Grimbert, de das, als gewiekste advocaat

'Ysengrijn, heb jij gehoord, hoe 't oude spreekwoord gaat? Vijands praat is valse praat!' Aan het woord is de das Grimbert, die zijn neef, de Vos Reynaert, bij het Hof van Koning Nobel probeert te verdedigen tegen de beschuldigingen van de wolf Ysengrijn. Het vormt allicht de eerste illustratie van een das - de grootste marterachtige uit onze regio's - die in rechte verschijnt. In het Middeleeuwse dierenepos Van de Vos Reynaerde, dat tot op vandaag geldt als een onbetwist hoogtepunt in de Middelnederlandse literatuur, werd Grimbert vaak weggezet als een inherente goedzak. Iemand die het opnam voor zijn weinig fortuinlijke neef, de vos.

Het was professor Jef Janssens, een expert in de Middelnederlandse literatuur, die deze mythe doorprikte. Hij omschreef de das als een 'gewiekste advocaat', die Reynaert middels een sluw en manipulatief pleidooi alsnog wou vrijpleiten van alle misdrijven die hem ten laste worden gelegd.

Kan een mishandelde das schadevergoeding claimen bij de rechtbank?

Van de Vos Reynaerde bulkt in elk geval van het antropomorfisme. De gedragingen van de dieren gelden als ironisch spiegelbeeld voor de onvolmaakte mens. De rollen lijken wel omgekeerd. De Middeleeuwse standenmaatschappij moest het zwaar ontgelden: koningen waren zwakke, papieren tijgers, de priesters leken het niet al te nauw te nemen met het celibaat, huwelijkstrouw bleek erg relatief en ook het volk werd afgeschilderd als een redeloze massa. De dieren treden op als advocaat en koning, terwijl de mensen als domme, instinctieve en redeloze wezens worden afgeschilderd.

Ondertussen zijn we zeven eeuwen verder. Als blijkt dat de berichten omtrent de mishandelde das effectief kloppen, dan vormen deze de zoveelste illustratie van de terechte observaties van de anonieme auteur Willem die Madoc maecte. Vijf eeuwen Verlichting - het tijdperk waarin de Rede en Wetenschap (beide met hoofdletter) zegevierden - zijn er voorlopig nog niet in geslaagd de destructieve instincten bij de mens volledig uit te gommen. Tenzij we zouden aannemen dat net het vermogen om doelbewust pijn te veroorzaken bij soortgenoten en andere diersoorten ons net exceptioneel maakt ten overstaan van andere dieren. Het vermogen tot wraak en wreedheid als ultieme illustratie van het menselijke exceptionalisme. Een weinig bemoedigende gedachte.

Komt een varken bij de rechter

Van de Vos Reynaerde inspireert in deze ook om een andere reden. Dieren die voor het gerecht dienden te verschijnen, het was minder vergezocht dan gedacht. In de Late Middeleeuwen dienden dieren zich geregeld in rechte te verantwoorden voor de rechter voor hun gedrag. Vanaf de dertiende eeuw zijn in Europa immers tientallen gevallen bekend van zogenaamde 'dierenprocessen,' waarbij dieren rechtstreeks werden gedagvaard voor de rechtbank. Varkens, honden, ezels, ratten en zelfs sprinkhanen dienden hun handelen te verantwoorden.

Een varken mocht de spits afbijten in het Franse stadje Fontanay-aux-Roses in de dertiende eeuw. Hij werd door de monniken van een klooster ter dood veroordeeld voor het bijten van een kind. Een Franse jurist - Bartholomé Chassenée (1480-1541) maakte er zelfs zijn 'fonds de commerce' van: hij verdedigde geregeld dieren voor de rechtbank. Meest bekend is zijn optreden in een zogenaamd 'rattenproces' in Autun, waar hij pleitte voor ratten die waren aangeklaagd voor vraatzucht. Interessant genoeg bleek dat bij die processen een onderscheid werd gemaakt tussen twee benaderingen, waarbij zowel de aard van het misdrijf en het betrokken dier determinerende factoren waren. Voor huisdieren en vee bestond weinig clementie. Wanneer deze op fysiek geweld jegens de mens werden betrapt, moesten ze 'in persoon' verschijnen voor seculiere rechters. Het resulteerde vaak in de doodstraf. Bij louter economische schade door vaak niet-gedomesticeerd vee, zoals slakken, ratten kevers en sprinkhanen, richtte men de pijlen vaak in de kerkelijke rechtbank op de gehele diersoort. Het leidde vaak tot een symbolische banvloek.

Op heden zou het dier niet langer zelf voor de rechter worden gedaagd. De eigenaar van het dier is volgens het burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die het veroorzaakt. Vanuit onze 21e-eeuwse sofa blijft het dan ook verleidelijk om deze dierenprocessen in hetzelfde hokje te steken als heksenprocessen. Maar zo'n zelfgenoegzame reactie is misplaatst als we bijvoorbeeld kijken naar het groot aantal dieren dat in een slachthuis eindigt omwille van onze honger naar goedkoop en lekker vlees. Het is ook niet zo dat met de Verlichting de dierenprocessen meteen verdwenen.

Summa divisio

Nu dieren al eerder aansprakelijk zijn gesteld voor schade aan de mens, rijst de vraag of onze bijkomende kennis over de intelligentie en gevoeligheid van dieren op heden niet de omgekeerde situatie mogelijk maakt. Kunnen dieren, met gevoelens en vermogen om pijn te lijden, de veroorzaker van eventuele directe schade ook voor de rechtbank dagvaarden?

Gesteld dat onze onfortuinlijke das in leven was gebleven, had deze in rechte schade kunnen claimen voor de morele en materiële schade die hij ten gevolge van de dierenmishandeling had geleden?

Het antwoord op deze vraag luidt vooralsnog negatief binnen de bestaande Belgische rechtsorde. Het Belgische privaatrecht is namelijk gestoeld op de zogenaamde summa divisio tussen persoon en voorwerp. Tot voor kort werden dieren in ons burgerlijk recht exclusief benaderd als voorwerpen. Het waren loutere rechtsobjecten, zonder rechtspersoonlijkheid. Dat lijkt logisch: dieren kunnen hun gedachten niet naar de mens toe communiceren. Zij hebben géén vrije wil. Maar dat geldt evenzeer voor jonge kinderen, baby's en rechtsonbekwamen. Toch aanvaarden we dat hun belangen in rechte kunnen worden vertegenwoordigd door ouders of een voogd.

Laten we ons gedachtenexperiment verder zetten.

Waar het baasje van een door een dierenbeul toegetakelde hond op die manier misschien nog wel de vergoeding van eventuele medische kosten en ook - eventueel - morele schade zou kunnen proberen te verkrijgen bij de rechter, kan een hond zelf niet als benadeelde persoon schade claimen.

Nu is het wel zo dat dieren in het nieuw Burgerlijk Wetboek in een aparte categorie worden onderverdeeld, naast mensen en goederen. Daarmee wordt, naar buitenlands voorbeeld erkend dat ze ook gevoelens hebben.

Dieren zijn weliswaar nog steeds verhandelbaar, maar staan niet langer gelijk aan voorwerpen zoals kasten en deuren.

Niettemin blijft een hond eigendom van zijn baasje, waardoor deze hervorming op een eerste zicht weinig zoden aan de dijk lijkt te brengen van het persoonlijke standpunt van het toegetakelde dier.

Eva Bernet Kempers wees in een erg lezenswaardige bijdrage in het Tijdschrift voor Milieurecht nog op een interessant precedent uit Oregon, waar Animal Legal Defense Fund een zaak startte met als doel de vergoeding van de kosten van de pijn en lijden van een mishandeld paard door de voormalige eigenaar. De zaak werd echter afgewezen omdat het paard geen rechtspersoonlijkheid zou bezitten, waardoor het niet als slachtoffer een schadevergoedingseis zou kunnen indienen. Ook in België zou zo'n rechtsvordering weinig kans maken.

Onze das - een wild dier - heeft echter nog een bijkomend karakteristiek: hij heeft in se géén eigenaar. Het gaat naar bestaand recht immers om een res nullius of res communis die - zolang het niet in bezit wordt genomen - aan niemand kan toebehoren. Toch stelde de vzw Vogelbescherming zich meteen burgerlijke partij in de zaak omtrent de das. Kan deze vzw dan optreden als voogd voor de das en ook schade claimen namens de diersoort voor de geleden schade?

Het antwoord op deze nieuwe vraag is genuanceerd: ja en neen. Vroeger was het Hof van Cassatie categoriek: milieuverenigingen hadden géén persoonlijk belang in milieuzaken, tenzij deze handelden over schadelijke ingrepen in gebieden die ze zelf in eigendom of beheer hadden. Enkel in dat geval was sprake van persoonlijke schade. In 2013 heeft het Hof van Cassatie zichzelf echter gecorrigeerd: milieuverenigingen worden nu geacht een belang te hebben in zaken waar de natuur wordt vernietigd. Het Hof verwees hierbij naar een internationaal verdrag - het Verdrag van Aarhus (1998) - dat effectieve rechtsbescherming voor milieuverenigingen vooronderstelt in milieuzaken. Die rechtspraak bevestigt dat natuurverenigingen bij overtredingen van milieuwetgeving de geleden morele schade vergoed kunnen zien. Zo gebeurt het als maar vaker dat milieuverenigingen één euro morele schadevergoeding krijgen als burgerlijke partij bij inbreuken op natuur- en dierenwelzijnswetgeving.

In 2016 heeft het Grondwettelijk Hof bovendien geoordeeld dat rechtbanken zich niet kunnen beperken tot een symbolische vergoeding van één euro. In die zich lijkt het Grondwettelijk Hof deels de deur te openen voor milieuverenigingen om duizenden euro's schadevergoeding te verkrijgen wanneer vogels worden vergift, moerassen worden gedraineerd of bossen worden gekapt. Er zijn al precedenten waarin de vzw Vogelbescherming per gedode vogel een forfaitaire (morele) schadevergoeding kreeg toegewezen.

Milieuverenigingen als voogd?

Toch stipte het Grondwettelijk Hof aan dat deze morele schadevergoeding niet volledig samenvalt met de werkelijke ecologische schade die aan de natuur wordt toegebracht. Dat zou ook niet mogelijk zijn, het is de algehele maatschappij die hier is benadeeld. Het gaat om zogenaamde 'niet-toegeëigende' milieubestanddelen.

Met andere woorden, milieuverenigingen kunnen schadeclaims namens een doodgeknuppelde das indienen, maar die zullen dan wel gestoeld moeten zijn op de schade die de handelingen veroorzaken aan hun statutaire doelstellingen. De vordering is dus enkel ontvankelijk mits ze kadert in de statutaire doelstellingen van de vzw.

Expliciet schadevergoeding claimen voor het lijden van de das zelf, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij het overlijden van een mens, blijkt niet mogelijk. Bij mensen kunnen nabestaanden ook zogenaamde 'schade ex haerede' eisen, die het geheel van de morele en materiële schade die veroorzaakt werd aan het slachtoffer tussen het ongeval en het tijdstip van het overlijden omvat. Daarbij gaat zelf specifieke aandacht naar situaties waarin het slachtoffer zich bewust was van zijn of haar nakende overlijden.

Deze schadepost kan vooralsnog niet rechtstreeks worden vergoed bij mishandelde dieren.

Maar laten we creatief zijn.

Uiteraard zou de toevallige voorbijganger - die naar eigen woorden getuige was van de mishandeling van de das - ook een schadeclaim kunnen instellen voor de eventueel geleden morele schadevergoeding. Indien hij of zij een natuurliefhebber is, zal hij die eis nog meer kracht kunnen bijzetten. Ook het natuuropvangcentrum zou kunnen proberen de kosten voor het redden van de das proberen te recupereren.

Maar daar stopt het dan.

Gesteld dat de das nog zou leven, blijft uitgesloten dat een gewone burger namens een das een schadeclaim zou kunnen indienen ter vergoeding van de geleden schade.

Op dit punt was het Grondwettelijk Hof in 2016 erg categoriek: no can do.

Het is hier dat het gebrek aan regeling rond de vergoeding van milieuschade in ons (nochtans recent vernieuwde) Burgerlijk Wetboek zich wreekt. Het kan ook anders. In Frankrijk heeft men na enkele progressieve uitspraken van het Franse Hof van Cassatie omtrent olieverontreiniging door scheepsrampen, expliciet voorzien dat ecologische schade wel integraal moet worden vergoed. Het Frans burgerlijk recht geeft aan de Franse staat, milieuverenigingen en ook lokale besturen, de mogelijkheid om schadeclaims voor milieuschade in te stellen. Bij milieuschade moet dit bij voorkeur in natura gebeuren. De ecosystemen en wilde dieren zijn hiervan dan ook de primaire begunstigde.

Intrinsieke rechten voor de das?

Vanuit rechtstheoretisch oogpunt rijst de interessante vraag of men in Frankrijk niet en stoemelings de natuur tot rechtspersoon heeft verheven. Want kan men schade claimen namens een niet-persoon? Is slachtofferschap mogelijk voor rechtsobjecten? Zou het in Frankrijk niet mogelijk zijn om per direct schade te claimen namens de das zelf?

Vooralsnog voorziet ons recent hervormde Burgerlijk Wetboek die mogelijkheid niet. En blijft de das dus in zekere zin een juridische wees.

Toch dient zich nog een tweede piste aan. Het Soortenbesluit stelt het doden van een das expliciet verboden, behoudens wanneer een bijzondere derogatie is bekomen. De Amerikaanse rechtsgeleerde Wesley Newcomb Hohfeld (1879-1918) benaderde in het begin van de 20e eeuw het concept 'recht' binnen een relationele context. 'Rechten' als de tegenhanger van 'verplichtingen'. Er bestaat binnen het huidige recht een expliciete verplichting om géén dassen te doden of te verstoren, terwijl de dierenwelzijnswetgeving de algemene verplichting bevat om dieren - behoudens wanneer expliciet toegestaan - niet te onderwerpen aan pijn of verminking. Kunnen die dieren dan ook geen 'recht' claimen om niet zomaar te worden gedood? Of geldt deze benadering van 'recht' enkel tussen mensen?

Het is op zich niet vergezocht te claimen dat dassen binnen onze bestaande rechtsorde reeds beperkte rechten, zoals een recht op leven, bezitten. Een eerdere uitspraak van het Antwerpse Hof van Beroep ging al in die zin, terwijl in de Verenigde Staten enkele minder bekende precedenten voorliggen waar rechters aanvaardden dat men rechtstreeks, namens een strikt beschermde soort, naar de rechtbank kan stappen, bijvoorbeeld bij de vernietiging van het habitat van die soort.

Dat het Soortenbesluit dassen niet expliciet rechtspersoonlijkheid geeft, kan een blijvende sta-in-de-weg zijn voor progressievere schadeclaims namens mishandelde dieren. Of men moet al argumenteren dat strikte bescherming de facto inhoudt dat de intrinsieke waarde van bedreigde soorten op indirecte wijze erkend wordt.

Nu het hervormde Burgerlijk Wetboek erkent dat dieren wezens met gevoelens zijn, kan men zich ook de vraag stellen wat de relevantie hiervan is als die gevoelens niet ook een rol kunnen spelen bij eventuele schadeclaims. De combinatie van beide instrumenten lijkt krachtig genoeg om de zwart-wit tegenstelling tussen dieren met rechtspersoonlijkheid (de mens) en dieren zonder rechtspersoonlijkheid (alle andere dieren) te overstijgen.

Recht als onvolkomen taal?

Wellicht had Willem die Madoc maecte een werkelijk proces namens een verminkte das niet in het achterhoofd bij het schrijven van zijn dierenepos.

Maar er valt nog een diepere betekenislaag te ontdekken in het manipulatieve pleidooi van Grimbert de das namens zijn sluwe vossenneef. Door een verdraaiing van de feiten, praten de das en de vos recht wat krom is.

Jef Janssens besluit zijn analyse van het pleidooi van Grimbert de das met de volgende treffende observaties: 'Via taalmisbruik verwordt de mens tot een beest.... En dat is wellicht de opperste ironie van het werk: dieren die in werkelijkheid niet kunnen spreken, laten in Van den vos Reynaerde horen hoe mensen, wel met taal en rede begiftigd, zich maar al te vaak als dieren gedragen'.

En wat is recht anders dan een taal om de werkelijkheid te structureren? Valt in het klassieke recht ook niet heel wat wreedheid ten overstaan van niet-menselijke dieren terug te vinden? Het was de Ierse poëet William Butler Yeats die in zijn gedicht 'Sailing to Byzantium' (1928) het menselijk hart omschreef als 'vastgeketend aan een stervend dier en van verlangen ziek'.

Zolang we gevangen blijven in een dierlijk lichaam, lijkt het zinvol om juridisch systeem af te stemmen op de interdependentie met andere soorten en deze ook een plaats te geven in ons rechtssysteem. Ook dassen hebben namelijk gevoelens en kunnen pijn lijden. Waarom dit niet eenvoudigweg aanvaarden in plaats van de omweg van morele schadeclaims namens milieuverenigingen te moeten gebruiken?

'Ysengrijn, heb jij gehoord, hoe 't oude spreekwoord gaat? Vijands praat is valse praat!' Aan het woord is de das Grimbert, die zijn neef, de Vos Reynaert, bij het Hof van Koning Nobel probeert te verdedigen tegen de beschuldigingen van de wolf Ysengrijn. Het vormt allicht de eerste illustratie van een das - de grootste marterachtige uit onze regio's - die in rechte verschijnt. In het Middeleeuwse dierenepos Van de Vos Reynaerde, dat tot op vandaag geldt als een onbetwist hoogtepunt in de Middelnederlandse literatuur, werd Grimbert vaak weggezet als een inherente goedzak. Iemand die het opnam voor zijn weinig fortuinlijke neef, de vos. Het was professor Jef Janssens, een expert in de Middelnederlandse literatuur, die deze mythe doorprikte. Hij omschreef de das als een 'gewiekste advocaat', die Reynaert middels een sluw en manipulatief pleidooi alsnog wou vrijpleiten van alle misdrijven die hem ten laste worden gelegd. Van de Vos Reynaerde bulkt in elk geval van het antropomorfisme. De gedragingen van de dieren gelden als ironisch spiegelbeeld voor de onvolmaakte mens. De rollen lijken wel omgekeerd. De Middeleeuwse standenmaatschappij moest het zwaar ontgelden: koningen waren zwakke, papieren tijgers, de priesters leken het niet al te nauw te nemen met het celibaat, huwelijkstrouw bleek erg relatief en ook het volk werd afgeschilderd als een redeloze massa. De dieren treden op als advocaat en koning, terwijl de mensen als domme, instinctieve en redeloze wezens worden afgeschilderd. Ondertussen zijn we zeven eeuwen verder. Als blijkt dat de berichten omtrent de mishandelde das effectief kloppen, dan vormen deze de zoveelste illustratie van de terechte observaties van de anonieme auteur Willem die Madoc maecte. Vijf eeuwen Verlichting - het tijdperk waarin de Rede en Wetenschap (beide met hoofdletter) zegevierden - zijn er voorlopig nog niet in geslaagd de destructieve instincten bij de mens volledig uit te gommen. Tenzij we zouden aannemen dat net het vermogen om doelbewust pijn te veroorzaken bij soortgenoten en andere diersoorten ons net exceptioneel maakt ten overstaan van andere dieren. Het vermogen tot wraak en wreedheid als ultieme illustratie van het menselijke exceptionalisme. Een weinig bemoedigende gedachte.Van de Vos Reynaerde inspireert in deze ook om een andere reden. Dieren die voor het gerecht dienden te verschijnen, het was minder vergezocht dan gedacht. In de Late Middeleeuwen dienden dieren zich geregeld in rechte te verantwoorden voor de rechter voor hun gedrag. Vanaf de dertiende eeuw zijn in Europa immers tientallen gevallen bekend van zogenaamde 'dierenprocessen,' waarbij dieren rechtstreeks werden gedagvaard voor de rechtbank. Varkens, honden, ezels, ratten en zelfs sprinkhanen dienden hun handelen te verantwoorden. Een varken mocht de spits afbijten in het Franse stadje Fontanay-aux-Roses in de dertiende eeuw. Hij werd door de monniken van een klooster ter dood veroordeeld voor het bijten van een kind. Een Franse jurist - Bartholomé Chassenée (1480-1541) maakte er zelfs zijn 'fonds de commerce' van: hij verdedigde geregeld dieren voor de rechtbank. Meest bekend is zijn optreden in een zogenaamd 'rattenproces' in Autun, waar hij pleitte voor ratten die waren aangeklaagd voor vraatzucht. Interessant genoeg bleek dat bij die processen een onderscheid werd gemaakt tussen twee benaderingen, waarbij zowel de aard van het misdrijf en het betrokken dier determinerende factoren waren. Voor huisdieren en vee bestond weinig clementie. Wanneer deze op fysiek geweld jegens de mens werden betrapt, moesten ze 'in persoon' verschijnen voor seculiere rechters. Het resulteerde vaak in de doodstraf. Bij louter economische schade door vaak niet-gedomesticeerd vee, zoals slakken, ratten kevers en sprinkhanen, richtte men de pijlen vaak in de kerkelijke rechtbank op de gehele diersoort. Het leidde vaak tot een symbolische banvloek.Op heden zou het dier niet langer zelf voor de rechter worden gedaagd. De eigenaar van het dier is volgens het burgerlijk recht aansprakelijk voor de schade die het veroorzaakt. Vanuit onze 21e-eeuwse sofa blijft het dan ook verleidelijk om deze dierenprocessen in hetzelfde hokje te steken als heksenprocessen. Maar zo'n zelfgenoegzame reactie is misplaatst als we bijvoorbeeld kijken naar het groot aantal dieren dat in een slachthuis eindigt omwille van onze honger naar goedkoop en lekker vlees. Het is ook niet zo dat met de Verlichting de dierenprocessen meteen verdwenen. Nu dieren al eerder aansprakelijk zijn gesteld voor schade aan de mens, rijst de vraag of onze bijkomende kennis over de intelligentie en gevoeligheid van dieren op heden niet de omgekeerde situatie mogelijk maakt. Kunnen dieren, met gevoelens en vermogen om pijn te lijden, de veroorzaker van eventuele directe schade ook voor de rechtbank dagvaarden? Gesteld dat onze onfortuinlijke das in leven was gebleven, had deze in rechte schade kunnen claimen voor de morele en materiële schade die hij ten gevolge van de dierenmishandeling had geleden? Het antwoord op deze vraag luidt vooralsnog negatief binnen de bestaande Belgische rechtsorde. Het Belgische privaatrecht is namelijk gestoeld op de zogenaamde summa divisio tussen persoon en voorwerp. Tot voor kort werden dieren in ons burgerlijk recht exclusief benaderd als voorwerpen. Het waren loutere rechtsobjecten, zonder rechtspersoonlijkheid. Dat lijkt logisch: dieren kunnen hun gedachten niet naar de mens toe communiceren. Zij hebben géén vrije wil. Maar dat geldt evenzeer voor jonge kinderen, baby's en rechtsonbekwamen. Toch aanvaarden we dat hun belangen in rechte kunnen worden vertegenwoordigd door ouders of een voogd. Laten we ons gedachtenexperiment verder zetten. Waar het baasje van een door een dierenbeul toegetakelde hond op die manier misschien nog wel de vergoeding van eventuele medische kosten en ook - eventueel - morele schade zou kunnen proberen te verkrijgen bij de rechter, kan een hond zelf niet als benadeelde persoon schade claimen. Nu is het wel zo dat dieren in het nieuw Burgerlijk Wetboek in een aparte categorie worden onderverdeeld, naast mensen en goederen. Daarmee wordt, naar buitenlands voorbeeld erkend dat ze ook gevoelens hebben. Dieren zijn weliswaar nog steeds verhandelbaar, maar staan niet langer gelijk aan voorwerpen zoals kasten en deuren. Niettemin blijft een hond eigendom van zijn baasje, waardoor deze hervorming op een eerste zicht weinig zoden aan de dijk lijkt te brengen van het persoonlijke standpunt van het toegetakelde dier. Eva Bernet Kempers wees in een erg lezenswaardige bijdrage in het Tijdschrift voor Milieurecht nog op een interessant precedent uit Oregon, waar Animal Legal Defense Fund een zaak startte met als doel de vergoeding van de kosten van de pijn en lijden van een mishandeld paard door de voormalige eigenaar. De zaak werd echter afgewezen omdat het paard geen rechtspersoonlijkheid zou bezitten, waardoor het niet als slachtoffer een schadevergoedingseis zou kunnen indienen. Ook in België zou zo'n rechtsvordering weinig kans maken.Onze das - een wild dier - heeft echter nog een bijkomend karakteristiek: hij heeft in se géén eigenaar. Het gaat naar bestaand recht immers om een res nullius of res communis die - zolang het niet in bezit wordt genomen - aan niemand kan toebehoren. Toch stelde de vzw Vogelbescherming zich meteen burgerlijke partij in de zaak omtrent de das. Kan deze vzw dan optreden als voogd voor de das en ook schade claimen namens de diersoort voor de geleden schade? Het antwoord op deze nieuwe vraag is genuanceerd: ja en neen. Vroeger was het Hof van Cassatie categoriek: milieuverenigingen hadden géén persoonlijk belang in milieuzaken, tenzij deze handelden over schadelijke ingrepen in gebieden die ze zelf in eigendom of beheer hadden. Enkel in dat geval was sprake van persoonlijke schade. In 2013 heeft het Hof van Cassatie zichzelf echter gecorrigeerd: milieuverenigingen worden nu geacht een belang te hebben in zaken waar de natuur wordt vernietigd. Het Hof verwees hierbij naar een internationaal verdrag - het Verdrag van Aarhus (1998) - dat effectieve rechtsbescherming voor milieuverenigingen vooronderstelt in milieuzaken. Die rechtspraak bevestigt dat natuurverenigingen bij overtredingen van milieuwetgeving de geleden morele schade vergoed kunnen zien. Zo gebeurt het als maar vaker dat milieuverenigingen één euro morele schadevergoeding krijgen als burgerlijke partij bij inbreuken op natuur- en dierenwelzijnswetgeving. In 2016 heeft het Grondwettelijk Hof bovendien geoordeeld dat rechtbanken zich niet kunnen beperken tot een symbolische vergoeding van één euro. In die zich lijkt het Grondwettelijk Hof deels de deur te openen voor milieuverenigingen om duizenden euro's schadevergoeding te verkrijgen wanneer vogels worden vergift, moerassen worden gedraineerd of bossen worden gekapt. Er zijn al precedenten waarin de vzw Vogelbescherming per gedode vogel een forfaitaire (morele) schadevergoeding kreeg toegewezen.Toch stipte het Grondwettelijk Hof aan dat deze morele schadevergoeding niet volledig samenvalt met de werkelijke ecologische schade die aan de natuur wordt toegebracht. Dat zou ook niet mogelijk zijn, het is de algehele maatschappij die hier is benadeeld. Het gaat om zogenaamde 'niet-toegeëigende' milieubestanddelen. Met andere woorden, milieuverenigingen kunnen schadeclaims namens een doodgeknuppelde das indienen, maar die zullen dan wel gestoeld moeten zijn op de schade die de handelingen veroorzaken aan hun statutaire doelstellingen. De vordering is dus enkel ontvankelijk mits ze kadert in de statutaire doelstellingen van de vzw.Expliciet schadevergoeding claimen voor het lijden van de das zelf, zoals dat bijvoorbeeld wel het geval is bij het overlijden van een mens, blijkt niet mogelijk. Bij mensen kunnen nabestaanden ook zogenaamde 'schade ex haerede' eisen, die het geheel van de morele en materiële schade die veroorzaakt werd aan het slachtoffer tussen het ongeval en het tijdstip van het overlijden omvat. Daarbij gaat zelf specifieke aandacht naar situaties waarin het slachtoffer zich bewust was van zijn of haar nakende overlijden. Deze schadepost kan vooralsnog niet rechtstreeks worden vergoed bij mishandelde dieren.Maar laten we creatief zijn. Uiteraard zou de toevallige voorbijganger - die naar eigen woorden getuige was van de mishandeling van de das - ook een schadeclaim kunnen instellen voor de eventueel geleden morele schadevergoeding. Indien hij of zij een natuurliefhebber is, zal hij die eis nog meer kracht kunnen bijzetten. Ook het natuuropvangcentrum zou kunnen proberen de kosten voor het redden van de das proberen te recupereren. Maar daar stopt het dan. Gesteld dat de das nog zou leven, blijft uitgesloten dat een gewone burger namens een das een schadeclaim zou kunnen indienen ter vergoeding van de geleden schade. Op dit punt was het Grondwettelijk Hof in 2016 erg categoriek: no can do. Het is hier dat het gebrek aan regeling rond de vergoeding van milieuschade in ons (nochtans recent vernieuwde) Burgerlijk Wetboek zich wreekt. Het kan ook anders. In Frankrijk heeft men na enkele progressieve uitspraken van het Franse Hof van Cassatie omtrent olieverontreiniging door scheepsrampen, expliciet voorzien dat ecologische schade wel integraal moet worden vergoed. Het Frans burgerlijk recht geeft aan de Franse staat, milieuverenigingen en ook lokale besturen, de mogelijkheid om schadeclaims voor milieuschade in te stellen. Bij milieuschade moet dit bij voorkeur in natura gebeuren. De ecosystemen en wilde dieren zijn hiervan dan ook de primaire begunstigde.Vanuit rechtstheoretisch oogpunt rijst de interessante vraag of men in Frankrijk niet en stoemelings de natuur tot rechtspersoon heeft verheven. Want kan men schade claimen namens een niet-persoon? Is slachtofferschap mogelijk voor rechtsobjecten? Zou het in Frankrijk niet mogelijk zijn om per direct schade te claimen namens de das zelf?Vooralsnog voorziet ons recent hervormde Burgerlijk Wetboek die mogelijkheid niet. En blijft de das dus in zekere zin een juridische wees. Toch dient zich nog een tweede piste aan. Het Soortenbesluit stelt het doden van een das expliciet verboden, behoudens wanneer een bijzondere derogatie is bekomen. De Amerikaanse rechtsgeleerde Wesley Newcomb Hohfeld (1879-1918) benaderde in het begin van de 20e eeuw het concept 'recht' binnen een relationele context. 'Rechten' als de tegenhanger van 'verplichtingen'. Er bestaat binnen het huidige recht een expliciete verplichting om géén dassen te doden of te verstoren, terwijl de dierenwelzijnswetgeving de algemene verplichting bevat om dieren - behoudens wanneer expliciet toegestaan - niet te onderwerpen aan pijn of verminking. Kunnen die dieren dan ook geen 'recht' claimen om niet zomaar te worden gedood? Of geldt deze benadering van 'recht' enkel tussen mensen? Het is op zich niet vergezocht te claimen dat dassen binnen onze bestaande rechtsorde reeds beperkte rechten, zoals een recht op leven, bezitten. Een eerdere uitspraak van het Antwerpse Hof van Beroep ging al in die zin, terwijl in de Verenigde Staten enkele minder bekende precedenten voorliggen waar rechters aanvaardden dat men rechtstreeks, namens een strikt beschermde soort, naar de rechtbank kan stappen, bijvoorbeeld bij de vernietiging van het habitat van die soort. Dat het Soortenbesluit dassen niet expliciet rechtspersoonlijkheid geeft, kan een blijvende sta-in-de-weg zijn voor progressievere schadeclaims namens mishandelde dieren. Of men moet al argumenteren dat strikte bescherming de facto inhoudt dat de intrinsieke waarde van bedreigde soorten op indirecte wijze erkend wordt. Nu het hervormde Burgerlijk Wetboek erkent dat dieren wezens met gevoelens zijn, kan men zich ook de vraag stellen wat de relevantie hiervan is als die gevoelens niet ook een rol kunnen spelen bij eventuele schadeclaims. De combinatie van beide instrumenten lijkt krachtig genoeg om de zwart-wit tegenstelling tussen dieren met rechtspersoonlijkheid (de mens) en dieren zonder rechtspersoonlijkheid (alle andere dieren) te overstijgen. Wellicht had Willem die Madoc maecte een werkelijk proces namens een verminkte das niet in het achterhoofd bij het schrijven van zijn dierenepos. Maar er valt nog een diepere betekenislaag te ontdekken in het manipulatieve pleidooi van Grimbert de das namens zijn sluwe vossenneef. Door een verdraaiing van de feiten, praten de das en de vos recht wat krom is.Jef Janssens besluit zijn analyse van het pleidooi van Grimbert de das met de volgende treffende observaties: 'Via taalmisbruik verwordt de mens tot een beest.... En dat is wellicht de opperste ironie van het werk: dieren die in werkelijkheid niet kunnen spreken, laten in Van den vos Reynaerde horen hoe mensen, wel met taal en rede begiftigd, zich maar al te vaak als dieren gedragen'. En wat is recht anders dan een taal om de werkelijkheid te structureren? Valt in het klassieke recht ook niet heel wat wreedheid ten overstaan van niet-menselijke dieren terug te vinden? Het was de Ierse poëet William Butler Yeats die in zijn gedicht 'Sailing to Byzantium' (1928) het menselijk hart omschreef als 'vastgeketend aan een stervend dier en van verlangen ziek'.Zolang we gevangen blijven in een dierlijk lichaam, lijkt het zinvol om juridisch systeem af te stemmen op de interdependentie met andere soorten en deze ook een plaats te geven in ons rechtssysteem. Ook dassen hebben namelijk gevoelens en kunnen pijn lijden. Waarom dit niet eenvoudigweg aanvaarden in plaats van de omweg van morele schadeclaims namens milieuverenigingen te moeten gebruiken?