Rik Torfs sprak met professor Peter Fleming: ‘Studenten worden als consumenten beschouwd’

© iStock
Rik Torfs

De Nieuw-Zeelandse professor Peter Fleming probeert optimistisch te zijn over de toekomst van de universiteit. Echt goed lukt dat niet. ‘Academici verzetten zich niet tegen de geldzuchtige machine omdat ze dachten er zelf een goede zaak mee te doen.’

Dark Academia. How Universities Die. Zo luidt de sombere titel van het boek dat professor Peter Fleming, een Nieuw-Zeelander verbonden aan de University of Technology in Sydney, over de academische wereld schreef. Het is zijn wereld, sinds de vroege jaren negentig. Hij doceerde onder meer in Cambridge en Londen. Het is zijn vaste overtuiging dat de ‘neoliberale’ universiteit in een diepe crisis verkeert, en die verwoordt hij op een sprankelende manier. Het verklaart het succes dat zijn boek in de Angelsaksische wereld te beurt valt. Nu continentaal Europa nog, waar de echte discussie over de toekomst van de universiteit voorlopig nauwelijks wordt gevoerd.

Misschien kunnen we beginnen met een eenvoudige vraag. Waarom schreef u dit boek?

Peter Fleming: Omdat over de universiteit nauwelijks onderzoek wordt gedaan. Het is een blinde vlek. Bovendien bestaan er heel wat misverstanden over. Voor de publieke opinie is de universiteit een bevoorrechte werkplek, met vriendelijke, wat wereldvreemde mensen. Terwijl het een harde wereld is geworden, met de jaren negentig als kantelpunt. Toen won competitie langzaam van collegialiteit, en verving het neoliberale denken na enkele overgangsjaren het sociaaldemocratische. Dat laatste bleef nog vrij lang overeind, de munitie voor de omslag was er al langer. In 1944 schreef de Oostenrijkse econoom en politiek filosoof Friedrich Hayek dat niets ontsnapt aan de waardering in geld, en dat ze aan alle andere dingen en activiteiten voorafgaat.

Hoe meer men studenten in enquêtes vraagt naar hun tevredenheid, hoe minder substantieel het onderwijs dat ze genieten.

Toch vindt u dat academici niet uitsluitend slachtoffers zijn van het neoliberale model.

Fleming: Het nieuwe, op output gesteunde model wist op listige wijze het eigenbelang van academici te gebruiken. Ze hoopten vlugger promotie te maken, hielpen toonaangevende wetenschappelijke tijdschriften een haast religieus gezag te verwerven en hadden er weinig moeite mee individualisme te laten primeren op collegialiteit. Dat de universiteiten zich tot geldzuchtige machines zouden ontwikkelen, beseften ze toen wellicht nog niet. Maar ze hebben zich niet tegen de neoliberale universiteit verzet omdat ze, een beetje naïef, dachten er zelf een goede zaak mee te doen.

U noemt de universiteiten, die doorgaans erg om hun imago bekommerd zijn, hypocriet.

Fleming: Ze zijn op twee niveaus hypocriet. Om te beginnen door de manier waarop ze zich aan de buitenwereld presenteren. Er is geen universiteit of ze pronkt met haar duurzaamheidspolitiek en haar culturele diversiteit. Dat blijft allemaal oppervlakkig en ondergeschikt aan het financiële verdienmodel. Maar ook op een dieper niveau heerst er een aan schizofrenie grenzende hypocrisie. Alle universitaire bestuurders zullen openlijk de lof zingen van de academische vrijheid en de gedeelde waarden. Ze beseffen heel goed dat ze niet anders kunnen, maar ondertussen blijkt het genadeloze neoliberale model onstuitbaar.

En zet het de academicus almaar meer onder druk?

Fleming: Van verschillende kanten. Van onderuit, door studenten die examenresultaten betwisten en vragen om hogere punten. Van opzij, door collega’s die vooral elkaars concurrenten zijn. Van bovenaf, door de groeiende bureaucratie die almaar meer normen oplegt. En van helemaal bovenaan, door de bestuurders die sterke financiële cijfers eisen. De druk is soms moordend.

Vaak letterlijk. U geeft verschillende voorbeelden van professoren die uit het leven zijn gestapt. Zoals Stefan Grimm, hoogleraar toxicologie aan het Imperial College in Londen.

Fleming: Grimm stond erg onder druk. Zijn positie was bedreigd. In een boodschap die na zijn dood werd verspreid, stelde hij dat hij niet aan een universiteit had gewerkt maar in een bedrijf, waar professoren dure projecten najoegen en studenten, zoals dat in Angelsaksische landen gaat, hoge inschrijvingsgelden moesten betalen. Alice Gast, de rector van zijn universiteit, legde tijdens een radio-interview even ongewild als onhandig het onderliggende probleem bloot. ‘Professoren zijn als kleine ondernemers,’ zei ze, ‘met hun eigen onderzoek en hun eigen zoektocht naar geld om het draaiende te houden.’

Ik heb de indruk dat academici steeds meer op elkaar gaan lijken. Rond het midden van hun loopbaan zijn ze allemaal kleine zelfstandigen. Maar er is nog een ander punt, zeker in de geestes- en maatschappijwetenschappen. Vorige eeuw ontstonden nieuwe disciplines. Zo gold Max Weber niet langer als globaal denker maar als socioloog. De psychologie splitste zich af van de filosofie en werd een aparte discipline. Maar nu komen al die voorheen eerder filosofische vakken weer samen in hun liefde voor mathematische modellen. Of academici socioloog of communicatiewetenschapper of psycholoog of politoloog zijn, wat ze doen is ongeveer hetzelfde. De cirkel is rond. Van filosofie via een veelheid van disciplines tot een voornamelijk mathematische en statistische aanpak van alle vragen.

Fleming: Dat is een zeer interessante gedachte. Verschillende disciplines komen inderdaad tot een grotere methodologische uniformiteit. En daarin primeren de cijfers die, niet toevallig, ook in het verdienmodel van de neoliberale universiteit de dienst uitmaken. Het is dus niet zozeer de interne dynamiek van de sociologie of de communicatiewetenschappen die de shift naar meer cijfermatig onderzoek bewerkt, het is het neoliberale universitaire model zelf .

Rik Torfs sprak met professor Peter Fleming: 'Studenten worden als consumenten beschouwd'

U ziet een verschuiving van kwaliteit naar kwantiteit, en u haalt daarbij, haast broederlijk naast elkaar, Jozef Stalin en Amazon-baas Jeff Bezos aan.

Fleming: Kwantiteit primeert bij allebei. Stalin stelde duidelijke doelstellingen die mensen moesten halen. Als groep dan. Voor hedendaagse academici gaat het eerder om doelen als individu, wat nog wreder is. Jeff Bezos ontwikkelde dan weer een managementstijl die obsessief op data is gericht. Stalin en Bezos zijn beiden typisch kwantitatieve denkers. Er zijn uiteraard ook verschillen. (lacht)

Een bekende politoloog zei me onlangs dat hij er niet meer in slaagt de wetenschappelijke artikelen in zijn vakgebied te lezen. Er zijn er te veel. En ze zijn vaak in een weinig appetijtelijke jargontaal geschreven.

Fleming: Bovendien staan ze vol citaten, vooral van de auteurs zelf, die daarmee hun scores kunnen verbeteren. We staan niet genoeg stil bij die evolutie. Ik heb de situatie tijdens mijn eigen loopbaan geleidelijk zien veranderen. Pakweg 25 jaar geleden was het voor een ietwat gevormde leek perfect mogelijk een artikel over businessstudies te lezen. Misschien zonder alle details te snappen, maar de grote lijnen waren duidelijk. Dat is nu niet meer het geval. Een lezer moet echt door een muur breken om te kunnen begrijpen waar het om gaat.

Is dat niet jammer?

Fleming: Natuurlijk. Maar de ontoegankelijkheid van teksten, ook in de humane wetenschappen of filosofie, wordt als een teken van professionalisering gezien. Toegankelijkheid lijkt amateuristisch. Ik heb enorm genoten toen ik Dark Academia aan het schrijven was. Plotseling vielen vele pseudowetenschappelijke conventies weg, kon ik van de taal genieten. Maar wil je daarna een klassiek wetenschappelijk artikel gepubliceerd zien, dan moet je weer in het gareel, is ‘het format’ onvermijdelijk.

Behalve dan bij de ‘academische sterren’ naar wie u uithaalt, zoals Jordan Peterson. Vaak is hun succes toevallig en het is niet altijd fijn hen als collega te hebben, schrijft u. Maar schuilt in hun succes ook niet de melancholische hunkering naar vrije academici met een brede kijk op de samenleving?

Fleming: Waarschijnlijk wel. Zelfs Jürgen Habermas straalt soms de sfeer uit van koffiehuizen waar in alle onbezonnenheid, en heel transversaal, over de wereld wordt nagedacht. Maar de academische sterren kunnen net zo goed voor de kar van de neoliberale universiteit worden gespannen, en dat stel ik aan de kaak.

In het voorlaatste hoofdstuk van uw boek schetst u tien symptomen die de neergang van de universiteiten verklaren. Enkele zijn bijzonder pittig, zoals de paradox van de administratie. Universiteiten werven almaar meer functionarissen aan die niet bij onderwijs en onderzoek betrokken zijn. Natuurlijk is een minimaal aantal administratoren noodzakelijk. Maar u stelt dat meer administratieve ‘ondersteuning’ alleen maar tot meer werk voor academici leidt.

Fleming: Sommige universiteiten hebben nu al meer administratieve beambten in dienst dan academici. Een ijzeren wet leert dat op plekken waar veel functionarissen zijn er altijd nieuwe bijkomen. ICT-diensten zijn daar een voorbeeld van. Bovendien zijn ze met hun sturende, strakke rasters een bedreiging voor de academische vrijheid. Je kunt het vergelijken met een ouderwetse fabriek. De administrateurs zijn het middenkader dat de productie-eenheden, namelijk de academici op de werkvloer, regels oplegt en onder controle houdt. Helemaal bovenaan staan de bestuurders, een aparte kaste die het financiële model laat draaien.

Een ander symptoom dat u aanhaalt: naarmate mensen opklimmen in de universitaire hiërarchie, spreken ze vaker over onderwijs en het belang van lesgeven, en toch geven ze zelf minder les.

Fleming: Waarmee ze zichzelf tegenspreken. Pas op, ik heb ook een hogere bestuurder gekend die zelf les wilde geven. Hij vond dat het niet kon, vergaderen over onderwijs en hoe daarin excellentie moest worden bereikt zonder over de nodige terreinkennis te beschikken. Zijn lessen vielen meestal weg wegens tijdsgebrek. Maar zijn goede wil vond ik aandoenlijk.

U hebt het geregeld over de academische roeping. Dat klinkt haast religieus. Maar ook een roeping is niet onvoorwaardelijk. Als ik kijk naar mijn jaargenoten die in 1979 afstudeerden aan de rechtsfaculteit, kozen vier van de beste vijf studenten voor een vol- of deeltijdse academische carrière. Dat is nu niet meer zo. Omdat je bij een groot advocatenkantoor meer geld kunt verdienen. Maar ook omdat de vrijheid aan de universiteit niet langer groter is dan elders.

Fleming: Ik herken dat. Zelf loop ik tegen de vijftig, ik voel nog de behoefte aan een collegiale universiteit met meer vrijheid om kennis om de kennis na te streven. Maar de jongere generatie heeft die tijd niet meer gekend, werkt in de neoliberale universiteit zoals die sinds de jaren negentig onherroepelijk gestalte heeft gekregen. Vergeet ook niet dat academici doorgaans geen straatvechters zijn. Ze waren goed op school, studeerden aardig, hebben minder de neiging zich in vakbonden te verenigen of opstandig te worden. En het is waar dat de meest ondernemende mensen niet langer kiezen voor een universitaire carrière, maar wel consultant worden of een eigen bedrijf beginnen. Wat je vroeger zag bij uitzonderingen zoals Jean-Paul Sartre, is nu schering en inslag. Mensen die sterk genoeg staan, hebben de neiging de universiteit voortijdig te verlaten. Zij die overblijven, nemen vrede met het huidige model. Ze voelen de vervreemding niet waar mensen van mijn generatie mee worstelen.

De verborgen mantra van de neoliberale universiteit is: als een diploma geen geld oplevert, levert het niets op.

Wat met de studenten?

Fleming: Ze worden als consumenten beschouwd. Daarover is mijn stelling: hoe meer men studenten in enquêtes vraagt naar hun tevredenheid, hoe minder substantieel het onderwijs dat ze genieten. Docenten worden geëvalueerd zoals Uber-chauffeurs. Terwijl het om iets heel anders gaat. Over zo’n chauffeur ben je op het moment zelf tevreden of niet. Hij zal je leven niet veranderen. Terwijl je van leraren en professoren vaak pas veel later beseft hoe belangrijk ze zijn geweest. Toch stel ik de laatste jaren iets positiefs vast. Almaar minder studenten nemen aan de enquêtes deel. Ze zien ze als administratieve overlast.

Soms vraag ik me af waarom studenten voor een universitaire opleiding blijven kiezen, tenzij ze arts of advocaat willen worden, of een ander beroep kiezen dat een specifieke academische opleiding vereist. Waarom zou iemand bijvoorbeeld communicatiewetenschappen studeren? Niet om rijk te worden. En een klassieke brede opleiding met echte persoonsvorming bieden veel ‘utilitaristische’ opleidingen ook niet meteen.

Fleming: Wat u zegt, is tegelijk waar en tragisch. Het is een terechte kritiek op de verborgen mantra van de neoliberale universiteit: als een diploma geen geld oplevert, levert het niets op. Maar hetzelfde argument wordt door neoliberalen en trumpisten gebruikt om universiteiten te sluiten of in een harde concurrentiestrijd uit te schakelen. Sommige Britse universiteiten kwamen in de problemen omdat ze door corona hun businessmodel, gebaseerd op buitenlandse studenten die veel geld betalen, niet vol konden houden. Zo krijg je een pervers mechanisme: door het neoliberale raster wordt het onderwijs aan universiteiten zwakker. En datzelfde neoliberale denken zorgt ervoor dat de zwakste universiteiten wegens overbodig worden weggeconcurreerd.

Het slot van uw boek is prachtig. U stelt de klassieke kantiaanse vraag of hoop gerechtvaardigd is. En u trekt zich op aan een mooi citaat van Herbert Marcuse: ‘De destructiviteit van het heden krijgt pas haar volle betekenis als onze tijd niet wordt beoordeeld aan de hand van het verleden, maar volgens de mogelijkheden die de toekomst biedt.’ Daarna formuleert u die mogelijkheden.

Fleming: Ik heb er twee. De eerste is geïnspireerd door Jacques Derrida. Een ‘ideale’ universiteit zonder voorwaarden, die geheel aan de marktmechanismen wordt onttrokken. Wellicht is die oplossing niet realistisch. De tweede optie is de aanvaarding van de huidige neoliberale universiteit als onvermijdelijke structuur, maar met informele verbanden tussen academici die zo veel mogelijk aan het systeem proberen te ontsnappen zonder het openlijk te bestrijden. Dat systeem wordt bepleit en ontwikkeld door Stefano Harney en Fred Moten.

Zijn er nog andere mogelijkheden? Bijvoorbeeld een soort antitrustregelgeving die grote universiteiten dwingt om zich op te splitsen, hoewel dat niet meteen de heersende neoliberale mentaliteit corrigeert.

Fleming: Dat lijkt me een idee om dieper over na te denken. Verder zijn er natuurlijk opleidingen door multinationals of dure privé-initiatieven die inzetten op beter onderwijs. Dat zijn ongetwijfeld gevaarlijke concurrenten voor de universiteiten, maar ze zullen hen niet redden. Dat beogen die alternatieve projecten niet.

In uw boek probeert u optimistisch te zijn. Dat lukt u niet echt.

Fleming: Dat weet ik. Mijn uitgever vroeg mij uitdrukkelijk een optimistisch slot te schrijven. Ik heb het geprobeerd, door twee wegen te schetsen waarin ik niet helemaal geloof. Daarvoor staat het neoliberale model te sterk en is het te diep geworteld. Mijn geloof in de universiteit belijd ik, paradoxaal genoeg, met een pessimistisch boek erover. Ik heb haar niet opgegeven, anders had ik Dark Academia nooit geschreven. Maar ik bedank voor goedkoop optimisme. Hoogstens hoop ik op een echt gesprek over de toekomst van de universiteit, eindelijk. Dat is het enige optimisme dat ik op dit moment aankan. Een sober, strak optimisme, misschien gekleurd door mijn presbyteriaanse achtergrond.

Peter Fleming

– Geboren in Nieuw-Zeeland

– Professor organisatiestudies aan de University of Technology Sydney (UTS)

– Doceerde aan de Universiteit van Cambridge en de Queen Mary University in Londen

– Schreef tien boeken, waaronder The Mythology of Work (2015), The Death of Homo Economicus (2017) en Dark Academia. How Universities Die (2021)

Partner Content