'Ambitieus maar realistisch.' Dat vindt professor ontwikkelings- en onderwijspsychologie Wim Van den Broeck (VUB) van het onderwijsluik in het Vlaamse regeerakkoord. Jaren geleden was hij een van de eerste Vlaamse onderwijsspecialisten die waarschuwden voor de tanende kwaliteit van het Vlaamse onderwijs, en dus is hij nu vooral opgetogen dat de regering-Jambon het niveau weer wil opkrikken. 'Het is duidelijk dat de nieuwe Vlaamse regering ervan doordrongen is dat we met een kwaliteitsprobleem zitten, en dat het haar menens is om er iets aan te doen.'

Lijken de maatregelen die in het regeerakkoord naar voren worden geschoven u ook efficiënt?

Wim Van den Broeck: Het is een goede zaak dat de kwaliteit van ons onderwijs beter zal worden gemeten, via gestandaardiseerde proeven. Aan de hand van de resultaten zullen scholen tenminste weten waar ze staan en kunnen ze zichzelf met andere scholen vergelijken. Dat de regering de leerwinst wil meten in plaats van de uitkomst komt natuurlijk doordat de instroom van school tot school verschilt - al wordt dat niet expliciet gezegd. Daardoor kunnen we onmogelijk verwachten dat alle scholen hetzelfde niveau bereiken.

We mogen ons ook niet blindstaren op leerwinst alleen: als uitsluitend wordt gekeken naar de vooruitgang van leerlingen en niet naar het niveau dat ze bereiken, zal de kwaliteit van ons onderwijs nog dalen.

Zullen leerwinstmetingen alleen volstaan om de kwaliteit op te krikken?

Van den Broeck:Als we het niveau echt willen optrekken, mogen we niet wachten tot uit proeven blijkt dat een school het niet goed doet. Vandaag legt de overheid de eindtermen vast, en mogen leerkrachten en scholen zelf bepalen wat ze concreet doen om die te behalen. Terecht, ook. Maar bijgestuurd wordt er pas als het misloopt. Het zou beter zijn om een inhoudelijke visie op lesgeven vast te leggen die zo breed mogelijk wordt gedragen. Wat verstaan we onder echt effectief onderwijs? Hoe doe je het best aan kennisoverdracht? Wat weten we uit de cognitieve psychologie? Die inzichten, die al voorhanden zijn, zouden nog meer in de lerarenopleiding moeten worden meegegeven. Vandaag worden die opleidingen nog sterk beïnvloed door ideologische visies die grotendeels achterhaald zijn.

Welke visies?

Van den Broeck: Lange tijd werden alle elementen van het klassieke onderwijs verguisd: punten geven, huiswerk, lesgeven in klasgroepen, kennis doorgeven. Alles moest zo veel mogelijk uit de leerlingen zelf komen en op hun leefwereld gericht zijn. Er was veel aandacht voor het welbevinden van leerlingen, en dat ging ten koste van kennisoverdracht. Op die manier werden de grondvesten van het onderwijs aangetast. Niet alleen bij ons, trouwens. Ook in andere landen, zoals Nederland, Frankrijk en het Verenigd Koninkrijk, is de slinger in die richting doorgeslagen en keert hij nu langzaam terug.

Het nieuwe regeerakkoord sluit bij die tendens aan. Eigenlijk is de ommekeer al in de vorige regeerperiode begonnen, maar toen werd het nog niet hardop gezegd.

Als we ons louter op leerwinst blindstaren, zal het niveau van het onderwijs nog dalen.

Nog meer dan de vorige ploeg wil de regering-Jambon dat alle opleidingen in het middelbaar onderwijs aansluiten op de behoeften van de arbeidsmarkt of de startkwalificaties van het hoger onderwijs. Is dat een goede zaak?

Van den Broeck: Op zich is er niets mis mee dat het onderwijs wordt ingezet om de kenniseconomie aan te sturen. Als het regeerakkoord door linkse partijen was geschreven, zou het vooral zijn ingezet om sociale gelijkheid na te streven. Dat zijn belangrijke taken van het onderwijs, maar niet de enige. Onderwijs is een waarde op zich. Ik had dus graag gezien dat er in het regeerakkoord meer aandacht was gegaan naar het vormende karakter van het onderwijs.

Wat denkt u ervan dat het gecontesteerde M-decreet, waardoor ook kinderen met zorgbehoeften naar het reguliere onderwijs kunnen gaan, door een begeleidingsdecreet wordt vervangen?

Van den Broeck: In de leraarskamers wordt daar wellicht positief op gereageerd: 'Oef, wij zijn ervan af.' De vraag is of dat ook zo is. Het begeleidingsdecreet ligt in het verlengde van de aanpassingen die Hilde Crevits (CD&V), de vorige minister van Onderwijs, de voorbije jaren al heeft doorgevoerd. Van bij het begin veroorzaakte het M-decreet problemen op het terrein. Kinderen liepen bijvoorbeeld vast op een gewone school en konden niet meteen naar het buitengewoon onderwijs overstappen. 'Dat is de bedoeling niet!' zei minister Crevits dan. Maar dat was de bedoeling wél: de Centra voor Leerlingenbegeleiding hadden wel degelijk de opdracht gekregen om de toegang tot het buitengewoon onderwijs te bemoeilijken.

Uiteindelijk is er een tussenoplossing uitgewerkt: inclusie mocht geen verplichting meer zijn maar een recht. Dat wil zeggen dat het buitengewoon en het gewoon onderwijs allebei volwaardige opties zijn. Crevits stond daar helemaal achter, maar ik maakte me zorgen over de toepassing ervan. En terecht, zo is ondertussen gebleken.

Hoezo?

Van den Broeck: Het probleem is dat het aanbod een toenemende vraag heeft gecreëerd. Sinds er in gewone scholen meer ondersteuning wordt aangeboden, is het aantal zorgvragen sterk gestegen. Daardoor wordt het voor leerkrachten almaar moeilijker om zich volop te wijden aan hun kernopdracht: goed lesgeven aan álle leerlingen.

Veel hangt nu natuurlijk af van hoe het begeleidingsdecreet zal worden uitgewerkt. In mijn ogen begint alles bij een goede basiszorg voor alle leerlingen. Pas als die er is, kun je extra ondersteuning voor kinderen met speciale behoeften opzetten. We moeten echt weer meer op remediëring inzetten. Het was bijvoorbeeld fout om de taakklassen, waar kinderen hulp krijgen als ze moeilijkheden ondervinden, de voorbije jaren af te bouwen. Het probleem is dat leerkrachten het ondertussen gewend zijn om bij het minste probleem hulp te zoeken bij externe experts, zoals begeleiders van de ondersteuningsnetwerken of logopedisten. Maar ook goed lesgeven aan kinderen die het moeilijker hebben behoort tot hun kerntaken. Het is dus niet alleen cruciaal dat we leerkrachten op dat vlak vertrouwen geven, maar ook dat we hen op hun verantwoordelijkheid wijzen.