Onze waterkwaliteit taant de laatste jaren fors. Mee verantwoordelijk: herhaalde fraude bij mestverwerking. De schuldigen met de vinger wijzen baat echter weinig, want de slechte staat van onze beken, rivieren en grondwater toont dat het probleem veel breder is. De huidige staat van zaken is de exponent van een falend beleid.

Een duik in de modderpoel

Mestfraude wortelt diep in onze politieke geschiedenis. Als toenmalig minister van Landbouw en Leefmilieu behandelt Vera Dua in de jaren '90 voor het eerst de mestproblematiek als zodanig. Er komt een plan: afbouwen van de veestapel en het mestoverschot verwerken. Twee essentiële pijlers voor een geslaagd mestbeleid, die het probleem aanpakken bij de bron. Gezond boerenverstand, dus.

Op papier bestaat er in Vlaanderen geen mestoverschot meer: dit is een puur boekhoudkundig trucje.

Onder de volgende regering, Leterme I, kaapt CD&V de thema's landbouw en leefmilieu weg en houdt ze tot op vandaag vast. CD&V koppelt onder druk van de landbouworganisaties de grootte van de veestapel boekhoudkundig los van de mestproductie. Tegen elke logica in wordt niet de veestapel, maar mestverwerking op zichzelf de hoeksteen van het mestbeleid.

Dierlijke sector onder druk

De Vlaamse dierlijke sector kiest resoluut voor de industriële productie van anonieme bulkproducten met wereldwijde afzet. Het mestoverschot groeit mee. Door het overaanbod staan de prijzen sterk onder druk. De boeren dus ook. Snijden in de kosten is een logische stap, en mestverwerking komt al snel in het vizier. In sommige sectoren kaapt de mestverwerking als kostenpost de op één na hoogste factuur weg, na veevoeder. De fraude blijkt een stiekem succes. Mesttransporten rijden leeg heen en weer, waardoor de landbouwer minder moet betalen. De mest blijft op het landbouwbedrijf en verdwijnt gewoon in de beek.

Ook met meetwaarden springt men creatief om. De gevolgen? Eén op de drie Vlaamse waterlopen steken onze riolering de loef af op vlak van vervuiling. Hier en daar meer dan twee op drie. De verantwoordelijken? De sector, gedeeltelijk. Maar alleen omdat ons (wan)beleid de (wan)praktijken al decennialang oogluikend toestaat.

Zesde keer goede keer?

Op papier bestaat er in Vlaanderen geen mestoverschot meer. Dit is een puur boekhoudkundig trucje. Toch gaat de waterkwaliteit intussen achteruit. Het zesde mestactieplan (MAP6) moet hier verandering in brengen. De recepten blijven bij het oude: een moeilijk afdwingbare regelgeving die talloze achterpoortjes toelaat. Want hoe controleer je meer dan 260.000 mesttransporten per jaar? Slechts 0,42% van deze transporten onderging vorig jaar een controle. Ook al verdubbelen we het aantal controles, dan nog heb je als transporteur 99% kans om met fraude weg te komen.

In MAP6 worden nog meer transporten met GPS gevolgd en ook debietmetingen zijn erin opgenomen. Zonder voldoende mankracht om deze gegevens ook daadwerkelijk te controleren, zijn ze een slag in het bezoedelde water. Onze dalende waterkwaliteit bewijst dat het aantal overtredingen net toeneemt.

Niet enkel grote fraudeurs liggen aan de basis. De vele landbouwers die zichzelf - terecht - niet als fraudeur bestempelen, maar wel de kantjes ervan aflopen, hebben evengoed een verantwoordelijkheid. Deze kleine misstapjes dragen allemaal samen bij aan het grotere probleem. Daarop controleren ligt al helemaal buiten bereik van de Overheid.

Geld stinkt niet (of wel?)

Het echte probleem ligt dus bij de politieke keuzes die al meer dan een decennium uit dezelfde politieke hoed komen. De regelgeving is nodeloos complex, voorziet achterpoortjes en negeert het echte probleem: de omvang van de veestapel. Intussen loopt de rekening verder op. We subsidiëren de dierlijke sector, wat ons opzadelt met ontzettend veel dieren en een mesthoop om 'shit' tegen te zeggen. Om deze gesubsidieerde mestproblematiek op te lossen, halen we er nog wat subsidies bij. Hou u vast aan uw bretellen: het mestbeleid en bijhorende controles kosten jaarlijks meer dan 50 miljoen euro aan belastinggeld. De extra kost voor onze waterzuivering: een veelvoud. De belastingbetaler, het milieu en de landbouwers die wel correct werken zijn de pineut. Een mestbeleid moet fair zijn voor iedereen, nu bedient het diegenen die het slecht menen op hun wenken.

Vieze luchtjes

Naast het mestbeleid smeekt ook de uitstoot van broeikasgassen in de veesector om actie. Helaas leert de politiek niet uit de gemaakte fouten. Alweer onder druk van de landbouworganisaties kiest men voor een identieke aanpak als bij het mestbeleid. Ze negeren de echte oorzaak en zoeken heil bij onzekere, moeilijk toepasbare en oncontroleerbare technologieën. Zo wil men bijvoorbeeld additieven aan veevoeder toevoegen die de broeikasgasuitstoot reduceren. Hoe je kan controleren of elke koe wel voldoende van dit additief binnenkrijgt, blijft een mysterie.

Een nieuwe start

De problemen met onze veeteelt zijn breder dan het mestverhaal alleen. Een sectorbrede aanpak is nodig. Hoe ziet de veestapel van de toekomst eruit? Alles start met een strategisch plan voor de dierlijke sector, die het pad schetst tot 2050. Wat is de rol van deze sector in ons landbouwsysteem? Hoeveel dieren zijn er nodig om kringlopen duurzaam te sluiten? Hoe maken we van mest terug de waardevolle grondstof die onze bodems verrijkt in plaats van ze vervuilt? Dit zijn de fundamentele vragen waar onze politiek samen met de sector mee aan de slag moet. Het beleid heeft hiervoor alle kaarten op tafel liggen. Binnen MAP6 is een evaluatie voorzien in 2020. Tegelijk is een hervorming van ons landbouwbeleid aan de gang: een uitgelezen kans om de dierlijke productie in het bredere landbouwsysteem te kaderen.

Daarom een bericht aan onze politici: geef actieve en startende landbouwers via dit strategisch plan een duidelijke houvast om in te ondernemen. En geef ons proper water.