'We vragen u uw oor goed te luisteren te leggen voor u geldkranen dichtdraait of het M-decreet verder vormgeeft.' Dat staat in een brief die twintig leerlingenbegeleiders uit middelbare scholen over heel Vlaanderen in oktober naar Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) stuurden. Meer dan twee maanden later heeft de minister nog niet gereageerd. 'We willen eindelijk gehoord worden', zeggen vier van de ondertekenaars. 'Niet zozeer voor onszelf, maar voor onze leerlingen. Als wij ons werk niet naar behoren kunnen doen, dan zijn zij daar de dupe van. Uiteindelijk komen ze dan met al hun problemen in de samenleving terecht. Is dat echt wat we willen?'
...

'We vragen u uw oor goed te luisteren te leggen voor u geldkranen dichtdraait of het M-decreet verder vormgeeft.' Dat staat in een brief die twintig leerlingenbegeleiders uit middelbare scholen over heel Vlaanderen in oktober naar Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) stuurden. Meer dan twee maanden later heeft de minister nog niet gereageerd. 'We willen eindelijk gehoord worden', zeggen vier van de ondertekenaars. 'Niet zozeer voor onszelf, maar voor onze leerlingen. Als wij ons werk niet naar behoren kunnen doen, dan zijn zij daar de dupe van. Uiteindelijk komen ze dan met al hun problemen in de samenleving terecht. Is dat echt wat we willen?' Hoe komt het dat de emmer nu plots dreigt over te lopen?Bea Bogemans (Koninklijk Atheneum Antwerpen): Doordat de problemen waarmee jongeren kampen niet alleen toenemen, maar ook complexer worden. Op onze scholen zitten veel multiprobleemkinderen: ze zijn niet alleen arm, ze hebben bijvoorbeeld ook een taalachterstand, zieke ouders, studieproblemen of een gebrekkig sociaal vangnet. De vraag is altijd weer welk probleem we het best eerst aanpakken. Vaak stoten we dan ook nog op diensten die niet meewerken of enorme wachtlijsten hebben. Fatima Hajou (Spectrumschool Antwerpen): Tegenwoordig wordt er zoveel van leerlingenbegeleiders verwacht dat we ons werk amper nog goed kunnen doen. Niet alleen omdat we onmogelijk op al die vlakken expertise kunnen hebben, maar ook omdat er van bovenaf regeltjes worden opgelegd die niet op de dagelijkse realiteit zijn afgestemd. Zo wordt er ontzettend veel administratief werk van ons verwacht terwijl we zo al te weinig tijd hebben om jongeren de zorg te bieden die ze nodig hebben. Komt dat door het M-decreet, waardoor ook leerlingen met beperkingen sinds vorig schooljaar het recht hebben om zich in een gewone school in te schrijven?Anna-Lena Van der Meynsbrugge (GO! Atheneum Hoboken): Voor het M-decreet er was, hadden we ook al leerlingen met een beperking. Alleen kregen zij geen diagnose of etiket opgeplakt. Voor hen maakten we al individueel aangepaste programma's, zonder dat daar extra uren of middelen tegenover stonden. Hajou: Sinds de invoering van het M-decreet is de instroom van leerlingen uit het buitengewoon onderwijs wel enorm toegenomen. Als de overheid het signaal geeft dat jongeren overal les mogen volgen, stappen velen natuurlijk naar een gewone school over. In de praktijk zorgt dat voor schrijnende toestanden, want op een gewone school krijgen leerlingen nooit de zorg en ondersteuning die ze in het buitengewoon onderwijs gewend waren. Wij moeten van nul beginnen met een traject op hun maat uit te tekenen terwijl ze perfect op hun plaats zaten in hun vorige school. Veel van die jongeren krijgen het heel moeilijk en stevenen op een grote teleurstelling af. Van der Meynsbrugge: Daarbij komt nog dat ze in het buitengewoon onderwijs heel goed op de arbeidsmarkt worden voorbereid. Aan het eind van het traject krijgen ze een getuigschrift waarmee ze naar een werkgever kunnen stappen. Wat kunnen wij hun bieden? Niet veel meer dan een stoel. Leerlingen voor wie wij een individueel leertraject uittekenen, krijgen geen diploma. Als ze van school komen, hebben ze alleen een attest van verworven bekwaamheden. We houden hun en hun ouders dus een wortel voor.Melanie Ampe (Sint-Lucas Kunstsecundair Antwerpen): Veel ouders geloven ook dat een school werkelijk alles moet doen om ervoor te zorgen dat hun kind er les kan volgen. Daardoor vragen ze soms onhaalbare aanpassingen. Dan krijg ik de avond voor een examen een bericht van een moeder die wil dat haar zoon de vragen mondeling oplost omdat ze 'een paar jaar geleden eens hebben gedacht dat hij dyslexie zou kunnen hebben'. Natuurlijk kan een leerkracht beslissen dat het voor een leerling beter is om een examen mondeling toe te lichten, maar zoiets kan niet op het laatste nippertje worden geregeld. U bent duidelijk geen fan van het M-decreet.Van der Meynsbrugge: Ik heb niets tegen inclusie. Integendeel. Maar het doel van dat decreet, dat elk kind in het gewoon onderwijs moet kunnen meedraaien, klopt gewoon niet. Elke leerling moet op een plek zitten waar hij thuishoort en zich goed voelt. Of dat nu in een gewone school of in het buitengewoon onderwijs is. Hajou: De beleidsmakers zien inclusie als een wondermiddel om alle jongeren bij het onderwijs te betrekken. Ze hebben het M-decreet ingevoerd zonder na te gaan wat dat in de praktijk echt betekent. Achteraf zijn ze dan verbaasd dat het niet zo vlot loopt als ze hadden verwacht. Bogemans: Het probleem is vooral dat de mensen die het M-decreet op het terrein moeten waarmaken, daar helemaal niet op voorbereid zijn. Soms is het heel moeilijk om vakleerkrachten ervan te overtuigen kleine dingen aan te passen zodat een leerling met een beperking de lessen beter kan volgen. Nochtans zijn die aanpassingen meestal goed voor de hele groep. Als je bij het begin van de les checkt of iedereen zijn boek wel op de juiste bladzijde heeft opengeslagen, is dat echt niet alleen in het voordeel van leerlingen met autisme.Hajou: Er wordt erg veel van leerkrachten verwacht. Ze moeten hun leerdoelstellingen behalen, veel administratie doen en dan ook nog eens werken met leerlingen met de meest uiteenlopende problemen. En dan heb ik het niet alleen over de jongeren die door het M-decreet bij ons terechtkomen. Van der Meynsbrugge: Zij maken maar een klein deel uit van de leerlingen die extra zorg nodig hebben. We zien bijvoorbeeld ook meer en meer jongeren die rechtstreeks vanuit het vierde leerjaar bij ons belanden. Als ze op hun twaalfde nog altijd in het vierde leerjaar zitten, vindt men het beter dat ze alvast naar het eerste middelbaar gaan, waar ze met leeftijdgenoten in de klas zitten. Daarbij wordt vergeten dat kinderen in het vijfde en zesde leerjaar niet alleen taal en wiskunde, maar ook nieuwe attitudes aangeleerd krijgen. Wie die jaren overslaat, mist te veel basiskennis om in de middelbare school te kunnen beginnen. Wat vinden die kinderen daar zelf van?Van der Meynsbrugge: Zij zien die stap natuurlijk als een promotie: plots mogen ze zomaar naar het middelbaar. Hajou: Maar de ontnuchtering volgt meestal snel. Na amper een paar weken voelen de meesten al dat ze niet op hun plaats zitten. Heel frustrerend, natuurlijk. Als na een tijd blijkt dat ze echt niet meekunnen, moeten ze weer vertrekken. Maar waarheen? Veel hangt dan af van de middelbare school waar ze zijn terechtgekomen. Sommige doen de grootste moeite om een oplossing te vinden waar dat kind echt bij gebaat is, maar andere droppen het gewoon bij het CLB, het Centrum voor Leerlingenbegeleiding. Van der Meynsbrugge: Uiteindelijk wordt zo'n leerling dan vaak naar het buitengewoon onderwijs doorgestuurd. Hajou: Terwijl hij daar helemaal niet thuishoort. Zo'n leerling heeft alleen iets gemist en moet een inhaalmanoeuvre kunnen maken. Op sommige scholen, zoals de onze, doen ze er alles aan om hem die kans te geven. Steeds meer jongeren kampen ook met psychische problemen. Merkt u dat op school?Ampe: Zeker. De toename van psychische en emotionele problemen is onwaarschijnlijk. We worden steeds vaker geconfronteerd met depressies, angsten, zelfverminking, zelfmoordpogingen, waanbeelden en zelfs psychoses. Bogemans: Ook pesten is nog altijd een groot probleem. Zeker nu dat door de sociale media niet meer stopt aan de schoolpoort. Van der Meynsbrugge: Sociale media hebben ons werk op veel vlakken moeilijker gemaakt. Bogemans: Geregeld krijgen we te maken met uit de hand gelopen gevallen van sexting. Dan komt een leerling in paniek aanzetten omdat ze onthullende foto's van zichzelf heeft gemaakt die nu overal circuleren of in verkeerde handen zijn gevallen. Van der Meynsbrugge: Dan moeten we de politie inlichten en soms ook Child Focus. Een heel gedoe. Als zo'n leerling bij mij zijn verhaal zit te doen, dan denk ik soms ook: wat erg dat hij zulke intieme dingen aan mij moet vertellen. Dat betekent dat hij niet bij zijn mama, papa, tante, broer of zus terechtkan. Aan de ene kant maakt dat me heel triest, aan de andere kant sterkt het me in mijn overtuiging dat leerlingenbegeleiding echt het verschil kan maken. Op Vlaamse scholen zitten steeds meer leerlingen met een andere thuistaal. Werkt het onthaalonderwijs voor anderstalige leerlingen (OKAN)?Van der Meynsbrugge: Het duurt zeven jaar om een taal te leren, maar van onze jongeren verwachten we dat ze het in een schooljaar klaarspelen. Dat OKAN-traject zou veel langer moeten duren. Hajou: Die basisopleiding Nederlands is ook te beperkt en niet genoeg afgestemd op wat de arbeidsmarkt verwacht. Bij ons in het zesde jaar zit een jongen die nog maar vier jaar in België is. Hij is in staat om een gesprek in het Nederlands te voeren, maar vakspecifieke termen heeft hij niet onder de knie. Als dat blijkt tijdens zijn stage, kunnen zijn slaagkansen in het gedrang komen. Van der Meynsbrugge: Er zijn natuurlijk ook anderstalige jongeren die het wel goed doen. Zo ken ik een jongen van Jamaicaanse afkomst die na een halfjaar haast perfect Nederlands spreekt. Maar niet iedereen heeft hetzelfde taalgevoel. Veel heeft ook te maken met hoe groot iemands woordenschat in zijn thuistaal is. Als je bent opgegroeid in oorlog en ellende, is de kans niet zo groot dat je ouders je sprookjes hebben voorgelezen of dat er aan de ontbijttafel diepe gesprekken werden gevoerd. Ampe: Taalkennis is dan ook niet het enige probleem: anderstalige jongeren hebben soms al heel veel gezien en meegemaakt voor ze bij ons op school belanden. Van der Meynsbrugge: Sommigen zijn zo getraumatiseerd dat ze niet aan leren toekomen, maar toch vinden we het normaal dat ze elke dag braaf in de klas zitten. Wat wij van zulke jongeren verwachten, is gewoon niet realistisch. Leerkrachten worden ook geacht leerlingen te spotten die dreigen te radicaliseren.Hajou: In feite zijn we daar niet voor opgeleid. Radicalisering is niet altijd zichtbaar en moeilijk te detecteren. Waarop moeten we letten? Waaruit blijkt dat een jongere radicaliseert? Van der Meynsbrugge: Een lange baard natuurlijk! (algemene hilariteit)Hajou: Dat zeggen ze dan, ja. Terwijl die baardjes tegenwoordig een rage zijn op school. (denkt na) We kunnen alleen ons best doen op basis van de kennis die we eigenhandig over radicalisering vergaren. Maar ook op dat vlak hebben we behoefte aan professionele begeleiding. Bogemans: Als leerlingenbegeleider moet je alert zijn voor élke gedragsverandering. Niet alleen als een meisje van de ene dag op de andere gesluierd rondloopt, maar ook als een leerling plots heel erg vermagert. Van der Meynsbrugge: Het probleem is dat we nooit tijd genoeg hebben. Aan het eind van de dag is er altijd nog wel een moeder die ik niet meer heb kunnen bellen of een babbel met een leerling waaraan ik niet ben toegekomen. Als er in juni een nieuwe lichting afstudeert, zie ik weleens het dossier voorbijkomen van een braaf dutske met wie ik in al die jaren hoogstens één gesprek heb gehad. Ik zie vooral stouteriken en jongeren die om andere redenen opvallen, terwijl ook stille leerlingen problemen kunnen hebben. Zij vallen soms door de mazen van het net. Bogemans: We hebben gewoon de tijd niet om te checken of het wel goed gaat met zo'n leerling. Als een braaf, stil meisje dan in het zesde jaar in een zware crisis terechtkomt, vraag ik me altijd af of dat niet vermeden had kunnen worden als we eerder aandacht voor haar hadden gehad. Hajou: Het zal er niet beter op worden, want de problemen nemen alleen maar toe en er wordt alsmaar meer van het onderwijs verwacht. De vraag is hoe lang we dat nog kunnen volhouden. Nu al haken veel leerlingenbegeleiders na verloop van tijd af. Ampe: Inhoudelijk is onze baan erg zwaar. De hele tijd vraag je je af of je aanpak wel goed is. Had je dat probleem niet beter anders opgelost? Pak je die leerling wel goed aan? Dat moet je allemaal zelf uitzoeken. Ik heb wel veel aan het ondersteuningsteam waarop ik een beroep kan doen, maar het volstaat nog lang niet. Voldoet de opleiding Leerlingenbegeleiding dan niet?Ampe: Zo'n postgraduaat helpt zeker, maar lang niet alle leerlingenbegeleiders krijgen de kans die lessen te volgen. Je school moet bereid zijn de opleiding te bekostigen en je twee jaar lang naar die lessen te laten gaan. Dat is een grote investering. Van der Meynsbrugge: Ik ken collega's die zelf voor die opleiding betalen omdat ze vinden dat ze hun werk anders niet goed kunnen doen. Ampe: Ik denk dat elke school daarin wel zou willen investeren, maar iedereen werkt met een beperkt budget. Het geld dat naar leerlingenbegeleiding gaat, kan niet meer worden besteed aan vakspecifieke bijscholingen. Wat moet er veranderen opdat u uw werk echt goed zou kunnen doen?Ampe: Leerlingenbegeleider moet op elke middelbare school een officiële functie worden. Vandaag moeten leerlingen het geluk hebben om ergens terecht te komen waar in leerlingenbegeleiding wordt geïnvesteerd. Onaanvaardbaar vind ik dat. Van der Meynsbrugge: Scholen zouden meer middelen moeten krijgen die specifiek voor leerlingenbegeleiding zijn bestemd. Dan hoeft een directeur, die door al zijn leerkrachten aan de mouw wordt getrokken, die moeilijke budgettaire keuze niet meer te maken. Hajou: En dat ze alsjeblieft eerst eens op het terrein komen kijken voor ze in Brussel beslissingen nemen. Nu voeren ze maatregelen in die in de praktijk niet werken, en vervolgens gooien ze alles weer om. Maar ondertussen is het kwaad geschied, zoals nu met het M-decreet. We experimenteren met jongeren die het zo al moeilijk hebben, en dat kan grote gevolgen hebben. Zowel voor henzelf als voor de rest van de samenleving.