Nog nooit is er zoveel over gesproken dan het afgelopen jaar. Te pas en te onpas werd de term gebruikt, soms misbruikt, om bepaalde beslissingen en acties te justificeren. 'Ja, maar - het mentale welzijn van de bevolking' is ondertussen het meest geciteerde zinnetje van de afgelopen maanden. Tegelijkertijd is ons mentale welzijn er nog nooit zo slecht aan toe geweest als nu. En dat is niet helemaal de schuld van corona, of van de maatregelen.

Ik schreef het voorbije jaar al enkele opiniestukken met een kritische noot over de Belgische aanpak van de corona pandemie. Het baarde me op dat moment (juli 2020) meerbepaald zorgen "dat men niet meer bezorgd was". Niet meer bezorgd om de dagelijkse cijfers, waarachter vele duizenden slachtoffers schuilgingen, duizenden families die een dierbare verloren hadden, tienduizenden anderen die ernstig ziek werden. Mensen waren al gereduceerd tot cijfers, cijfers tot weekgemiddelden, 'trends' en percentages. De overgang gebeurde vrij abrupt en viel waarschijnlijk niet toevallig samen met het begin van de zomervakantie.

Steeds meer begon men te opperen dat we moesten nadenken over een zogenaamde omgekeerde lockdown, waarbij we vooral kwetsbaren en ouderen moesten beschermen terwijl de rest van ons het normale leven kon hervatten. Naast de ethische vragen die ik mij hierbij stelde bleek dit al snel ook praktisch niet realiseerbaar: 'gezonde mensen' staan immers dagelijks op vele manieren in contact met 'kwetsbaren'. Het is onmogelijk het virus bij hen vandaan te houden wanneer het massaal in de actieve bevolking circuleert.

Problemen rond mentaal welzijn zijn niet nieuw, de coronacrisis heeft de zaken enkel op scherp gesteld.

Hoewel deze strategie niet werkbaar leek, ontstond er op dat moment toch een vreemde dichotomie tussen het leven in de ziekenhuizen, en dat daarbuiten. Terwijl de bubbel werd uitgebreid naar vijftien, op vakantie gaan weer mogelijk werd en de horeca herleefde, leek corona iets dat alleen nog in de ziekenhuizen en woonzorgcentra bestond. De hele zomervakantie lang zijn de bezoekregels daar strikt gebleven. Kwetsbare mensen, zieke mensen, werden reeds van bij de ingang van het ziekenhuis van hun dierbaren gescheiden. Er werd contact gehouden per telefoon, bericht of videobellen. Er waren beperkte bezoekuren, bovendien enkel voor wie langer dan vier of vijf dagen was opgenomen. Tijdens één van de meest kwetsbare periodes in hun leven - een ziekenhuisopname, een zware operatie, een behandeling voor kanker - konden deze mensen niet of slechts beperkt bijgestaan worden door hun naasten. Niet alleen kan dit traumatiserend zijn voor de patiënt, maar ook voor hun dierbaren.

Gelukkig behielden de meeste ziekenhuizen een zekere humaniteit, en werd bezoek voor ernstig zieke of palliatieve patiënten bij uitzondering wel toegestaan. Het stemde mij triest dat wat vroeger een evidentie was, nu een uitzondering was geworden. Voor een groot aantal mensen is het afscheid van hun familielid tijdens deze periode niet normaal kunnen verlopen, waren er isolatiepakken, afstand en afgesloten kisten. Geen laatste gesprek, geen laatste aanraking, ... elementen die zó belangrijk zijn in het latere rouwproces. Begrafenissen met een maximum aantal aanwezigen, 1,5 meter afstand en mondmaskers. Een innige deelneming maar geen innige knuffel, stevige handdruk of bemoedigend schouderklopje. Geen warm bezoek om te kijken hoe het met elkaar gaat. We verloren onze menselijkheid ten behoeve van onze vrijheden. Dit kan men mijn inziens bezwaarlijk 'beschermen van de kwetsbaren' noemen.

Naast het ziekbed was er gelukkig nog steeds de warme begroeting van het zorgpersoneel. Zij hadden zich op enkele maanden tijd al in honderd bochten gewrongen om de continuïteit van zorg te blijven waarborgen. Ze bleven grenzeloos zorgen, ook als ze zelf uitgeput waren. Het is me als psychiater opgevallen dat het eigen is aan vele zorgverleners om hun persoonlijke noden te verwaarlozen, wanneer de job hierom vraagt. Om steeds maar over de eigen grenzen te blijven gaan, of deze grenzen steeds te verleggen. Er werd weleens gesproken over "bovenmenselijke inspanningen". Zorgverleners horen dit doorgaans niet graag, "ze doen gewoon hun job". Maar wanneer de werkdruk aanhoudend hoog blijft en men dit bovendien gaat beschouwen als het nieuwe normaal, dan zakt de moed velen toch in de schoenen. Als er tegelijkertijd versoepelingen bediscussieerd of aangekondigd worden die het potentieel hebben hun werkdruk nog meer te verhogen, dan is dat een bittere pil om te slikken.

Terwijl veel zorgverleners het water aan de lippen stond, moest ook de rest van de samenleving spartelen om te overleven. We probeerden uit alle macht ons normale leven terug te heroveren, onze vrijheden en rechten die zo abrupt waren afgenomen. Velen tijdelijk werkloos, machteloos toekijkend hoe het leven werd weggezogen uit hun ondernemingen, hun levenswerk, hun doelen, hun passie. De sociale isolatie en eenzaamheid begon op iedereen zwaar te wegen. Terechte debatten kwamen op gang over de collaterale schade die corona en de maatregelen reeds hadden aangericht. Iederéén stond op een bepaalde manier onder grote druk, iedereen werd getroffen.

Toch ebde de solidariteit van de eerste golf snel weg en ontstond er een zekere polarisering: zij die vonden dat er opnieuw een lockdown moest komen, versus zij die vonden dat we met het virus moesten leren leven. Tussen deze uitersten nog een grote groep vertwijfelde mensen. Jammergenoeg haalde de realiteit ons in en drong een tweede lockdown zich op. Met een lockdown light probeerden we ditmaal maandenlang de balans te bewaren tussen openen en sluiten van de maatschappij. Steeds weer refererend naar 'het mentale welzijn'. Bepaalde sectoren werden disproportioneel getroffen.

Er werd en wordt nog steeds gerekend op het schijnbaar onuitputtelijke verantwoordelijkheidsgevoel van geëngageerde zorgverleners. Ik vrees dat deze bron niet onuitputtelijk is. En dat alle uitgestelde zorg van het voorbije jaar nog als een boemerang zal terugkeren.

En dat brengt ons bij de situatie vandaag. Ondertussen staat de Belgische teller op 24185 sterfgevallen, tienduizenden mensen met langdurige gevolgen van covid-besmetting, en nog veel meer mensen met psychische klachten. Een krantenkop enkele weken geleden luidde 'corona doet psychologen wachtlijsten afsluiten'. Helaas klopt dit. Al moet dit genuanceerd worden: de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg liepen de afgelopen jaren, reeds vóór de coronacrisis, al enorm hoog op - plaatselijk zelfs zes tot twaalf maanden(!).

Kan je je voorstellen dat men je binnen 12 maanden zal contacteren om een behandeling op te starten wanneer je vandáág hulp nodig hebt? Dit is jammer genoeg al jaren de realiteit, niet in het minst in de kinderpsychiatrie. De geestelijke gezondheidszorg schreeuwt al jaren om meer budget, meer middelen om deze schrijnende toestanden te kunnen aanpakken. Dit is een maatschappelijk probleem dat al veel langer bestaat, dat de coronacrisis enkel op scherp stelt.

Hoe komt dat dan, dat al vóór corona de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg zo lang waren? Dit lijkt me enerzijds een kwestie van organisatie en terugbetaling (voor sessies bij een psycholoog slechts onder beperkte voorwaarden en beperkt in de tijd), anderzijds een gevolg van de steeds hoger wordende eisen van onze samenleving. Het lijkt soms alsof onze maatschappij slechts twee knoppen heeft: "full speed/turbo" of "uit". Alles daartussen is niet rendabel. Dit zagen we bijvoorbeeld tijdens corona bij het winkelen op afspraak en nu bij de gedeeltelijke opening van de horeca.

Maar evenzeer zie ik het dagelijks in de praktijk, waar ik patiënten tracht te stimuleren het werk te hervatten binnen hun mogelijkheden, door middel van aangepast of deeltijds werk. Patiënten zelf zijn hiervoor gemotiveerd, maar nog veel te vaak stuiten ze op een muur bij de werkgever. Wat doe je als je te ziek bent om terug te keren naar de turbostand, en er weinig tot geen alternatieven worden aangereikt? Dan blijf je noodgedwongen aan de zijlijn staan, bij de groeiende groep langdurig zieken. Want steeds meer mensen kunnen de turbostand niet volgen en vallen uit de boot - om het met een metafoor van Dirk De Wachter uit te drukken: 'Een speedboot die onverbiddelijk hard blijft gaan'. Een pijnlijke evolutie naar een steeds minder inclusieve samenleving, waarin 'samen' een steeds meer vervagend begrip wordt.

De laatste jaren zie ik ook in de aanmelding van nieuwe patiënten een opvallende evolutie, namelijk steeds meer mensen bij wie geen psychiatrische pathologie in de strikte zin van het woord aanwezig is, maar die 'decompenseren' door aanhoudende stress en te grote druk. In vakjargon noemen we dit soms een 'aanpassingsstoornis', soms 'burnout'. Hoewel ik me onderhand begin af te vragen of het niet eerder de maatschappij is die steeds meer onaangepast wordt.

Hier en daar vind je enkelingen met een interessante, andere toekomstvisie. Enkele weken geleden haalde professor arbeidsgeneeskunde Lode Godderis 'Ubuntu' aan als mogelijke aanpak om gezamenlijk uit deze crisis te geraken. Ubuntu is een Zuid-Afrikaanse levensfilosofie, een wereldvisie, berustend op samenhang en solidariteit. 'Ik ben omdat wij zijn.' Ik geloof net als prof. Godderis dat Ubuntu de manier is om uit deze crisis te geraken én het mentale welzijn te bevorderen. We moeten evolueren naar een meer inclusieve samenleving. Kwetsbare personen, oudere personen of personen die door lichamelijke of psychische ziekte beperkt zijn, actief een plaats geven in onze maatschappij in plaats van hen af te zonderen. We moeten dat gevoel van solidariteit terugvinden. Niet alleen in onze aanpak van corona, ook daarnaast.

Misschien betekent dat ook dat de boot wat vaart zal moeten minderen, en een manier zal moeten vinden om iedereen aan boord te houden. Ik hoop in elk geval dat we uit deze crisis zullen leren en in de toekomst een aantal zaken anders gaan aanpakken. Dat men het mentale welzijn echt au sérieux gaat nemen.

Ik sluit graag af met een bekend citaat van Albert Einstein dat nu meer dan ooit relevant is: "In the midst of every crisis, lies great opportunity". Laten we die opportuniteit grijpen.

Nog nooit is er zoveel over gesproken dan het afgelopen jaar. Te pas en te onpas werd de term gebruikt, soms misbruikt, om bepaalde beslissingen en acties te justificeren. 'Ja, maar - het mentale welzijn van de bevolking' is ondertussen het meest geciteerde zinnetje van de afgelopen maanden. Tegelijkertijd is ons mentale welzijn er nog nooit zo slecht aan toe geweest als nu. En dat is niet helemaal de schuld van corona, of van de maatregelen. Ik schreef het voorbije jaar al enkele opiniestukken met een kritische noot over de Belgische aanpak van de corona pandemie. Het baarde me op dat moment (juli 2020) meerbepaald zorgen "dat men niet meer bezorgd was". Niet meer bezorgd om de dagelijkse cijfers, waarachter vele duizenden slachtoffers schuilgingen, duizenden families die een dierbare verloren hadden, tienduizenden anderen die ernstig ziek werden. Mensen waren al gereduceerd tot cijfers, cijfers tot weekgemiddelden, 'trends' en percentages. De overgang gebeurde vrij abrupt en viel waarschijnlijk niet toevallig samen met het begin van de zomervakantie. Steeds meer begon men te opperen dat we moesten nadenken over een zogenaamde omgekeerde lockdown, waarbij we vooral kwetsbaren en ouderen moesten beschermen terwijl de rest van ons het normale leven kon hervatten. Naast de ethische vragen die ik mij hierbij stelde bleek dit al snel ook praktisch niet realiseerbaar: 'gezonde mensen' staan immers dagelijks op vele manieren in contact met 'kwetsbaren'. Het is onmogelijk het virus bij hen vandaan te houden wanneer het massaal in de actieve bevolking circuleert. Hoewel deze strategie niet werkbaar leek, ontstond er op dat moment toch een vreemde dichotomie tussen het leven in de ziekenhuizen, en dat daarbuiten. Terwijl de bubbel werd uitgebreid naar vijftien, op vakantie gaan weer mogelijk werd en de horeca herleefde, leek corona iets dat alleen nog in de ziekenhuizen en woonzorgcentra bestond. De hele zomervakantie lang zijn de bezoekregels daar strikt gebleven. Kwetsbare mensen, zieke mensen, werden reeds van bij de ingang van het ziekenhuis van hun dierbaren gescheiden. Er werd contact gehouden per telefoon, bericht of videobellen. Er waren beperkte bezoekuren, bovendien enkel voor wie langer dan vier of vijf dagen was opgenomen. Tijdens één van de meest kwetsbare periodes in hun leven - een ziekenhuisopname, een zware operatie, een behandeling voor kanker - konden deze mensen niet of slechts beperkt bijgestaan worden door hun naasten. Niet alleen kan dit traumatiserend zijn voor de patiënt, maar ook voor hun dierbaren. Gelukkig behielden de meeste ziekenhuizen een zekere humaniteit, en werd bezoek voor ernstig zieke of palliatieve patiënten bij uitzondering wel toegestaan. Het stemde mij triest dat wat vroeger een evidentie was, nu een uitzondering was geworden. Voor een groot aantal mensen is het afscheid van hun familielid tijdens deze periode niet normaal kunnen verlopen, waren er isolatiepakken, afstand en afgesloten kisten. Geen laatste gesprek, geen laatste aanraking, ... elementen die zó belangrijk zijn in het latere rouwproces. Begrafenissen met een maximum aantal aanwezigen, 1,5 meter afstand en mondmaskers. Een innige deelneming maar geen innige knuffel, stevige handdruk of bemoedigend schouderklopje. Geen warm bezoek om te kijken hoe het met elkaar gaat. We verloren onze menselijkheid ten behoeve van onze vrijheden. Dit kan men mijn inziens bezwaarlijk 'beschermen van de kwetsbaren' noemen.Naast het ziekbed was er gelukkig nog steeds de warme begroeting van het zorgpersoneel. Zij hadden zich op enkele maanden tijd al in honderd bochten gewrongen om de continuïteit van zorg te blijven waarborgen. Ze bleven grenzeloos zorgen, ook als ze zelf uitgeput waren. Het is me als psychiater opgevallen dat het eigen is aan vele zorgverleners om hun persoonlijke noden te verwaarlozen, wanneer de job hierom vraagt. Om steeds maar over de eigen grenzen te blijven gaan, of deze grenzen steeds te verleggen. Er werd weleens gesproken over "bovenmenselijke inspanningen". Zorgverleners horen dit doorgaans niet graag, "ze doen gewoon hun job". Maar wanneer de werkdruk aanhoudend hoog blijft en men dit bovendien gaat beschouwen als het nieuwe normaal, dan zakt de moed velen toch in de schoenen. Als er tegelijkertijd versoepelingen bediscussieerd of aangekondigd worden die het potentieel hebben hun werkdruk nog meer te verhogen, dan is dat een bittere pil om te slikken.Terwijl veel zorgverleners het water aan de lippen stond, moest ook de rest van de samenleving spartelen om te overleven. We probeerden uit alle macht ons normale leven terug te heroveren, onze vrijheden en rechten die zo abrupt waren afgenomen. Velen tijdelijk werkloos, machteloos toekijkend hoe het leven werd weggezogen uit hun ondernemingen, hun levenswerk, hun doelen, hun passie. De sociale isolatie en eenzaamheid begon op iedereen zwaar te wegen. Terechte debatten kwamen op gang over de collaterale schade die corona en de maatregelen reeds hadden aangericht. Iederéén stond op een bepaalde manier onder grote druk, iedereen werd getroffen. Toch ebde de solidariteit van de eerste golf snel weg en ontstond er een zekere polarisering: zij die vonden dat er opnieuw een lockdown moest komen, versus zij die vonden dat we met het virus moesten leren leven. Tussen deze uitersten nog een grote groep vertwijfelde mensen. Jammergenoeg haalde de realiteit ons in en drong een tweede lockdown zich op. Met een lockdown light probeerden we ditmaal maandenlang de balans te bewaren tussen openen en sluiten van de maatschappij. Steeds weer refererend naar 'het mentale welzijn'. Bepaalde sectoren werden disproportioneel getroffen. Er werd en wordt nog steeds gerekend op het schijnbaar onuitputtelijke verantwoordelijkheidsgevoel van geëngageerde zorgverleners. Ik vrees dat deze bron niet onuitputtelijk is. En dat alle uitgestelde zorg van het voorbije jaar nog als een boemerang zal terugkeren.En dat brengt ons bij de situatie vandaag. Ondertussen staat de Belgische teller op 24185 sterfgevallen, tienduizenden mensen met langdurige gevolgen van covid-besmetting, en nog veel meer mensen met psychische klachten. Een krantenkop enkele weken geleden luidde 'corona doet psychologen wachtlijsten afsluiten'. Helaas klopt dit. Al moet dit genuanceerd worden: de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg liepen de afgelopen jaren, reeds vóór de coronacrisis, al enorm hoog op - plaatselijk zelfs zes tot twaalf maanden(!). Kan je je voorstellen dat men je binnen 12 maanden zal contacteren om een behandeling op te starten wanneer je vandáág hulp nodig hebt? Dit is jammer genoeg al jaren de realiteit, niet in het minst in de kinderpsychiatrie. De geestelijke gezondheidszorg schreeuwt al jaren om meer budget, meer middelen om deze schrijnende toestanden te kunnen aanpakken. Dit is een maatschappelijk probleem dat al veel langer bestaat, dat de coronacrisis enkel op scherp stelt.Hoe komt dat dan, dat al vóór corona de wachtlijsten in de geestelijke gezondheidszorg zo lang waren? Dit lijkt me enerzijds een kwestie van organisatie en terugbetaling (voor sessies bij een psycholoog slechts onder beperkte voorwaarden en beperkt in de tijd), anderzijds een gevolg van de steeds hoger wordende eisen van onze samenleving. Het lijkt soms alsof onze maatschappij slechts twee knoppen heeft: "full speed/turbo" of "uit". Alles daartussen is niet rendabel. Dit zagen we bijvoorbeeld tijdens corona bij het winkelen op afspraak en nu bij de gedeeltelijke opening van de horeca. Maar evenzeer zie ik het dagelijks in de praktijk, waar ik patiënten tracht te stimuleren het werk te hervatten binnen hun mogelijkheden, door middel van aangepast of deeltijds werk. Patiënten zelf zijn hiervoor gemotiveerd, maar nog veel te vaak stuiten ze op een muur bij de werkgever. Wat doe je als je te ziek bent om terug te keren naar de turbostand, en er weinig tot geen alternatieven worden aangereikt? Dan blijf je noodgedwongen aan de zijlijn staan, bij de groeiende groep langdurig zieken. Want steeds meer mensen kunnen de turbostand niet volgen en vallen uit de boot - om het met een metafoor van Dirk De Wachter uit te drukken: 'Een speedboot die onverbiddelijk hard blijft gaan'. Een pijnlijke evolutie naar een steeds minder inclusieve samenleving, waarin 'samen' een steeds meer vervagend begrip wordt.De laatste jaren zie ik ook in de aanmelding van nieuwe patiënten een opvallende evolutie, namelijk steeds meer mensen bij wie geen psychiatrische pathologie in de strikte zin van het woord aanwezig is, maar die 'decompenseren' door aanhoudende stress en te grote druk. In vakjargon noemen we dit soms een 'aanpassingsstoornis', soms 'burnout'. Hoewel ik me onderhand begin af te vragen of het niet eerder de maatschappij is die steeds meer onaangepast wordt. Hier en daar vind je enkelingen met een interessante, andere toekomstvisie. Enkele weken geleden haalde professor arbeidsgeneeskunde Lode Godderis 'Ubuntu' aan als mogelijke aanpak om gezamenlijk uit deze crisis te geraken. Ubuntu is een Zuid-Afrikaanse levensfilosofie, een wereldvisie, berustend op samenhang en solidariteit. 'Ik ben omdat wij zijn.' Ik geloof net als prof. Godderis dat Ubuntu de manier is om uit deze crisis te geraken én het mentale welzijn te bevorderen. We moeten evolueren naar een meer inclusieve samenleving. Kwetsbare personen, oudere personen of personen die door lichamelijke of psychische ziekte beperkt zijn, actief een plaats geven in onze maatschappij in plaats van hen af te zonderen. We moeten dat gevoel van solidariteit terugvinden. Niet alleen in onze aanpak van corona, ook daarnaast.Misschien betekent dat ook dat de boot wat vaart zal moeten minderen, en een manier zal moeten vinden om iedereen aan boord te houden. Ik hoop in elk geval dat we uit deze crisis zullen leren en in de toekomst een aantal zaken anders gaan aanpakken. Dat men het mentale welzijn echt au sérieux gaat nemen.Ik sluit graag af met een bekend citaat van Albert Einstein dat nu meer dan ooit relevant is: "In the midst of every crisis, lies great opportunity". Laten we die opportuniteit grijpen.