'Het onderwijs heeft nood aan meer N-VA, zoveel is duidelijk. Denk eraan op 26 mei!', zo tweette voormalig staatssecretaris Theo Francken op 1 april. De aanleiding waren nieuwe cijfers van de KU Leuven waaruit bleek dat de kwaliteit van het onderwijs in Vlaanderen fors gedaald was.

Op dat moment leek het even dat onderwijs het bepalend campagnethema zou gaan worden, maar met een campagne die voorlopig moeilijk op toerental komt, lijkt het onderwerp voorlopig meer te sluimeren op de achtergrond. 'Met al die twijfelende kiezers is het eindspel cruciaal. Het moet nog beginnen', schreef politicoloog Carl Devos twee weken geleden nog in De Morgen. Vandaag lijkt er op dat vlak nog niet veel veranderd, alle klachten over dalende onderwijskwaliteit en de toenemende werkdruk bij het personeel ten spijt.

'De laatste maanden lijkt het haast alsof we moeten kiezen tussen hoogstaand onderwijs dat leerlingen doet excelleren en scholen waar de lat zo laag wordt gelegd dat alle kinderen er zich goed kunnen voelen', schreef Knack eerder al in het het eindrapport van Hilde Crevits (Onderwijs): een beleid van gemiste kansen. 'Ook de politieke partijen vallen grosso modo in twee kampen uiteen. Met de N-VA als grootste voorvechter van hoogstaand onderwijs waar leerlingen worden aangespoord om boven zichzelf uit te stijgen, en de linkse partijen die er vooral voor willen zorgen dat álle kinderen mee zijn.'

Eerder deze week, een maand na de bewuste tweet van hierboven, meldde Het Nieuwsblad dat Francken op school meer aandacht wil voor de Vlaamse identiteit. Bedoeling: 'ons zelfbewustzijn als volk in de verf te zetten en duidelijk te maken wat ­onze gemeenschappelijke sokkel is.'

'Ik begrijp alle fuzz over die uitspraak eigenlijk niet', zo stipte N-VA-fractieleider in het Vlaams Parlement Matthias Diependaele even aan op het onderwijsdebat van Knack. 'Overal in het buitenland zie je dat kennis over de geschiedenis van het land en de cultuur wordt doorgegeven, maar hier is dat meteen van ho ho ho.'

Het bericht komt alvast niet ongelegen, in de aanloop naar zondag, voor de laatste V-dag van N-VA, die in Brugge doorgaat. Na eerdere campagnedagen over confederalisme, asiel en migratie en ecorealisme, wordt nu scherpgesteld op de uitdagingen voor het onderwijs.

Diependaele liet in het auditorium van de UGent nog maar eens uitschijnen dat zijn partij in de volgende regering de post claimt van onderwijsminister. 'Onderwijs is en blijft iets heel speciaals. Daar willen wij graag de touwtjes in handen houden.' Of dat dan ook Theo Francken moet worden die al meermaals zijn interesse in het departement liet blijken, dan wel Koen Daniels, die in het Vlaams parlement gespecialiseerd is in de materie, dat werd niet verduidelijkt. 'Daarover ga ik het achterste van mijn tong niet laten zien', antwoordde Diependaele op de opmerking van Caroline Gennez dat 'er precies verschillende kandidaten' zijn.

'M-decreet is bewijs van pedagogen die hun visie willen opleggen'

Inhoudelijk verschilden de partijen vooral van mening over de manier waarop de geplande hervormingen in het onderwijs moeten worden verdergezet. Het M-decreet springt daarbij het meest in het oog. De afgelopen jaren was daarover veel ontevredenheid in het onderwijsveld. Dat decreet, dat net voor het eind van de vorige regeerperiode door het Vlaams Parlement werd goedgekeurd, komt tegemoet aan het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Daarin staat dat inclusief onderwijs de norm moet worden. Vlaanderen, waar in vergelijking met de meeste andere Europese landen opvallend veel kinderen in het buitengewoon onderwijs schoollopen, moest daartoe een grote inhaalbeweging inzetten.

'Dat is een megafoondecreet geworden terwijl het een begeleidingsdecreet zou moeten zijn', klonk het enigszins cryptisch bij Jan Durnez van CD&V, voorzitter van de commissie Onderwijs in het Vlaams parlement en partijgenoot van Hilde Crevits. 'Er zijn problemen die er al waren, die nu nog meer aan de oppervlakte zijn gekomen. We moeten de expertise die we ter beschikking hebben nu ook kunnen toepassen.'

Caroline Gennez drong namens de oppositie aan op een grondige evaulatie van het M-decreet, best aan het begin van de nieuwe regeerperiode, en verwees ook naar de financiering van het buitengewoon onderwijs. 'Het M-decreet is als kanarie in de koolmijn. Scholen hebben meer midelen nodig, en een andere organisatie. Die 2.000 leerlingen die zijn overgestapt terug laten gaan, dat gaat het probleem niet oplossen.'

'

Matthias Diependaele toonde zich als lid van de meerderheid eerder somber over het M-decreet.: 'Wij vragen al twee jaar om evaluatie en bijsturingen. Die moeten nog verder gebeuren. Voor mij is het M-decreet het bewijs dat bepaalde pedagogen hun visie willen opleggen, en daar het onderwijs voor gebruiken.'

'Je moet je altijd baseren op wetenschap, maar de wetenschap weet het ook niet altijd. Er is niet altijd een duidelijke ja of nee. Ook de VN heeft het niet altijd juist voor, daar ben ik van overtugd. Het idee van een volledig inclusief onderwijs is volgens mij fout.'

Brede eerste graad

Ook de andere veelbesproken hervorming, die van de brede eerste graad, kwam aan bod. Daarin kunnen scholen kunnen er dus vrij voor kiezen om de tussenschotten tussen aso, tso en bso al dan niet weg te halen. 'De hervorming van het secundair onderwijs is een gemiste kans', vindt Caroline Gennez. 'Daar is niet om de haverklap hervormd, zoals soms wordt beweerd. We hebben twintig jaar gediscusseerd om tot een beslissing te komen, en die zal voor enige tijd niet meer de fundamenten in vraag stellen. Met die brede eerste graad is alles doodgeklopt, en het is maar de vraag welke problemen deze hervorming zal oplossen.'

'We starten met de hervorming, en dan zal binnen zes tot acht jaar wel blijken waar we moeten bijsturen', verdedigde Durnez de genomen beslissing.

'Mijn kinderen zitten nú op shool, ik zou liever hebben dat dat geen proefdieren worden waar we van zeggen: 'en dan zien we wel binnen vijf of acht jaar'', reageerde Diependaele.

© Koen Fasseur

Ondersteuning onderwijzend personeel

Verder herhaalde alle partijen hun pleidooi voor meer ondersteuning voor het onderwijzend personeel. De leerkracht moet weer kunnen lesgeven. Het is een stelling die heel wat leerkrachten herkenbaar vinden, en in verkiezingstijd vlot door alle partijen wordt overgenomen. Ook vanavond was daarover eensgezindheid, net als over het feit dat het lerarenberoep opnieuw aantrekkelijker moet worden gemaakt. 'De volgende regering moet stappen zetten om het lesgeven weer comfortabeler te maken', vond Durnez.

Eensgezindheid onder de deelnemers aan het debat was er over het belang van de zij-instroom om het lerarentekort op te vangen. Volgens verschillende voorspellingen gaat het om 6.000 extra leerkrachten die voor de klas moeten staan tegen 2030. Op sommige plekken is de krapte nu al voelbaar.

'Deze legislatuur heeft men ervoor gekozen om niet in te zetten op de zij-instroom, maar die luxe gaan we niet blijven hebben. Mensen van 40 of 45 uit de privé, die zullen we nodig hebben, en daar gaan we voor moeten betalen. Die gaan niet beginnen aan een starterswedde. Dat zal wat geld kosten, en onderwijs is een gemeenschapsgoed, dat is investering die zijn geld waard is.'

Durnez sloot zich daarbij aan: 'De zij-instroom op een goeie manier binnenbrengen, dat zal wat kosten. Maar er is geen weg terug.'

'Het zal een gigantische uitdaging zijn', klonk het ook bij Diependaele. 'Zeker als je kijkt naar het aantal mensen dat zich inschrijft voor een lerarenopleiding. Zij-instroom is zeer waardevol, ook in het kader van de pensioenproblematiek. Mensen die jarenlang in een bedrijf gewerkt hebben, met een relevante ervaring om bepaalde vakken te geven, dat kan voor een gigantische meerwaarde zorgen.'