'Belgische keuken', dat zijn stevige lappen vlees, eventueel omkranst met wat groentegarnituur. Vlees associëren we met onze 'bourgondische' traditie, het staat centraal in zowat alle Belgische culinaire klassiekers. Maar die verbondenheid met de traditie is behalve opmerkelijk ook wel wat misleidend. Veel vlees eten is geen oude Belgische traditie, maar een betrekkelijk nieuwe gewoonte.

Laurens De Meyer wijst er in zijn boek op dat onze vleesconsumptie sinds de wereldoorlogen minstens verdrievoudigd is. Dat we sindsdien geen hongersnoden meer hebben gekend is een feit, maar dat is volgens hem niet te danken aan de fors toegenomen dierlijke productie. Eerder integendeel. 'De hongersnoden zijn in de eerste plaats verdwenen omdat we de plantaardige teelt - de granen - spectaculair hebben verbeterd', zegt De Meyer. 'In die mate dat we grote overschotten kregen. Door die overschotten hebben we de veestapel kunnen vergroten. Voor de Tweede Wereldoorlog was de Belgische veestapel nog erg bescheiden. De kippen en varkens die op onze boerderijen rondliepen, werden gevoederd met overschotten, en ze werden pas geslacht in periodes van schaarste. Dat model is verdwenen onder impuls van de Verenigde Staten, die de graan- en vooral sojaproductie sterk hebben verbeterd met de bedoeling er hun soldaten mee te voeden tijdens de oorlog.

Slachten, verdoofd of onverdoofd, is vaak een verlossing uit een leven lang lijden.

Na de oorlog is die productie gewoon voortgezet. De sojaoverschotten werden geëxporteerd naar Europa, waar ze als goedkoop veevoeder konden dienen. In de logica van toen was dat ongetwijfeld een goed idee. Het probleem is dat we die logica zijn blijven volgen. Onze veestapel is zodanig hard gegroeid dat we de balans kwijt zijn. Tot vandaag hoor je mensen uit de landbouwsector zeggen dat de veestapel nodig is om onze voedselvoorziening te kunnen garanderen. Dat argument houdt al lang geen steek meer. Per varken dat we opeten, voeren we meer dan anderhalf varken uit. De productie zorgt voor grote problemen, zowel op het vlak van milieu en gezondheid als ethisch, want met intensieve veeteelt gaat ook heel wat dierenleed gepaard.

Uw oplossing luidt: halveer de productie en consumptie.

Laurens De Meyer: Dat is ongeveer wat nodig is om weer een juiste balans te krijgen. Nu is de balans op verschillende manieren verstoord. We hebben te weinig grasland om al onze runderen te voederen, de veeteelt is een belangrijke bron van broeikasgassen en ze belast onze bodem en onze waterlopen met te veel mest. Daarnaast is er ook nog de impact op onze gezondheid. We eten twee keer zoveel vlees als gezond is. Grosso modo kun je zeggen dat een halvering van de productie en de consumptie volstaat om op een duurzame manier met vlees om te gaan.

Worden de nadelen voor de gezondheid niet overschat? Ondanks de verdriedubbeling van onze vleesconsumptie is de levensverwachting sinds 1945 met twintig jaar gestegen.

De Meyer: De stijging van de levensverwachting heeft verschillende oorzaken. Er is meer voedselveiligheid en we eten gevarieerder. Daarnaast heb je uiteraard ook de innovaties in de medische wereld. Die hebben er niet alleen voor gezorgd dat we langer zijn gaan leven, maar ook dat we langer kunnen blijven leven met een ziekte. Als je alleen het aantal gezonde levensjaren zou tellen, is de stijging minder spectaculair.

Het was aanvankelijk zeker niet slecht dat we een beetje meer vlees in ons dieet opnamen, maar nu is de balans doorgeslagen. Te veel vlees eten geeft hart- en vaatziekten en volgens de Wereldgezondheidsorganisatie (WHO) ook een verhoogde kans op kanker. We lossen dat op met geneeskunde, maar dat zijn lapmiddelen, die onze sociale zekerheid bovendien heel veel kosten.

U besteedt in het boek veel aandacht aan dierenleed. Dat is een onderwerp waar wij bijzonder paradoxaal over denken. Er was veel applaus voor de wet op onverdoofd slachten, maar er is ook grote onverschilligheid als het gaat over het leven dat de dieren vóór de slacht hebben geleid.

De Meyer: Dat is een inzicht dat ik pas tijdens het schrijven van dit boek heb verworven. Ontegensprekelijk is de wet tegen onverdoofd slachten een goede zaak. Voor mijn boek heb ik me verdiept in de literatuur over dierenrechten, en ben ik gaan beseffen dat het eigenlijk niet daarover zou moeten gaan. Onverdoofd slachten is niet het echte probleem. Slachten, verdoofd of onverdoofd, is in wezen vaak een verlossing uit een leven lang lijden. Ik heb het dan niet alleen over de omstandigheden waarin we dieren houden. De schande begint al vroeger, nog voor het dier geboren is. Wij hebben dieren geselecteerd om zo veel mogelijk te produceren. Het gevolg is dat ze door hun poten zakken. Het is alsof we mensen zouden selecteren die geboren worden als uit de kluiten gewassen bodybuilders. Dezelfde dieren houden we dan op plekken waar ze beroofd zijn van al hun instincten. Varkens die vrij leven, doen hun behoefte niet op de plek waar ze eten. Dat doen ze alleen in een stal, waar ze niet anders kunnen.

Veel vlees eten is geen oude Belgische traditie, maar een betrekkelijk nieuwe gewoonte.

U citeert in uw boek Elizabeth Costello, het personage uit het gelijknamige boek van J.M. Coetzee. Zij vergelijkt de massaslachting van dieren met de Holocaust. We weten dat het vreselijk is, maar kijken de andere richting uit.

De Meyer: Zelf wil ik de Holocaust zeker niet vergelijken met de manier waarop we met dieren omgaan. Wel zit er een patroon in hoe de maatschappij met lijden omgaat. We duwen de realiteit weg, we zijn heel selectief als het over rechten gaat. Onze hond vertroetelen we als was hij een koning, het varken behandelen we als een industrieel product.

Begrijpt u waarom we de ogen sluiten voor het dierenleed tijdens het leven, maar er wel een wet door krijgen die onverdoofd slachten verbiedt?

De Meyer: Onverdoofd slachten is natuurlijk een thema geworden omdat we met Ben Weyts (N-VA) voor het eerst een minister van Dierenwelzijn hebben. Voor het eerst kon het thema dierenwelzijn op de agenda komen zonder grote druk van de landbouwlobby. Bovendien is het een dossier waarin je relatief gemakkelijk resultaat kunt boeken. De technieken om verdoofd te slachten bestaan al decennia en zijn makkelijk toe te passen. Het was, met andere woorden, een quick win. Dat ligt anders bij de dierlijke productie in het algemeen. Het grootste dierenleed vind je daar, maar het is veel moeilijker om er iets aan te veranderen. In Vlaanderen lopen we op dat vlak zelfs voor op grote producenten als de Verenigde Staten of Brazilië. Toen de dierenrechtenorganisatie Animal Rights gruwelijke filmpjes van kooikippen verspreidde, reageerde minister Weyts door te zeggen dat de consument die praktijken zelf kan afstraffen door te kiezen voor bioproducten, waarvoor inderdaad heel andere standaarden gelden. In feite zou hij die standaarden voor de hele productie moeten opleggen, maar ik besef dat dat niet van de ene dag op de andere dag lukt. Het is een werk van lange adem. Toch denk ik dat we daarnaartoe gaan.

Waarom denkt u dat?

De Meyer: Langzaam maar zeker vinden we het idee van dierenrechten minder absurd. De discussie over verdoofd slachten is daar een voorbeeld van. Vroeger vonden we het normaal dat een varken met een voorhamer de kop werd ingeslagen, vandaag vinden we dat barbaars. De geesten veranderen, al gaat het traag. Ik denk niet dat ik het nog zal meemaken dat we het varken met evenveel egards zullen behandelen als onze hond, maar de verschuiving is wel onmiskenbaar. Vegetariërs werden nog niet zo lang geleden bestempeld als extremisten. Vandaag is vegetarisme een gerespecteerde keuze.

Het is ook een sociale kwestie. Vlees is goedkoop. Alternatieven vergen creativiteit, tijd en dus geld.

De Meyer: Dat klopt. Net als de energietransitie zal ook de voedseltransitie sociaal moeten zijn. Een van de basisproblemen is hier dat we in Vlaanderen absoluut geen plantaardige eetcultuur hebben. Al onze signature dishes zijn vleesgerechten: steak-friet, kip met appelmoes, konijn met pruimen, stoofvlees. Dat is zeker niet overal zo. De Mexicaanse eetcultuur kent een variatie aan gerechten met peulvruchten. In de Aziatische eetcultuur zijn tofoe en tempé heel gewoon.

Je kunt die eetcultuur veranderen. Tot niet zo lang geleden was pasta iets exotisch, vandaag heeft elke grootmoeder haar recept voor spaghetti bolognese. Ik denk ook dat de prijs van plantaardige alternatieven hoe langer hoe minder een obstakel zijn. Bonen of soja zijn niet duur, en het is veel gemakkelijker om van soja een sojaburger te maken dan veevoeder via een levend dier om te zetten in een hamburger. Mede dankzij schaalvergroting zal het niet lang meer duren voor de prijzen onder die van vlees zullen zakken.

De energietransitie lijkt sneller te verlopen.

De Meyer: De voedingstransitie loopt minstens vijftien jaar achter op de energietransitie. Bij het begin van deze eeuw stapten we met de BBL naar politici met de boodschap dat een toekomst met hernieuwbare energie mogelijk en noodzakelijk is. Tegenwoordig zijn bijna alle politici daarvan overtuigd en is men enkel nog op zoek naar de efficiëntste methode om er te raken. Bij voeding zijn we daar nog lang niet. Er zijn nog altijd politici die ontkennen dat er een probleem is. Het verklaart waarom de overheid nauwelijks een sturende rol speelt in het landbouwbeleid en waarom we de ene na de andere kans laten liggen. Om een voorbeeld te geven: Cosucra is een innovatief landbouwbedrijf dat erwten omzet in eiwitten, een basisproduct voor vegetarische burgers. Het bedrijf moet die erwten uit Noord-Frankrijk halen omdat onze velden vol mais staan om onze koeien te voederen.

Waarom staan we verder met energie?

De Meyer: Voeding is iets cultureels dat van generatie op generatie wordt doorgegeven. Om daar verandering in te krijgen, moet je raken aan de identiteit van mensen, en dat is niet makkelijk. Daar komt nog bij dat we in Vlaanderen al sinds mensenheugenis een innige verstrengeling kennen tussen de Boerenbond en de CD&V. Die verstrengeling zorgt nog altijd voor een blokkade in het landbouwbeleid. Dat zag je ook heel duidelijk in deze regering, die met twee snelheden lijkt te werken. Op het vlak van welzijn zijn er mooie stappen gezet. Denk aan de nieuwe voedingsdriehoek, die wetenschappelijk is onderbouwd en waar de lobbygroepen duidelijk op een afstand zijn gehouden. Maar tekenend voor dat tweesnelhedenbeleid is dat de voedingsdriehoek bijna tegelijk met 'De week van de steak-friet' werd gelanceerd, een campagne die ongeveer het tegenovergestelde promoot. Van mij mag de overheid gerust een stukje vlees van eigen bodem promoten. Maar je moet wel rekening houden met de context. We eten veel te veel vlees. Als je een campagne wilt voeren, zeg dan dat je beter minder vlees eet, en bij voorkeur vlees van bij ons. Al kun je bij dat 'lokale' ook wel vraagtekens zetten. Hoe lokaal is vlees van dieren die gevoederd worden met soja die van de andere kant van de wereld komt? Onze overheid moet werk maken van een sterk voedingsbeleid. Lekkere en gezonde plantaardige voeding voor iedereen moet de vanzelfsprekende keuze worden.

Laurens De Meyer, Moet er nog vlees zijn? - De helft minder: niets dan voordelen, Borgerhoff & Lamberigts, 192 blz., 22,99 euro.

Voor alle problemen die u opnoemt is een oplossing in de maak: kweekvlees.

De Meyer: Het potentieel is inderdaad enorm. En er worden grote sprongen gemaakt. Ik heb dit jaar op een conferentie voor het eerst een kweekbiefstuk gezien, weliswaar maar een halve centimeter dik en niet groter dan een bankkaart, maar toch: het gaat snel. In 2013 is de eerste gekweekte hamburger voorgesteld. Die kostte 250.000 euro. Vandaag kost diezelfde hamburger nog 250 euro. Het zal wellicht niet meer zolang duren voor het een concurrentieel product wordt.

De voordelen liggen voor de hand. Er komt geen dierenleed bij kijken, er is veel minder land en ook minder water voor nodig. Voorlopig maak ik nog wel enig voorbehoud. De technologie vraagt veel energie. Als je voor het proces fossiele brandstof gebruikt, is de milieu-impact nog groter dan die van een koe.

Een andere belangrijke vraag is: bij wie zullen de kennis en de patenten zitten? Als dat een of twee multinationals zijn, krijg je een soort 'vergoogeling' van de voedselindustrie, en ik weet niet of ik dat zo'n leuke gedachte vind. Ik denk ook niet dat kweekvlees snel de bestaande dierlijke productie volledig zal vervangen. Het grootste potentieel ligt wellicht in Azië en Afrika, waar de vleesconsumptie - anders dan in het Westen - nog altijd stijgt. Ik las onlangs een onderzoek waarin werd nagegaan in hoeverre mensen openstaan voor kweekvlees. Bij ons is dat ongeveer de helft, in Azië zag bijna niemand bezwaren.

Tot slot: bij wijze van research voor uw boek hebt u geholpen een varken te slachten. Heeft dat uw kijk op de zaak veranderd?

De Meyer: Toch wel. Ik at al weinig vlees, en dat is sinds die dag alleen maar verminderd. U moet weten: ik kende dat varken goed. Het was een sympathiek en gevoelig beest. Het slachten zelf was op zich niet zo verschrikkelijk. Een schot met het verdovingspistool en het was voorbij. Maar ook al was het respectvol, echt plezierig zou ik het niet noemen. Daarna heb ik, tjokvol adrenaline, geholpen met het de keel over te snijden en het te versnijden. De emoties kwamen pas 's avonds. Ik was doodmoe en kon mijn tranen niet meer bedwingen. Ik eet nog altijd vlees. Maar ik vraag me steeds meer af of ik het nog voor mezelf kan verantwoorden dat daar een dier voor moet sterven.

Laurens De Meyer

- Geboren in Dendermonde

- Studeerde industrieel ingenieur voedingstechnologie en milieuwetenschappen & milieubeheer (UGent)

- Sinds 2016: beleidsmedewerker voeding en landbouw bij Bond Beter Leefmilieu

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.