24 april 2018
...

Geen sector waarover meer mensen een uitgesproken mening hebben dan het onderwijs. Dat bleek ook het voorbije jaar weer. De slabakkende testscores van Vlaamse leerlingen, de nieuwe eindtermen en het niet bepaald succesvolle gelijkekansenbeleid zorgden voor hoogoplopende discussies, zowel onder politici als tussen onderwijsspecialisten allerhande. Ondertussen getuigden schooldirecteurs en leerkrachten in de media met de regelmaat van een klok over de moeilijkheden waar ze dag na dag voor staan. 'Discussies over onderwijs worden tegenwoordig snel emotioneel. Dat komt doordat iedereen er vanuit zijn eigen expertise of ervaring naar kijkt', zegt professor pedagogie Els Consuegra (VUB). 'Er is nochtans meer dan genoeg wetenschappelijk onderzoek om een objectieve discussie te voeren', repliceert econoom Kristof De Witte (KU Leuven), directeur van het onderzoekscentrum Leuven Economics of Education Research. Dat geldt ook voor het M-decreet, waardoor ook kinderen met zorgbehoeften in het gewoon onderwijs les kunnen volgen. Na aanhoudende kritiek van schooldirecties, leerkrachten en ouders stelde Vlaams minister van Onderwijs Hilde Crevits (CD&V) in het voorjaar het een en ander bij. Daardoor krijgen lagere scholen nu vlotter ondersteuning voor leerlingen met gedragsproblemen en kunnen kinderen in sommige omstandigheden sneller naar het buitengewoon onderwijs overstappen. Is het M-decreet nu tot in de puntjes geregeld? Els Consuegra: Ik vrees ervoor. De aanpassingen zijn maar druppels op een hete plaat. Het grote probleem is dat er bij de invoering amper rekening mee is gehouden dat het M-decreet nieuwe en andere competenties van leerkrachten vraagt. Schoolteams kregen amper tijd en ruimte om zich op de hervorming voor te bereiden en er zijn ook niet genoeg middelen voor vrijgemaakt. Daardoor stoten scholen en leerkrachten nu op moeilijkheden die perfect vermeden hadden kunnen worden. Kristof De Witte: Toch mogen we het kind niet met het badwater weggooien. Ondanks alle praktische problemen blijft inclusief onderwijs een mooi en waardevol idee. Het is ook geen vrijblijvende evolutie, want het wordt ons opgelegd door het VN-verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. Ons onderwijs moet een mix worden van gewone en buitengewone leerlingen, maar in 2014 zat liefst 7 procent van de negenjarigen in aparte scholen. Veel meer dan elders in Europa. Consuegra: Stel je voor dat we alle volwassenen met een beperking van de anderen zouden scheiden. Het land zou op zijn kop staan. Maar blijkbaar vinden mensen het heel normaal dat onze kinderen worden gesegregeerd. Ontstellend vind ik dat. Baart het u zorgen dat er sinds dit schooljaar weer meer kinderen naar het buitengewoon onderwijs gaan? De Witte: Niet echt, want het gaat maar om een lichte stijging die niet opweegt tegen de kentering die er na de invoering van het M-decreet is gekomen. Maar zolang het buitengewoon onderwijs blijft bestaan en ook nog eens heel goede zorg biedt, zullen er ouders zijn die hun kind daarheen sturen. 'Gewoon onderwijs als het kan, buitengewoon onderwijs als het moet', zegt minister Crevits. Maar eigenlijk druist dat in tegen de geest van het VN-verdrag. Consuegra: Op termijn is het de bedoeling dat de excellente zorg van het buitengewoon onderwijs helemaal in het gewoon onderwijs wordt geïntegreerd. Dan zouden er geen aparte scholen meer nodig zijn. Komt het nog goed met het M-decreet? De Witte: Ik ben hoopvol, maar zo'n hervorming kost tijd. In Canada heeft het tien jaar geduurd voor de integratie van buitengewone kinderen in het gewone onderwijs echt gerealiseerd was. Consuegra: En tijd alleen zal niet volstaan. Er moet nog veel meer worden geïnvesteerd in de expertise en ondersteuning van leerkrachten en scholen. Bieden we die kwetsbare groep geen goede zorg, dan kan er veel schade worden aangericht. Niet alleen de leerlingen in kwestie, maar ook hun klasgenoten lijden daaronder. In november werd een school veroordeeld omdat een leerling met het syndroom van Down er niet meer welkom was. Geen enkele leerkracht zag het zitten om hem in de klas te hebben. Consuegra: Toch mogen we de leerkrachten niet met de vinger wijzen. Ik kan begrijpen dat je op een bepaald moment niet meer ziet hoe je aan de specifieke noden van een leerling kunt beantwoorden. Als een school zo'n beslissing neemt, is dat in het overgrote deel van de gevallen met het oog op het welzijn van de leerling in kwestie. Leerkrachten weten niet meer hoe ze hem moeten helpen en denken dat hij in het buitengewoon onderwijs beter zal aarden. De Witte: Er valt leerkrachten inderdaad weinig te verwijten. Plots krijgen ze een kind in de klas dat veel zorg nodig heeft terwijl ze nooit hebben geleerd hoe ze daarmee moeten omgaan. Bovendien hebben ze ook nog een paar excellente leerlingen die extra moeten worden uitgedaagd, een handvol kinderen die bijkomende uitleg nodig hebben en een grote middenmoot. Begin er maar aan. In landen met echt inclusief onderwijs staat er doorgaans toch meer dan één leerkracht voor de klas? De Witte: Klopt, en ook bij ons is co-teaching in opmars. Consuegra: In de lerarenopleidingen wordt daar meer en meer aandacht aan besteed en er zijn steeds meer leerkrachten die ermee experimenteren, maar in de praktijk blijft co-teaching toch eerder zeldzaam. De Witte: Op dat vlak biedt de vergrijzing van het lerarenkorps enorme mogelijkheden. Binnenkort komen er allemaal nieuwe leerkrachten in de scholen binnen, die concepten als differentiatie en co-teaching al tijdens hun opleiding hebben meegekregen. Wordt de impact van de individuele leerkracht soms niet overschat? De Witte: Integendeel! Uit allerlei economische onderzoeken blijkt dat minstens een schooljaar les krijgen van een heel goede leraar zelfs op de lange termijn grote impact kan hebben. Het verhoogt onder meer je kansen om te slagen aan de universiteit, een goed loon te hebben en zelfs in een betere buurt te wonen. Sommigen beweren dat de lerarenopleidingen er niet in slagen de beste mensen aan te trekken. Klopt dat? De Witte: In onze lerarenopleiding, die je pas kunt aanvatten als je een masterdiploma hebt, zitten vandaag in elk geval studenten met het juiste profiel. Wel worden sommigen afgeschrikt door het negatieve beeld van de job dat vaak in de media wordt opgehangen. Dat gebrek aan aanzien is een probleem. Consuegra: Wat ook niet helpt, is dat er in het onderwijs heel weinig doorgroeimogelijkheden zijn. Die vlakke loopbaan is een van de redenen waarom er vooral in het kleuter- en lager onderwijs zo weinig mannen werken. De Witte: Het loon van een leerkracht, dat bij de start vrij goed is, stijgt ook amper naarmate de loopbaan vordert. Vandaar mijn pleidooi om leerkrachten die heel goed werk leveren een loonsverhoging te geven. Uit kleinschalige experimenten is al gebleken dat die aanpak mensen wel degelijk prikkelt om het nog beter te doen. Wat verwacht u van het loopbaandebat, dat nog voor het eind van deze regeerperiode afgerond zou moeten zijn? De Witte: Ik hoop vooral dat er veel aandacht zal gaan naar de begeleiding van jonge leerkrachten. Wie vandaag aan de lerarenopleiding afstudeert, wordt voor de leeuwen gegooid. Het duurt gemiddeld vijf tot zeven jaar voor jonge leerkrachten hun job echt onder de knie hebben. Dat zie je zelfs aan de testscores van hun leerlingen: die liggen lager dan bij meer ervaren collega's. Consuegra: Wie in het onderwijs begint, zou inderdaad veel beter moeten worden ondersteund. Een systeem waarbij elke jonge leerkracht een mentor krijgt toegewezen, is geen overbodige luxe. De Witte: Oudere collega's zijn het best geplaatst om die taak op zich te nemen. Daarom is het een slecht idee om leerkracht als zwaar beroep te erkennen, want het zou zonde zijn om onderwijsmensen vroeger met pensioen te sturen. Er is nu al een tekort aan leerkrachten. Bovendien willen velen onder hen zelf langer werken: jaar na jaar zijn er meer mensen die gebruikmaken van de mogelijkheid om na hun pensioen te blijven lesgeven. Nu kan ik begrijpen dat oudere leerkrachten het te zwaar vinden om nog voltijds voor de klas te staan, maar dan kunnen ze nog altijd op een andere manier worden ingeschakeld. Consuegra: Scholen moeten hun mensen inderdaad op de best mogelijke plek inzetten. Maar jonge leerkrachten begeleiden is niet per definitie een taak voor oudere collega's. Er zijn ook jonge mensen die alles in huis hebben om een goede mentor te zijn. Eind vorig schooljaar zei Vlaams minister-president Geert Bourgeois (N-VA) in De zevende dag dat hij zich zorgen maakt over de kwaliteit van ons onderwijs. Terecht? De Witte: In internationale rankings scoren we nog altijd goed, maar het klopt dat het de verkeerde richting uit gaat. Uit het PISA-onderzoek van de OESO blijkt bijvoorbeeld dat de groep die excellent scoort kleiner wordt, terwijl er steeds meer jongeren zijn die alleen nog het basisniveau behalen. Dat is toch wel verontrustend. Bourgeois wijt die achteruitgang aan het feit dat er te veel aandacht naar het welbevinden van leerlingen zou gaan en te weinig naar hun schoolse prestaties. Consuegra: Dat is veel te kort door de bocht. Er is steeds meer wetenschappelijk bewijs voor het feit dat ook het relationele aspect heel belangrijk is. Niet alleen voor het welbevinden van leerlingen, maar ook om ervoor te zorgen dat ze zo goed mogelijk leren. De Witte: Het welzijn van een leerling en zijn relatie met de leerkrachten is inderdaad cruciaal. Maar in sommige scholen is de slinger toch wat te ver doorgeslagen. Consuegra: Er zijn evengoed scholen waar de slinger naar de andere kant doorslaat en er alleen naar de prestaties en testscores wordt gekeken. Hoe dan ook is de aandacht voor welbevinden niet de oorzaak van de achteruitgang van ons onderwijs. Die moeten we veeleer zoeken in de immense diversiteit waarmee scholen en leerkrachten tegenwoordig worden geconfronteerd. In een en dezelfde klas zitten vaak leerlingen die een beperking hebben, een andere thuistaal spreken, in armoede leven en een andere culturele achtergrond hebben. Dat is een enorme uitdaging waar we tot op vandaag geen antwoord op hebben gevonden. Het gevolg is een grote kloof tussen leerlingen die thuis Nederlands spreken en anderstalige leeftijdgenoten, maar evengoed tussen kinderen van hoogopgeleide en lager opgeleide ouders. De Witte: Als we de achteruitgang van ons onderwijs willen stoppen, zullen we iets aan die ongelijkheid moeten doen. We moeten proberen om zo veel mogelijk uit álle leerlingen te halen, en dat kan alleen met een minder segregerend systeem. Er moet een radicale hervorming van het secundair onderwijs komen. Tot op het bot. Hebben we niet net een hervorming gehad? De Witte: Ja, en die ging in de juiste richting. In domeinscholen die kinderen niet langer in het hokje van het aso, kso, tso of bso stoppen, kan elke leerling alle kansen krijgen. Ongeacht zijn afkomst of achtergrond. Jammer genoeg heeft een politiek compromis ervoor gezorgd dat scholen mogen kiezen of ze zo'n transformatie ondergaan of alles bij het oude laten. Daarom begrijp ik niet dat de Vlaamse minister-president nu over de kwaliteit van ons onderwijs klaagt. Zijn regering heeft de kans laten schieten om er iets aan te doen. Nu kunnen we alleen maar hopen dat het gros van de scholen de kans om een domeinschool te worden met beide handen grijpt. Afgelopen zomer legde de Vlaamse regering de nieuwe eindtermen voor de eerste graad van het secundair onderwijs vast. Verandert er veel? Consuegra: Opvallend is dat de eindtermen niet meer aan vakken zijn gekoppeld, maar aan zogenaamde sleutelcompetenties. Dat is behoorlijk innovatief. Daarnaast zijn ze ook erg ambitieus. Op zich is dat natuurlijk goed, maar voor de leerkrachten is het niet evident om ze al tegen volgend schooljaar naar de praktijk te vertalen. De Witte: Dat financiële educatie nu in de eindtermen staat, is nogal revolutionair. Jongeren zullen moeten leren waarom we belastingen betalen, maar bijvoorbeeld ook hoe ze met betaalmiddelen moeten omgaan. Die nieuwe eindtermen voor de eerste graad moeten in de toekomst nog worden doorgetrokken naar de tweede en derde graad zodat jongeren optimaal worden voorbereid op de snel veranderende maatschappij. Veel competenties mogen zowel in een apart vak als in verschillende vakken worden gegeven. Een goede zaak? De Witte: Dat denk ik wel. Door zo'n onderwerp in verschillende vakken te integreren, zien leerlingen sneller in hoe relevant de leerstof is. Financiële educatie kan bijvoorbeeld in een apart vak worden gegoten, maar kan ook aan bod komen in wiskunde, geschiedenis en aardrijkskunde. Consuegra: Zo'n aanpak is een leerproces. Het is niet omdat de nieuwe eindtermen zijn goedgekeurd dat iedereen vanaf volgend schooljaar helemaal geïntegreerd zal werken. Zullen aparte schoolvakken op termijn helemaal verdwijnen? De Witte: Her en der wordt daar vandaag al mee geëxperimenteerd, maar het is natuurlijk een heel andere manier van werken dan we gewoon zijn. Bovendien zul je altijd rekening moeten blijven houden met de competenties van leerkrachten. Een leraar economie kan niet zomaar aardrijkskunde geven. Consuegra: Die vakinhoudelijke specialisatie van leerkrachten is inderdaad erg belangrijk en zal dat ook blijven. Misschien is een van de redenen waarom ons onderwijs achteruitgaat wel dat we te gemakkelijk toestaan dat iemand een vak geeft waarin hij niet is gespecialiseerd. Project Algemene Vakken (PAV), het vak waarin leerlingen uit het bso onder meer basisgeletterdheid qua taal en wiskunde meekrijgen, mag bijvoorbeeld door elke leerkracht worden gegeven. Totaal absurd. Alsof iemand die geschiedenis heeft gestudeerd, vanzelf in staat is om jongeren de regel van drie bij te brengen. De Witte: Vandaag zijn er ook veel economen die wiskunde geven zonder daar altijd de juiste kennis voor te hebben. Daarom willen we de hervorming van de lerarenopleiding aangrijpen om ook economen voldoende bagage op het vlak van wiskunde mee te geven. Een alternatief is dat verschillende leerkrachten worden ingezet om geïntegreerd les te geven. Zo zouden een econoom en een wiskundeleraar samen financiële educatie kunnen onderwijzen. Consuegra: Een duwtje in de rug kan daarbij helpen. Als een directie vakken als biologie, chemie en fysica in één STEM-vak laat opgaan in plaats van ze apart in te roosteren, moeten leerkrachten wel samenwerken. Soms moeten de structuren veranderen om de mensen op het terrein in beweging te krijgen. Ook als dat aanvankelijk weerstand oproept.