stellingendebat over brede eerste graad verhindert ons om na te denken over wat er echt toe doet.

Ons onderwijssysteem heeft de Vlaamse leerlingen geen windeieren gelegd. Eind 20ste eeuw stond het Vlaamse onderwijs aan de wereldtop volgens internationaal effectiviteitsonderzoek. In de 21ste eeuw kreeg het systeem echter klappen. De kloof tussen de sterke en de zwakke presteerders begon zich steeds sterker af te tekenen. Een kloof, die dan nog eens samen viel met de sociaaleconomische of culturele achtergrond van leerlingen. Allochtone, anderstalige of kansarme leerlingen bleken in Vlaanderen veel minder kansen te krijgen dan elders in Europa. Ons onderwijs leek haar sociaal emancipatorische kracht te verliezen. Tegelijk maakte het hele discours rond de 21ste eeuwse competenties opgang. Toekomstige werknemers en burgers moesten volgens dit verhaal niet enkel over een solide kennisbasis beschikken, maar ook over ondernemerschap, creativiteit, digitale competenties en zo meer. Het laatste decennium werd de paniek compleet omdat zelfs het kruim van onze leerlingen het steeds minder goed doet in internationale vergelijkingen op vlak van wiskunde en taalkennis, waarna het debat rond centrale overheidstesten in alle hevigheid los barstte.

Vroege vs. late studiekeuze

Samengevat, het secundair onderwijs is in de 21ste eeuw toe aan hervorming. Het masterplan uit 2013, gebaseerd op het rapport-Monard, trachtte de gestelde uitdagingen het hoofd te bieden. Kern van deze hervorming was een uitgestelde studiekeuze tot 14 jaar, waarna scholen zich in de 2de en 3de graad zouden organiseren in domeinscholen. Onderzoek had immers aangetoond dat een uitgestelde studiekeuze meer kansen bood aan alle leerlingen. Vervolgens ontaardde de discussie over deze hervorming in een polemiek die vandaag is uitgemond in twee ogenschijnlijk onverzoenlijke kampen. Enerzijds is er de groep die pleit voor een studiekeuze op 12 jaar: leerlingen moeten kunnen excelleren, zowel in een beroep als in een studie. Daarvoor zijn homogene klassen nodig, moeten leerlingen zich zo vroeg mogelijk kunnen oriënteren in de juiste studiekeuze en staat vakspecifieke kennisopbouw voorop. Anderzijds zijn er de pleitbezorgers van een uitgestelde studiekeuze: leerlingen moeten gelijke kansen krijgen, ongeacht hun socio-economische status. Heterogene klassen, een betere oriëntering en uitgestelde studiekeuze dragen daaraan bij. De verwijten tussen beide groepen zijn niet min: enerzijds nivellering, eenheidsworst die de grondwettelijke onderwijsvrijheid miskent, onrechtvaardigheid en anderzijds een ontkenning van het sociaal kapitaal van een diverse, inclusieve samenleving, tot zelfs elitarisme.

Modernisering in praktijk

De vraag is: hoe manifesteert deze discussie tussen opinie- en beleidsmakers zich in de praktijk? We zouden haast vergeten dat op 1 september nieuwe eindtermen zijn ingevoerd en dat de modernisering van het secundair onderwijs daadwerkelijk start ging. Dat vergt tonnen energie. Momenteel werken talloze leraren en schoolleiders zich de ziel uit het lijf om de uitgetekende hervorming te laten slagen. Ze formuleren daarbij prachtige bottom-up antwoorden op de gestelde uitdagingen. Zo experimenteren heel wat scholen momenteel met een meer heterogene klassamenstelling, waarbinnen iedere leerling in verschillende sporen en via verdiepings- en verbredingsuren wordt uitgedaagd. We mogen ook fier zijn op de vele, prachtige, maatschappelijk relevante projecten die het Vlaamse onderwijslandschap momenteel ontvouwt, veelal in combinatie met theoretisch sterk vakonderwijs. Tegelijk zetten duizenden schoolleiders en leraren in op een deskundige oriëntering van leerlingen, wat het ontstaan gaf aan verkennende ateliers of horizon-vakken, gecombineerd met (individuele) coaching. En tot slot zijn onze scholen in de weer om de zelfsturing bij leerlingen te stimuleren via allerlei vormen van begeleid zelfstandig leren in flexuren, horizonprojecten of begeleide werktijd.

Stop polarisatie

Onze vraag is dan ook: stop met polariseren over het onderwijs en kijk wat er gebeurt in het onderwijs. Het stellingendebat voor of tegen een brede eerste graad verhindert ons om na te denken over wat er echt toe doet: kwaliteitsvol onderwijs voor iedereen dat aangepast is een de 21ste eeuw. En het verrassende is: we zijn het vaak opvallend eens over de recepten. Zijn er leraren die niet inzetten op het excelleren van al hun leerlingen? Mikken niet alle scholen in meer of mindere mate op een combinatie van een solide kennisbasis en toepassingsgerichte projecten? Is er geen consensus dat een talentgerichte oriëntering iedereen ten goede komt?

Laten we het kind dus niet met het badwater weggooien door deze hervorming terug te draaien. Het onderwijs uit de 20ste eeuw dat gewerkt heeft voor de ouders van vandaag, bestaat niet meer en bereidt de komende generaties ook onvoldoende voor op de wereld van morgen. Laten we er dus alsjeblieft voor zorgen de indrukwekkende inspanningen van zo veel ondersteuners, leraren en schoolleiders aan de basis niet voor niets zijn geweest. Om succesvol onderwijs voor de toekomst uit te bouwen, verdient het onderwijs overheidssteun en een consistent beleid, geen volatiele regeringsbeslissingen die voortspruiten uit een gepolariseerd klimaat.

Leen Alaerts en Ruth Wouters zijn onderzoeker-lerarenopleider en verantwoordelijke van het expertisecentrum Education & Development van UCLL.