Een levenslange gevangenisstraf is zelden levenslang. En dat is een goede zaak. De meningen hierover zijn echter verdeeld. Ook gemediatiseerde zaken beroeren in de samenleving regelmatig de gemoederen.

Zo verklaarde Paul Marchal naar aanleiding van de 25 jarige herdenking van de ontvoering van An en Eefje door Marc Dutroux, dat hij het erg moeilijk blijft hebben met de vervroegde vrijlating van de medeplichtigen, Michelle Martin en Michel Lelièvre. 'Als zij niet definitief in de gevangenis hoeven te blijven, wie moet dan nog wel zijn hele termijn uitzitten', vroeg hij zich luidop af.

Een heel ander standpunt klonk eind juni bij de vraag tot vrijlating onder elektronisch toezicht van Hans Van Temsche, die in 2006 tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld voor de moord op kleuter Luna en haar oppas Oulematou. De moeder van Luna, Laurence Van Brée, verklaarde in 'De zevende dag' dat ze zich hier niet tegen verzette en dat Hans Van Temsche na 14 jaar in de gevangenis een tweede kans moet krijgen. In 2016 was Van Bree in een bemiddelingsproces met Van Temsche gestapt.

Met alle respect voor beide standpunten is het belangrijk om de achterliggende reden voor een vervroegde invrijheidstelling in herinnering te brengen. Waarom moeten in een op humane rechtsbeginselen gestoelde rechtsstaat levenslang gestraften de kans krijgen om ooit de gevangenis te mogen verlaten?

Vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde gedetineerden is een praktijk die wereldwijd bestaat, ook voor levenslang gestraften. Sinds de doodstraf werd afgeschaft in 1996 is levenslang de zwaarste straf die in België kan opgelegd worden. Vandaag zitten ongeveer 200 levenslang veroordeelden opgesloten in Belgische gevangenissen. De meerderheid van hen zal in de toekomst onder de ene of andere vorm de overstap naar een leven buiten de gevangenis maken. De belangrijkste doelstelling van een vervroegde vrijstelling is om deze overstap op een gefaseerde en begeleide manier te laten verlopen.

Heel wat mensen vinden dat dergelijke misdadigers nooit meer mogen vrij komen, en dus moeten sterven in de gevangenis. Zij vertalen hun verdriet of afschuw in gevoelens van wraak en vergelding: oog om oog, tand om tand. Daarnaast hoopt men door heel zware straffen andere potentiële daders af te schrikken om zware misdrijven te plegen.

Deze laatste verwachting wordt echter niet bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Afschrikking gaat uit van een dader die een rationale afweging maakt alvorens over te gaan tot het plegen van een misdrijf. Gezien veel misdrijven gepleegd worden onder invloed van drugs of alcohol, impulsief en ondoordacht gedrag, of persoonlijke of socio-economische redenen, is afschrikking helaas niet erg effectief. Zo worden bijvoorbeeld in Amerikaanse staten waar de doodstraf nog wordt uitgevoerd niet minder moorden gepleegd. Ook de oog-om-oog visie wordt binnen de landen van de Raad van Europa al lang niet meer gevolgd, dankzij een humaniseringsbeweging die op gang kwam na de tweede wereldoorlog. Naast de afschaffing van de doodstraf bepaalde de Raad van Europa in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat een levenslange gevangenisstraf zonder hoop op vrijlating onmenselijk is. Of zoals de Nederlandse criminoloog René Van Swaaningen onlangs schreef : "Net als beschaafde landen mensen niet martelen of doden, proberen zij ook andere buitenproportionele of vernederende straffen zoveel mogelijk te voorkomen".

De vraag is ook wat we met onze straffen willen bereiken. Vergelding en afschrikking zijn doelstellingen die sterk op de voorgrond staan tijdens het publieke strafproces. Maar de doelstellingen veranderen eens veroordeelden in de gevangenis zitten om hun straf uit te zitten. Dan moet er meer toekomstgericht gedacht worden en komt de doelstelling van de re-integratie op de voorgrond. Deze doelstelling is opgenomen in de wet van 2006, die de invrijheidstellingen regelt en die geldt voor alle veroordeelden in ons land, dus ook voor veroordeelden tot een levenslange gevangenisstraf. Het ontnemen van de hoop op vrijlating is immers in strijd is met de doelstelling van re-integratie, aldus de Raad Van Europa.

Vervroegde vrijlating is in België allerminst een automatisme en allesbehalve een absoluut recht. Gedetineerden moeten hun vrijlating letterlijk 'verdienen'. Ook als ze hun best doen, is het onzeker of ze ooit kunnen vrijkomen. Daarvoor moeten ze eerst een aantal hindernissen overwinnen. Afhankelijk van wat ze op hun kerfstok hebben moeten levenslang gestraften minimum 15 jaar tot 23 jaar wachten vooraleer ze in aanmerking kunnen komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Als eerste stap kunnen ze een uitgaansvergunning vragen van maximum 16 uur, vervolgens een penitentiair verlof van 36 uur, nog heel wat later een vrijlating onder elektronisch toezicht om tot slot een voorwaardelijke vrijlating te kunnen aanvragen.

Hierover beslist een gespecialiseerde rechtbank, de strafuitvoeringsrechtbank, die zich o.a. baseert op verslagen van de psychosociale dienst in de gevangenis. Deze experten moeten een inschatting van het risico op herval maken. Ook de gevangenisdirecteur en het openbaar ministerie geven een advies. Slachtoffers kunnen gehoord worden, maar beslissen niet mee.

Bij hun besluitvorming beoordeelt de strafuitvoeringsrechtbank vijf elementen, om na te gaan of de gedetineerde wel klaar is om vrij te komen. Is de sociale en professionele reclassering in orde? Is er risico op het plegen van nieuwe feiten of op het lastigvallen van de slachtoffers? Is de houding ten opzichte van het slachtoffer aanvaardbaar is. Vertoont de veroordeelde voldoende schuldinzicht en werden voldoende inspanningen gedaan om de burgerlijke partij af te betalen? Hierbij mag men niet uit het oog verliezen dat, als je al kan werken in de gevangenis, dit gebeurt tegen een vergoeding van ongeveer een euro per uur.

Wie uiteindelijk wordt vrijgelaten krijgt vervolgens nog een reeks voorwaarden opgelegd die gedurende tien jaar moeten nageleefd worden, en door de politie en de justitieassistenten worden gecontroleerd. Eigenlijk wil dit zeggen dat de straf toch nog verder loopt terwijl men voorwaardelijk vrij is, maar dan in de samenleving. Bij niet naleving van de voorwaarden kan een heropsluiting volgen.

Laten we ook niet vergeten dat sommige tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelden al heel lang in de gevangenis zitten, zoals Staf Van Eyken (45 jaar) of Freddy Horion (meer dan 40 jaar). Ze zijn ouder dan 70 jaar en hebben weinig vooruitzichten op vrijlating. Bij hen kan levenslang écht levenslang zijn. Maar voor de meerderheid van de levenslang veroordeelden blijft er hoop om ooit vrij te komen. Dat is niet de gemakkelijkste weg en gaat soms tegen het buikgevoel in, maar het is een basispijler van een democratische rechtsstaat. In tijden van oprukkend populisme en stijgende strafduur is het dan ook belangrijk om deze basisprincipes van strafuitvoering te blijven uitleggen.

Kristel Beyens is professor in de penologie aan de Vakgroep Criminologie, Onderzoeksgroep Crime & Society (CRiS) van de Vrije Universiteit Brussel.

Een levenslange gevangenisstraf is zelden levenslang. En dat is een goede zaak. De meningen hierover zijn echter verdeeld. Ook gemediatiseerde zaken beroeren in de samenleving regelmatig de gemoederen. Zo verklaarde Paul Marchal naar aanleiding van de 25 jarige herdenking van de ontvoering van An en Eefje door Marc Dutroux, dat hij het erg moeilijk blijft hebben met de vervroegde vrijlating van de medeplichtigen, Michelle Martin en Michel Lelièvre. 'Als zij niet definitief in de gevangenis hoeven te blijven, wie moet dan nog wel zijn hele termijn uitzitten', vroeg hij zich luidop af. Een heel ander standpunt klonk eind juni bij de vraag tot vrijlating onder elektronisch toezicht van Hans Van Temsche, die in 2006 tot een levenslange gevangenisstraf werd veroordeeld voor de moord op kleuter Luna en haar oppas Oulematou. De moeder van Luna, Laurence Van Brée, verklaarde in 'De zevende dag' dat ze zich hier niet tegen verzette en dat Hans Van Temsche na 14 jaar in de gevangenis een tweede kans moet krijgen. In 2016 was Van Bree in een bemiddelingsproces met Van Temsche gestapt. Met alle respect voor beide standpunten is het belangrijk om de achterliggende reden voor een vervroegde invrijheidstelling in herinnering te brengen. Waarom moeten in een op humane rechtsbeginselen gestoelde rechtsstaat levenslang gestraften de kans krijgen om ooit de gevangenis te mogen verlaten? Vervroegde invrijheidstelling van veroordeelde gedetineerden is een praktijk die wereldwijd bestaat, ook voor levenslang gestraften. Sinds de doodstraf werd afgeschaft in 1996 is levenslang de zwaarste straf die in België kan opgelegd worden. Vandaag zitten ongeveer 200 levenslang veroordeelden opgesloten in Belgische gevangenissen. De meerderheid van hen zal in de toekomst onder de ene of andere vorm de overstap naar een leven buiten de gevangenis maken. De belangrijkste doelstelling van een vervroegde vrijstelling is om deze overstap op een gefaseerde en begeleide manier te laten verlopen.Heel wat mensen vinden dat dergelijke misdadigers nooit meer mogen vrij komen, en dus moeten sterven in de gevangenis. Zij vertalen hun verdriet of afschuw in gevoelens van wraak en vergelding: oog om oog, tand om tand. Daarnaast hoopt men door heel zware straffen andere potentiële daders af te schrikken om zware misdrijven te plegen. Deze laatste verwachting wordt echter niet bevestigd door wetenschappelijk onderzoek. Afschrikking gaat uit van een dader die een rationale afweging maakt alvorens over te gaan tot het plegen van een misdrijf. Gezien veel misdrijven gepleegd worden onder invloed van drugs of alcohol, impulsief en ondoordacht gedrag, of persoonlijke of socio-economische redenen, is afschrikking helaas niet erg effectief. Zo worden bijvoorbeeld in Amerikaanse staten waar de doodstraf nog wordt uitgevoerd niet minder moorden gepleegd. Ook de oog-om-oog visie wordt binnen de landen van de Raad van Europa al lang niet meer gevolgd, dankzij een humaniseringsbeweging die op gang kwam na de tweede wereldoorlog. Naast de afschaffing van de doodstraf bepaalde de Raad van Europa in de jaren zeventig van de vorige eeuw dat een levenslange gevangenisstraf zonder hoop op vrijlating onmenselijk is. Of zoals de Nederlandse criminoloog René Van Swaaningen onlangs schreef : "Net als beschaafde landen mensen niet martelen of doden, proberen zij ook andere buitenproportionele of vernederende straffen zoveel mogelijk te voorkomen".De vraag is ook wat we met onze straffen willen bereiken. Vergelding en afschrikking zijn doelstellingen die sterk op de voorgrond staan tijdens het publieke strafproces. Maar de doelstellingen veranderen eens veroordeelden in de gevangenis zitten om hun straf uit te zitten. Dan moet er meer toekomstgericht gedacht worden en komt de doelstelling van de re-integratie op de voorgrond. Deze doelstelling is opgenomen in de wet van 2006, die de invrijheidstellingen regelt en die geldt voor alle veroordeelden in ons land, dus ook voor veroordeelden tot een levenslange gevangenisstraf. Het ontnemen van de hoop op vrijlating is immers in strijd is met de doelstelling van re-integratie, aldus de Raad Van Europa. Vervroegde vrijlating is in België allerminst een automatisme en allesbehalve een absoluut recht. Gedetineerden moeten hun vrijlating letterlijk 'verdienen'. Ook als ze hun best doen, is het onzeker of ze ooit kunnen vrijkomen. Daarvoor moeten ze eerst een aantal hindernissen overwinnen. Afhankelijk van wat ze op hun kerfstok hebben moeten levenslang gestraften minimum 15 jaar tot 23 jaar wachten vooraleer ze in aanmerking kunnen komen voor een voorwaardelijke invrijheidstelling. Als eerste stap kunnen ze een uitgaansvergunning vragen van maximum 16 uur, vervolgens een penitentiair verlof van 36 uur, nog heel wat later een vrijlating onder elektronisch toezicht om tot slot een voorwaardelijke vrijlating te kunnen aanvragen.Hierover beslist een gespecialiseerde rechtbank, de strafuitvoeringsrechtbank, die zich o.a. baseert op verslagen van de psychosociale dienst in de gevangenis. Deze experten moeten een inschatting van het risico op herval maken. Ook de gevangenisdirecteur en het openbaar ministerie geven een advies. Slachtoffers kunnen gehoord worden, maar beslissen niet mee. Bij hun besluitvorming beoordeelt de strafuitvoeringsrechtbank vijf elementen, om na te gaan of de gedetineerde wel klaar is om vrij te komen. Is de sociale en professionele reclassering in orde? Is er risico op het plegen van nieuwe feiten of op het lastigvallen van de slachtoffers? Is de houding ten opzichte van het slachtoffer aanvaardbaar is. Vertoont de veroordeelde voldoende schuldinzicht en werden voldoende inspanningen gedaan om de burgerlijke partij af te betalen? Hierbij mag men niet uit het oog verliezen dat, als je al kan werken in de gevangenis, dit gebeurt tegen een vergoeding van ongeveer een euro per uur. Wie uiteindelijk wordt vrijgelaten krijgt vervolgens nog een reeks voorwaarden opgelegd die gedurende tien jaar moeten nageleefd worden, en door de politie en de justitieassistenten worden gecontroleerd. Eigenlijk wil dit zeggen dat de straf toch nog verder loopt terwijl men voorwaardelijk vrij is, maar dan in de samenleving. Bij niet naleving van de voorwaarden kan een heropsluiting volgen.Laten we ook niet vergeten dat sommige tot een levenslange gevangenisstraf veroordeelden al heel lang in de gevangenis zitten, zoals Staf Van Eyken (45 jaar) of Freddy Horion (meer dan 40 jaar). Ze zijn ouder dan 70 jaar en hebben weinig vooruitzichten op vrijlating. Bij hen kan levenslang écht levenslang zijn. Maar voor de meerderheid van de levenslang veroordeelden blijft er hoop om ooit vrij te komen. Dat is niet de gemakkelijkste weg en gaat soms tegen het buikgevoel in, maar het is een basispijler van een democratische rechtsstaat. In tijden van oprukkend populisme en stijgende strafduur is het dan ook belangrijk om deze basisprincipes van strafuitvoering te blijven uitleggen.Kristel Beyens is professor in de penologie aan de Vakgroep Criminologie, Onderzoeksgroep Crime & Society (CRiS) van de Vrije Universiteit Brussel.