In 2011 vonden archeologen aan de Rode Zee, net buiten de stadswallen van de historische havenstad Berenice uit het Oude Egypte, een site met honderden skeletten van vooral katten, maar ook wat honden en apen. In het vakblad World Archaeology presenteren ze de resultaten van het onderzoek van bijna 600 skeletten. De hoofdconclusie was dat het waarschijnlijk om een huisdierenkerkhof ging. Omdat de site bijna 2000 jaar oud is, zou het meteen het oudste bekende huisdierenkerkhof in de geschiedenis van de mensheid zijn.
...

In 2011 vonden archeologen aan de Rode Zee, net buiten de stadswallen van de historische havenstad Berenice uit het Oude Egypte, een site met honderden skeletten van vooral katten, maar ook wat honden en apen. In het vakblad World Archaeology presenteren ze de resultaten van het onderzoek van bijna 600 skeletten. De hoofdconclusie was dat het waarschijnlijk om een huisdierenkerkhof ging. Omdat de site bijna 2000 jaar oud is, zou het meteen het oudste bekende huisdierenkerkhof in de geschiedenis van de mensheid zijn. Bijzonder is dat veel van de begraven dieren ornamenten droegen, zoals gekleurde halsbanden. Eén dier was begraven op een grote vogelvleugel. Sommige van de schaarse hondenskeletten - katten maakten meer dan 90 procent van de vondsten uit - vertoonden sporen van hoge leeftijd of breuken, wat de ontdekkers tot de conclusie dreef dat het ging om dieren die door de mens geholpen werden. Huisdieren dus. Er moet toen al een sterke emotionele band tussen dieren en hun eigenaars hebben bestaan, die misschien niet verschilt van de relaties tussen mensen en huisdieren vandaag, luidt het in het verslag. Niet iedereen is het daarmee eens. Bioloog Wim Van Neer (Koninklijk Belgisch Instituut voor Natuurwetenschappen) wees er in een reactie in Science op dat katten in een havenstad ongetwijfeld een belangrijke functie hadden als opruimers van muizen en andere mee-eters van menselijke voorraden. Mogelijk werden ze dus vooral gezien en gekoesterd als nuttige gezellen van de mens. Van Neer werkte mee aan een publicatie van enkele jaren geleden in Nature Ecology and Evolution, waarin de historiek van de domesticatie van katten aan de hand van DNA-analysen in kaart werd gebracht. Er werd DNA gehaald uit fossiele beenderen van 200 katten die tussen de 100 en de 9000 jaar oud waren. De belangrijkste conclusies waren dat huiskatten afstammen van wilde katten uit het Nabije Oosten en Noord-Afrika, en dat ze vanaf 11.000 jaar geleden in het gezelschap van de eerste boeren werden gesignaleerd. Er zou echter geen actieve domesticatie in het spel zijn geweest. Wilde katten zouden zichzelf spontaan aangesloten hebben bij mensengemeenschappen, omdat ze veel knaagdieren vonden in de graan- en andere voorraden die de boeren opsloegen. De samenwerking zou een vorm van symbiose geweest zijn: een relatie met voordelen voor beide partijen. De meeste huiskatten leven dicht bij mensen, maar ze kunnen toch onafhankelijk overleven mocht dat nodig zijn - zie de talloze zwerfkatten in onze samenleving. De katten liepen aanvankelijk mee met migrerende prehistorische boeren, maar de voornaamste bron van verspreiding waren handelsschepen uit het Oude Egypte die katten meenamen naar alle hoeken van Europa. Later koloniseerden katten ook de rest van de wereld, vooral via de scheepvaart. De onderzochte historische kattenskeletten verschilden in niets van die van wilde katten. Zelfs vandaag is de gemiddelde huiskat genetisch nog altijd sterk verwant aan de wilde kat. Volgens een studie in Current Biology is het een misverstand dat huiskatten afstandelijk zijn en zich niet echt hechten aan hun 'baasjes'. Katten kunnen, net als honden, wel degelijk een 'diepe band' met mensen vormen, vooral ingegeven door een gevoel van grote veiligheid in een onzekere leefomgeving. Ongeveer twee derde van de huiskatten zou in dat gedragspatroon vallen. Er is veel wetenschappelijk en vooral maatschappelijk gedoe over de vraag in welke mate huiskatten schadelijk zijn voor populaties van prooidieren, zoals tuinvogels. Sommige onderzoekers wijzen erop dat de meeste huiskatten klassieke tuinvogels vangen, zoals mussen, merels en mezen, en dat die soorten het niet slecht doen, zodat de impact van de kat op hun bestand beperkt zou zijn. Anderen counteren met de boodschap dat tuinvogeltjes het goed doen omdat er steeds meer tuinen komen die steeds vogelvriendelijker worden ingericht, waardoor er meer mogelijkheden voor vogeltjes komen. Dat betekent volgens hen niet dat katten er geen substantieel effect op kunnen hebben. In die visie zouden er zonder katten dus nóg meer tuinvogels zijn. Er circuleren waanzinnige cijfers over hoeveel dieren katten vangen. Een analyse op basis van een extrapolatie van buitenlandse studies wees uit dat 2 miljoen Vlaamse katten elk jaar zo'n 55 miljoen vogels vangen. Dat lijkt veel, alleen weet niemand hoeveel vogels er in Vlaanderen passeren, dus is het moeilijk om het resultaat in een populatieperspectief te plaatsen. Een veelgeciteerde en nog meer bediscussieerde studie uit de Verenigde Staten, gepubliceerd in 2013 in Nature Communications, klokte af op een totaal van minstens 1,3 miljard (en mogelijk zelfs 4 miljard) vogels en minstens 6,3 miljard kleine zoogdieren (maximaal 22 miljard) die elk jaar in de VS door katten gedood worden. De auteurs van die studie voelden zich verplicht om jaren later in Biological Invasions een onderbouwde weerlegging te publiceren van de vele overwegend onwetenschappelijke kritieken van kattenliefhebbers op hun studie, die de gemoederen erg verhitte. De hallucinante cijfers suggereren dat katten de grootste rechtstreeks aan mensen gekoppelde bedreiging voor onze natuur zijn - onrechtstreekse bedreigingen zoals biotoopverlies en vervuiling wegen zeker zwaarder door. De auteurs omschreven huiskatten onomwonden als een 'invasieve soort', vooral omdat ze plaatselijk heel talrijk kunnen zijn voor een predator. Experts ramen het aantal huiskatten in de wereld op 373 miljoen. Hun impact op hun leefomgeving hangt uiteraard af van de omstandigheden. Op eilanden of in een land als Nieuw-Zeeland, waar oorspronkelijk geen landzoogdieren voorkwamen, kunnen door de mens meegebrachte katten een ravage aanrichten onder vogels die op de grond broeden of niet kunnen vliegen, omdat ze nooit druk hebben ondervonden om aan landroofdieren te ontsnappen. Wereldwijd zouden er al 63 diersoorten uitgestorven zijn als gevolg van de activiteit van katten. Eventueel zouden katten zich in die context nuttig kunnen maken door rattenpopulaties aan te vallen en te liquideren, die net als zij van schepen kunnen ontsnappen en rampen aanrichten onder de speciale fauna van eilanden. Alleen wijst onderzoek, gepubliceerd in Frontiers in Ecology and Evolution, uit dat katten notoir slecht zijn in het vangen van ratten, niet alleen omdat ratten tien tot twintig keer groter en zwaarder zijn dan de doorsnee kattenprooi, ook omdat ze uitmunten in ontwijkings- en ontsnappingsmanoeuvres om uit de klauwen van aarzelende katten te blijven. Recent onderzoek verfijnt het inzicht in de impact van huiskatten op onze natuurlijke fauna. Een studie in Animal Conservation op basis van gegevens van bijna 1000 met een gps uitgeruste katten concludeerde dat de overgrote meerderheid van de dieren zich zelden meer dan 100 meter van zijn woonst verplaatst. Zo'n kat vangt gemiddeld tussen de 14 en de 39 prooien per hectare per jaar. Dat lijkt niet veel, maar de studie stelde toch dat katten een predatiedruk op hun bescheiden leefomgeving leggen die twee tot zelfs tien keer hoger kan zijn dan die van wilde katten op hún leefomgeving. Er zijn zo veel huiskatten dat ze als predator niet langer in balans staan met het bestand van potentiële prooien. Brits onderzoek op basis van burgerwetenschap legde nog andere aspecten bloot, waarover New Scientist verslag uitbracht. Katten blijken meer prooien te vangen in de zomer dan in andere seizoenen, wat ongetwijfeld mee verklaard kan worden door het feit dat er dan veel jonge dieren zijn. De stelling dat katten vooral zieke of onervaren prooien vangen, en dus slechts een bescheiden impact op vogelpopulaties hebben, circuleert ruim in kringen van kattenverdedigers. Het verslag stelde ook dat er grote individuele verschillen zijn in het jachtsucces van katten. De meerderheid van de katten vangt nooit iets wilds (of brengt het in ieder geval niet mee naar huis). Van de katten die wel iets vangen, is het gemiddelde 2,5 prooien per maand. Maar er zijn echte superpredatoren die tot 50 prooien per maand aandragen. Die beesten zullen lokaal ongetwijfeld een impact hebben op de populaties van vogels en knaagdiertjes. Her en der circuleert de overtuiging dat streepjeskatten ferventere jagers zijn dan andere, mogelijk omdat ze originelere genetische roots hebben (zie kader). Door al die cijfers lokken katten de laatste jaren hoogoplopende discussies uit. Toen twee Nederlandse advocaten in november 2019 het - juridisch correcte - idee lanceerden dat ze katteneigenaars die hun dieren buiten laten lopen, kunnen vervolgen voor het overtreden van Europese milieuregelgeving, kregen ze een storm van woedende reacties over zich heen, doodsbedreigingen incluis. Er mag en zal niet aan de huiskat geraakt worden. De grenzeloze populariteit van filmpjes met katten op het internet illustreert dat de beestjes hoge emoties oproepen. Mensen die zich engageren om de natuur te beschermen tegen katten, worden publiekelijk aan de schandpaal genageld. Het vakblad Frontiers in Ecology and the Environment publiceerde een studie die katteneigenaars op basis van een grootschalige enquête onderverdeelde in vijf categorieën. Aan de ene kant had je mensen die werkelijk bezorgd waren over de impact van hun huisdier op de natuur. Het andere extreem waren hardnekkigen voor wie de absolute vrijheid van hun kat primeert. Tussencategorieën waren mensen die vooral bezorgd waren om de veiligheid van hun kat, mensen die het wel erg vonden dat hun kat vogeltjes pakt maar dat aanvaardden, en een vrij kleine groep die zich er amper bewust van was dat katten wilde prooien vangen. Een overzicht in New Scientist vatte de situatie samen door te stellen dat de meeste katteneigenaars zowel van hun dieren houden als van de natuur, maar als ze moeten kiezen toch voor hun kat gaan. Het blad analyseerde een aantal studies die nagingen hoe de impact van katten op hun leefomgeving kan worden verminderd, zonder dat je de dieren permanent binnen hoeft te houden. De meest aanvaardbare oplossing, ook voor katteneigenaars, lijkt de dieren 's nachts binnenhouden - de meeste katteneigenaars doen dat trouwens voor de veiligheid van hun troetel, niet om de natuur te beschermen. Je kunt je wel afvragen hoe groot het effect van die maatregel op het vangen van vogels is, want de meeste vogels zijn 's nachts niet actief (wel in de schemering). Een recente studie in Current Biology onderzocht methodes om het jachtsucces van huiskatten binnen de perken te houden. De beestjes voeding met extra vlees geven en ermee spelen verminderden het aantal prooien dat ze naar huis brachten met een derde. Wat geen effect had, waren voedingsmachines waar de kat mee moest werken om aan haar eten te komen - ze bleken de katten vooral te frustreren. Het meeste succes hadden kleurrijke halsbanden die vogels goed kunnen zien: die reduceerden het vangstsucces van katten met 42 procent. Kattenbelletjes hadden vreemd genoeg geen merkbaar effect. Een lezer van de studie merkte terecht op dat kattenvoeding met veel vlees een veel grotere, weliswaar indirecte impact op onze natuur zal hebben dan de activiteiten van katten zelf. De vleesindustrie maakt grootschalige ecologische kosten zoals ontbossing, stikstofuitstoot en watervervuiling.