Het nu al meer dan een jaar aanslepende coronabeleid zorgt bij een groeiend aantal mensen voor frustratie. Een deel ervan zucht en kreunt maar blijft zo goed en zo kwaad als het kan doen wat moet, al was het maar om geen boete te krijgen. Een ander deel uit z'n woede op sociale media of tracht zich te organiseren, onder andere met het oog op het aanspannen van rechtszaken of om te betogen. Op geen enkele manier echter wordt dit onbehagen politiek vertolkt. Het politieke tegengeluid blijft beperkt tot controversiële uitzonderingen zoals Jean-Marie Dedecker, al zijn er de afgelopen weken ook oprispringen te horen bij Georges-Louis Bouchez, en wat forsere oppositietaal bij Vlaams Belang. Toch lijkt het erop dat geen enkele politieke partij de kritiek echt ten volle vertolkt. Hoog tijd om daar verandering in te brengen.

Vooral aan de linkerzijde van het politieke spectrum blijft het oorverdovend stil. In het dominante politieke referentiekader is tot dusver geen hokje waarin mensen kunnen worden ondergebracht die links, ecologisch en/of progressief zijn en toch tegen een streng coronabeleid. In een recente analyse op vrt.nws werd enkel aandacht besteed aan Viruswaanzin, Artsen Voor Vrijheid en Bewuste Burgers, die gemakkelijk kunnen worden weggezet als complotdenkers en anti-vaxxers. De vele mensen die niet op die manier kunnen worden genegeerd, worden door linkse opiniemakers al gauw in een uiterst rechts hokje ondergebracht. In een recent opiniestuk op De Wereld Morgen oordeelde de linkse historicus en filosoof Thomas Decreus dat de kritiek op streng coronabeleid bijna per definitie moet komen van burgerlijke en behoudsgezinde middengroepen en dat hun kritiek in essentie neerkomt op een pleidooi voor individuele vrijheid ten koste van de zwakkeren van de samenleving. Volgens Decreus gaat het om 'doorgeschoten sociaal-Darwinisme' en een 'biopolitieke vorm van klassenoorlog'.

Kritiek op het coronabeleid overstijgt de bestaande politieke breuklijnen.

Zulke oordelen getuigen van een ontstellend onvermogen om te begrijpen waar de kritiek om draait. Ten eerste vormen de individuele rechten waar velen voor opkomen het fundament van ons hedendaagse politieke bestel. De sinds de Verlichting zo moeizaam bevochten 'vrijheden' hebben gezorgd voor zowat alles wat ons politiek dierbaar is: stemrecht, gewetensvrijheid, vrijheid van verkeer, van meningsuiting, van vereniging, tot en met de integriteit van het menselijke lichaam. Stuk voor stuk zijn het principes waar links en rechts het over eens zijn en die nergens ter discussie staan - behalve tijdens de strijd tegen corona, want dan worden ze plots ondergeschikt aan de oorlog van allen tegen het virus. Opkomen voor dergelijke vrijheden is niet rechts of individualistisch, het is opkomen voor de fundamenten van het moderne politieke bestel. Het gaat terug op het klassieke liberalisme, dat niet moet worden begrepen als het afzweren van alle belemmeringen van individuele keuzes, maar eerder als het vermogen tot zelfbestuur - zoals onder meer ook Annelien De Dijn terecht opmerkt.

Een tweede reden om toch naar de kritiek te blijven luisteren, ook door links, is zo mogelijk nog fundamenteler. Veel kritiek op het coronabeleid draait om de essentie van het mens-zijn. Critici wijzen op het belang van sociaal contact, van aanrakingen en knuffels, van elkaars gezicht kunnen zien. Stuk voor stuk gaat het om behoeften die cruciaal zijn in het welzijn en de ontwikkeling van elke mens, van jong en oud, en van welke sociale en culturele achtergrond ook. Het gaat om sociale en mentale noden die niet een jaar kunnen worden opgeschort zonder gevolgen voor het sociale en mentale welzijn van wie er ook mee te maken krijgt. Ook de critici hebben dus welzijn voor ogen, vandaag het welzijn van iedereen die na een jaar compleet is murw geslagen en die geen stem heeft in het debat.

Het wordt dus tijd om op te houden om kritiek op het beleid in een uiterst rechts verdomhoekje onder te brengen en om het protest een legitieme politieke stem te geven. De kritiek op het corona-beleid kan simpelweg niet worden begrepen vanuit de klassieke links-rechts tegenstelling. Het brengt juist een nieuwe breuklijn aan de oppervlakte, waarbij minstens een deel van rechts en een deel van links elkaar ontmoeten. De gemeenschappelijke noemer is een fundamentele kritiek op de technocratische benadering van het mens-zijn. Wat de meest bekende critici met elkaar gemeen hebben, is dat ze wijzen op de ontmenselijkende effecten van het coronabeleid. Of het nu gaat om Marli Huijer en Erwin Kompanje in Nederland of om Mattias De Smet in België, ze laken in essentie de instellingen en mechanismen die het menselijke bestaan reduceren tot biologisch overleven en die het bovendien in toenemende mate onmogelijk maken om zich daar als individu aan te onttrekken. Wat critici vandaag het meeste kwaad maakt, is de onmogelijkheid om zelf vanuit de eigen overtuiging te kiezen om bijvoorbeeld gevaccineerd te worden, een mondmasker te dragen, of vrienden en de kleinkinderen te zien.

Progressieve stemmen maken een historische vergissing als ze dit als rechts en illegitiem blijven wegzetten. Ook gevestigde linkse denkers komen tot conclusies die in essentie gaan over het verlies aan controle over het eigen lichaam. De ideeën van Michael Hardt en Antonio Negri over de nieuwe ontwikkelingen in de globale wereldorde zijn een perfect voorbeeld. Hardt en Negri beschrijven de recente opkomst van een wereldsysteem dat iedereen in z'n greep heeft hoewel er eigenlijk niemand nog aan het stuur zit. Ze noemen dat systeem Empire, een nagenoeg oncontroleerbaar geheel van politieke en economische instellingen en structuren dat in het gehele maatschappelijke leven door dringt, dat niet ter verantwoording kan worden geroepen, en waarvan de logica onontkoombaar lijkt.

En bovenal: het systeem grijpt tot op het meest intieme menselijke niveau in. De politiek-economische macht die ervan uitgaat noemen Hardt en Negri met een verwijzing naar Michel Foucault biomacht. Mede door de communicatie-industrie veranderen mensen geleidelijk aan in een soort machines, in anonieme factoren in een 'biopolitieke productie'. Lichaam en geest zijn volgens Hardt en Negri betrokken in de productie van economische waarden en worden door dat systeem ontmenselijkt.

Op het eerste gezicht staat de zorgsector daar los van, maar het is zeer de vraag in hoeverre dat werkelijk het geval is. Ook instellingen zoals ziekenhuizen zijn doordrongen van neo-liberale managementstechnieken en maken integraal deel uit van het neo-liberale systeem. Net zoals grote firma's zijn ze gericht op het halen van 'targets' en werken ze via anonimiserende en bureaucratische protocollen en procedures. Behalve op moderne managements-ideeën zijn deze protocollen en procedures gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, maar daarin wordt de mens eveneens gereduceerd tot een biologische entiteit waarvan de waarde in cijfers kan worden uitgedrukt en in spreadsheets kan worden samengevat. De kwantiteit van het leven krijgt er al gauw voorrang op sociale en mentale overwegingen die moeilijk in de denkkaders en categorieën van dokters te vatten zijn.

Voor een goed begrip: we hoeven hier geen slechte bedoelingen achter te zoeken. We leggen voor een stuk zelf ons lot in handen van die instellingen. Maar de pandemie maakt pijnlijk duidelijk dat we dat te veel hebben gedaan en dat het tijd wordt om een deel van onze menselijke autonomie en zelfbeschikking terug op te eisen, zoals dat bijvoorbeeld ook gebeurt als een terminale patiënt afziet van een bijkomende therapie of om euthanasie vraagt. De kritiek op het coronabeleid ligt helemaal in de lijn daarvan, maar gaat veel verder. In de dagelijkse omgang met gezondheid vertaalt de hang naar autonomie en zelfbeschikking zich in fenomenen als de terugkeer van het thuis bevallen of de kruidengeneeskunde, of het afwijzen van hygiënische maatregelen of vaccins omwille van het geloof in het eigen afweersysteem. Dit streven is te persoonlijk en intiem om zomaar eventjes een jaar verplicht op te schorten, of om de controle daarover uit handen van ouders te nemen.

Dit streven kan ook niet zomaar als achterhaald worden afgedaan. Er zijn immers ook aanwijzingen dat zorginstellingen hun doelstellingen meer en meer voorbij schieten. Voor een goed begrip daarvan kan nog een andere linkse denker verheldering brengen, namelijk de wat vergeten Ivan Illich (1926-2002). Illich was oorspronkelijk een priester, maar gaf mee vorm aan de bevrijdingstheologie en de strijd tegen het Amerikaanse imperialisme in Latijns Amerika in de jaren 1960 en 1970. Bijzonder aan het werk van Illich is dat hij in dat kader ook moderne instellingen zoals scholen bekritiseerde. Zijn bekendste werk is Deschooling Society (1971), waarin hij argumenteert dat scholen in zekere zin het tegenovergestelde produceren van wat ze beogen. Terwijl scholen in theorie zorgen voor emancipatie, kneden ze volgens Illich individuen tot passieve consumenten die hun maatschappelijke plaats leren kennen en hun creatieve kracht verliezen. In plaats van kennis door te geven definiëren scholen wat legitieme kennis is en in plaats van educatie produceren ze de nood aan educatie. Scholen zorgen er immers voor dat bepaalde kennis als noodzakelijk wordt gezien en dat mensen die deze kennis of de eraan verbonden certificaten niet bezitten uit de boot vallen. Scholen mogen ons dan al slimmer maken, volgens Illich vervreemden ze ons tegelijk van het ware leren.

Ook hier zou je op het eerste gezicht kunnen veronderstellen dat dit niet van toepassing is op medische en zorginstellingen, maar in het boek Medical Nemesis (1976, vertaald als Grenzen aan de geneeskunde) argumenteert Illich in dezelfde lijn dat het medisch apparaat een bedreiging van de gezondheid is geworden. Centrale begrippen in het boek zijn medicalisering en iatrogenese, die aangeven dat de geïnstitutionaliseerde zorg steeds vaker zelf aan de basis ligt van aandoeningen. En zoals scholen het lerend en emancipatorisch vermogen van mensen aantast gaat Illich er met betrekking tot medische instellingen van uit dat ze het genezend vermogen van de mens ondergraven. De instellingen en de kennisproductie erachter ontnemen ons de persoonlijke kennis over wat te doen bij ziekte, hoe we zelf het lijden kunnen verzachten en hoe we in het geval van ziekte en lijden voor elkaar kunnen zorgen. Illich spreekt daarom van de 'tirannie van de deskundigen', de 'hegemonie van de aangeprate behoeften' en 'de nieuwe priesterstand van de professionals'.

In de huidige context lijkt het moeilijk zich aan de logica van die professionals te onttrekken, maar het gaat hier niet om een anti-wetenschappelijke attitude. Het gaat vaak juist om een kritische houding tegenover het eenheidsdenken dat van dominante instellingen uitgaat, en die ook heel rationeel kan zijn. Illich kan worden gesitueerd in aan anarchistische traditie die teruggaat op onder meer William Godwin (1756-1836), die helemaal in de geest van de verlichting en op rationele gronden pleitte voor mentale ontvoogding en de autonomie van kleine gemeenschappen. Het laatste element geeft aan dat de kritiek ook niet noodzakelijk leidt tot laissez-faire denken. De anarchistische traditie bevat naast mensen zoals Mikhail Bakunin (1814-1876), die zich verzette tegen de tirannieke macht van deskundigen, ook denkers die streefden naar kleinschaligheid, zoals Pjotr Kropotkin (1842-1921). Vandaag leeft dit voort in het werk van onder meer Murray Bookchin (1921-2006), een pionier in het filosofische denken over een meer duurzame relatie tussen mens en natuur, die in zijn 'ecoanarchisme' uitkwam bij decentralisering, directe democratie en een grotere autonomie van lokale gemeenschappen.

Wat al deze denkers met elkaar gemeen hebben is dat ze het wantrouwen in centrale instellingen en bureaucratieën koppelen aan een sterk geloof in het creatieve en democratische vermogen van de mens om op het lokale niveau en in face-to-face-relaties tot goede beslissingen te komen, onder meer ook met betrekking tot onze relatie met de natuur. Met betrekking tot het coronabeleid zou zich dat onder meer kunnen vertalen in lokaal overleg en oplossingen op maat van lokale contexten. Bovendien kan hun kritiek op wetenschap en technologie (en de verwevenheid daarvan met politiek) niet worden gezien als onverschilligheid ten opzichte van biomedische en ecologische uitdagingen, eerder integendeel. Vaak gaat het om mensen die daar juist heel erg mee bezig zijn.

Hoog tijd dus om na te denken over de relevantie van de bestaande breuklijnen en voor ernstige pogingen om de kritische stemmen voorbij deze breuklijnen een politieke stem te geven. We leven nu meer dan een jaar onder een regime waarin een minderheid van de bevolking langdurig en systematisch wordt gedwongen zich te conformeren aan de waarden en normen van de meerderheid en waarbij ook aan die minderheid de meest fundamentele rechten en de meest intieme culturele gebruiken worden ontzegd. Dat kan je als democraat, van welke strekking ook, onmogelijk blijven verdedigen.

Het nu al meer dan een jaar aanslepende coronabeleid zorgt bij een groeiend aantal mensen voor frustratie. Een deel ervan zucht en kreunt maar blijft zo goed en zo kwaad als het kan doen wat moet, al was het maar om geen boete te krijgen. Een ander deel uit z'n woede op sociale media of tracht zich te organiseren, onder andere met het oog op het aanspannen van rechtszaken of om te betogen. Op geen enkele manier echter wordt dit onbehagen politiek vertolkt. Het politieke tegengeluid blijft beperkt tot controversiële uitzonderingen zoals Jean-Marie Dedecker, al zijn er de afgelopen weken ook oprispringen te horen bij Georges-Louis Bouchez, en wat forsere oppositietaal bij Vlaams Belang. Toch lijkt het erop dat geen enkele politieke partij de kritiek echt ten volle vertolkt. Hoog tijd om daar verandering in te brengen. Vooral aan de linkerzijde van het politieke spectrum blijft het oorverdovend stil. In het dominante politieke referentiekader is tot dusver geen hokje waarin mensen kunnen worden ondergebracht die links, ecologisch en/of progressief zijn en toch tegen een streng coronabeleid. In een recente analyse op vrt.nws werd enkel aandacht besteed aan Viruswaanzin, Artsen Voor Vrijheid en Bewuste Burgers, die gemakkelijk kunnen worden weggezet als complotdenkers en anti-vaxxers. De vele mensen die niet op die manier kunnen worden genegeerd, worden door linkse opiniemakers al gauw in een uiterst rechts hokje ondergebracht. In een recent opiniestuk op De Wereld Morgen oordeelde de linkse historicus en filosoof Thomas Decreus dat de kritiek op streng coronabeleid bijna per definitie moet komen van burgerlijke en behoudsgezinde middengroepen en dat hun kritiek in essentie neerkomt op een pleidooi voor individuele vrijheid ten koste van de zwakkeren van de samenleving. Volgens Decreus gaat het om 'doorgeschoten sociaal-Darwinisme' en een 'biopolitieke vorm van klassenoorlog'.Zulke oordelen getuigen van een ontstellend onvermogen om te begrijpen waar de kritiek om draait. Ten eerste vormen de individuele rechten waar velen voor opkomen het fundament van ons hedendaagse politieke bestel. De sinds de Verlichting zo moeizaam bevochten 'vrijheden' hebben gezorgd voor zowat alles wat ons politiek dierbaar is: stemrecht, gewetensvrijheid, vrijheid van verkeer, van meningsuiting, van vereniging, tot en met de integriteit van het menselijke lichaam. Stuk voor stuk zijn het principes waar links en rechts het over eens zijn en die nergens ter discussie staan - behalve tijdens de strijd tegen corona, want dan worden ze plots ondergeschikt aan de oorlog van allen tegen het virus. Opkomen voor dergelijke vrijheden is niet rechts of individualistisch, het is opkomen voor de fundamenten van het moderne politieke bestel. Het gaat terug op het klassieke liberalisme, dat niet moet worden begrepen als het afzweren van alle belemmeringen van individuele keuzes, maar eerder als het vermogen tot zelfbestuur - zoals onder meer ook Annelien De Dijn terecht opmerkt.Een tweede reden om toch naar de kritiek te blijven luisteren, ook door links, is zo mogelijk nog fundamenteler. Veel kritiek op het coronabeleid draait om de essentie van het mens-zijn. Critici wijzen op het belang van sociaal contact, van aanrakingen en knuffels, van elkaars gezicht kunnen zien. Stuk voor stuk gaat het om behoeften die cruciaal zijn in het welzijn en de ontwikkeling van elke mens, van jong en oud, en van welke sociale en culturele achtergrond ook. Het gaat om sociale en mentale noden die niet een jaar kunnen worden opgeschort zonder gevolgen voor het sociale en mentale welzijn van wie er ook mee te maken krijgt. Ook de critici hebben dus welzijn voor ogen, vandaag het welzijn van iedereen die na een jaar compleet is murw geslagen en die geen stem heeft in het debat. Het wordt dus tijd om op te houden om kritiek op het beleid in een uiterst rechts verdomhoekje onder te brengen en om het protest een legitieme politieke stem te geven. De kritiek op het corona-beleid kan simpelweg niet worden begrepen vanuit de klassieke links-rechts tegenstelling. Het brengt juist een nieuwe breuklijn aan de oppervlakte, waarbij minstens een deel van rechts en een deel van links elkaar ontmoeten. De gemeenschappelijke noemer is een fundamentele kritiek op de technocratische benadering van het mens-zijn. Wat de meest bekende critici met elkaar gemeen hebben, is dat ze wijzen op de ontmenselijkende effecten van het coronabeleid. Of het nu gaat om Marli Huijer en Erwin Kompanje in Nederland of om Mattias De Smet in België, ze laken in essentie de instellingen en mechanismen die het menselijke bestaan reduceren tot biologisch overleven en die het bovendien in toenemende mate onmogelijk maken om zich daar als individu aan te onttrekken. Wat critici vandaag het meeste kwaad maakt, is de onmogelijkheid om zelf vanuit de eigen overtuiging te kiezen om bijvoorbeeld gevaccineerd te worden, een mondmasker te dragen, of vrienden en de kleinkinderen te zien. Progressieve stemmen maken een historische vergissing als ze dit als rechts en illegitiem blijven wegzetten. Ook gevestigde linkse denkers komen tot conclusies die in essentie gaan over het verlies aan controle over het eigen lichaam. De ideeën van Michael Hardt en Antonio Negri over de nieuwe ontwikkelingen in de globale wereldorde zijn een perfect voorbeeld. Hardt en Negri beschrijven de recente opkomst van een wereldsysteem dat iedereen in z'n greep heeft hoewel er eigenlijk niemand nog aan het stuur zit. Ze noemen dat systeem Empire, een nagenoeg oncontroleerbaar geheel van politieke en economische instellingen en structuren dat in het gehele maatschappelijke leven door dringt, dat niet ter verantwoording kan worden geroepen, en waarvan de logica onontkoombaar lijkt. En bovenal: het systeem grijpt tot op het meest intieme menselijke niveau in. De politiek-economische macht die ervan uitgaat noemen Hardt en Negri met een verwijzing naar Michel Foucault biomacht. Mede door de communicatie-industrie veranderen mensen geleidelijk aan in een soort machines, in anonieme factoren in een 'biopolitieke productie'. Lichaam en geest zijn volgens Hardt en Negri betrokken in de productie van economische waarden en worden door dat systeem ontmenselijkt.Op het eerste gezicht staat de zorgsector daar los van, maar het is zeer de vraag in hoeverre dat werkelijk het geval is. Ook instellingen zoals ziekenhuizen zijn doordrongen van neo-liberale managementstechnieken en maken integraal deel uit van het neo-liberale systeem. Net zoals grote firma's zijn ze gericht op het halen van 'targets' en werken ze via anonimiserende en bureaucratische protocollen en procedures. Behalve op moderne managements-ideeën zijn deze protocollen en procedures gebaseerd op wetenschappelijke inzichten, maar daarin wordt de mens eveneens gereduceerd tot een biologische entiteit waarvan de waarde in cijfers kan worden uitgedrukt en in spreadsheets kan worden samengevat. De kwantiteit van het leven krijgt er al gauw voorrang op sociale en mentale overwegingen die moeilijk in de denkkaders en categorieën van dokters te vatten zijn. Voor een goed begrip: we hoeven hier geen slechte bedoelingen achter te zoeken. We leggen voor een stuk zelf ons lot in handen van die instellingen. Maar de pandemie maakt pijnlijk duidelijk dat we dat te veel hebben gedaan en dat het tijd wordt om een deel van onze menselijke autonomie en zelfbeschikking terug op te eisen, zoals dat bijvoorbeeld ook gebeurt als een terminale patiënt afziet van een bijkomende therapie of om euthanasie vraagt. De kritiek op het coronabeleid ligt helemaal in de lijn daarvan, maar gaat veel verder. In de dagelijkse omgang met gezondheid vertaalt de hang naar autonomie en zelfbeschikking zich in fenomenen als de terugkeer van het thuis bevallen of de kruidengeneeskunde, of het afwijzen van hygiënische maatregelen of vaccins omwille van het geloof in het eigen afweersysteem. Dit streven is te persoonlijk en intiem om zomaar eventjes een jaar verplicht op te schorten, of om de controle daarover uit handen van ouders te nemen. Dit streven kan ook niet zomaar als achterhaald worden afgedaan. Er zijn immers ook aanwijzingen dat zorginstellingen hun doelstellingen meer en meer voorbij schieten. Voor een goed begrip daarvan kan nog een andere linkse denker verheldering brengen, namelijk de wat vergeten Ivan Illich (1926-2002). Illich was oorspronkelijk een priester, maar gaf mee vorm aan de bevrijdingstheologie en de strijd tegen het Amerikaanse imperialisme in Latijns Amerika in de jaren 1960 en 1970. Bijzonder aan het werk van Illich is dat hij in dat kader ook moderne instellingen zoals scholen bekritiseerde. Zijn bekendste werk is Deschooling Society (1971), waarin hij argumenteert dat scholen in zekere zin het tegenovergestelde produceren van wat ze beogen. Terwijl scholen in theorie zorgen voor emancipatie, kneden ze volgens Illich individuen tot passieve consumenten die hun maatschappelijke plaats leren kennen en hun creatieve kracht verliezen. In plaats van kennis door te geven definiëren scholen wat legitieme kennis is en in plaats van educatie produceren ze de nood aan educatie. Scholen zorgen er immers voor dat bepaalde kennis als noodzakelijk wordt gezien en dat mensen die deze kennis of de eraan verbonden certificaten niet bezitten uit de boot vallen. Scholen mogen ons dan al slimmer maken, volgens Illich vervreemden ze ons tegelijk van het ware leren. Ook hier zou je op het eerste gezicht kunnen veronderstellen dat dit niet van toepassing is op medische en zorginstellingen, maar in het boek Medical Nemesis (1976, vertaald als Grenzen aan de geneeskunde) argumenteert Illich in dezelfde lijn dat het medisch apparaat een bedreiging van de gezondheid is geworden. Centrale begrippen in het boek zijn medicalisering en iatrogenese, die aangeven dat de geïnstitutionaliseerde zorg steeds vaker zelf aan de basis ligt van aandoeningen. En zoals scholen het lerend en emancipatorisch vermogen van mensen aantast gaat Illich er met betrekking tot medische instellingen van uit dat ze het genezend vermogen van de mens ondergraven. De instellingen en de kennisproductie erachter ontnemen ons de persoonlijke kennis over wat te doen bij ziekte, hoe we zelf het lijden kunnen verzachten en hoe we in het geval van ziekte en lijden voor elkaar kunnen zorgen. Illich spreekt daarom van de 'tirannie van de deskundigen', de 'hegemonie van de aangeprate behoeften' en 'de nieuwe priesterstand van de professionals'.In de huidige context lijkt het moeilijk zich aan de logica van die professionals te onttrekken, maar het gaat hier niet om een anti-wetenschappelijke attitude. Het gaat vaak juist om een kritische houding tegenover het eenheidsdenken dat van dominante instellingen uitgaat, en die ook heel rationeel kan zijn. Illich kan worden gesitueerd in aan anarchistische traditie die teruggaat op onder meer William Godwin (1756-1836), die helemaal in de geest van de verlichting en op rationele gronden pleitte voor mentale ontvoogding en de autonomie van kleine gemeenschappen. Het laatste element geeft aan dat de kritiek ook niet noodzakelijk leidt tot laissez-faire denken. De anarchistische traditie bevat naast mensen zoals Mikhail Bakunin (1814-1876), die zich verzette tegen de tirannieke macht van deskundigen, ook denkers die streefden naar kleinschaligheid, zoals Pjotr Kropotkin (1842-1921). Vandaag leeft dit voort in het werk van onder meer Murray Bookchin (1921-2006), een pionier in het filosofische denken over een meer duurzame relatie tussen mens en natuur, die in zijn 'ecoanarchisme' uitkwam bij decentralisering, directe democratie en een grotere autonomie van lokale gemeenschappen. Wat al deze denkers met elkaar gemeen hebben is dat ze het wantrouwen in centrale instellingen en bureaucratieën koppelen aan een sterk geloof in het creatieve en democratische vermogen van de mens om op het lokale niveau en in face-to-face-relaties tot goede beslissingen te komen, onder meer ook met betrekking tot onze relatie met de natuur. Met betrekking tot het coronabeleid zou zich dat onder meer kunnen vertalen in lokaal overleg en oplossingen op maat van lokale contexten. Bovendien kan hun kritiek op wetenschap en technologie (en de verwevenheid daarvan met politiek) niet worden gezien als onverschilligheid ten opzichte van biomedische en ecologische uitdagingen, eerder integendeel. Vaak gaat het om mensen die daar juist heel erg mee bezig zijn.Hoog tijd dus om na te denken over de relevantie van de bestaande breuklijnen en voor ernstige pogingen om de kritische stemmen voorbij deze breuklijnen een politieke stem te geven. We leven nu meer dan een jaar onder een regime waarin een minderheid van de bevolking langdurig en systematisch wordt gedwongen zich te conformeren aan de waarden en normen van de meerderheid en waarbij ook aan die minderheid de meest fundamentele rechten en de meest intieme culturele gebruiken worden ontzegd. Dat kan je als democraat, van welke strekking ook, onmogelijk blijven verdedigen.