Ik weet niet meer zo goed bij welke stadsdichter van Antwerpen ik precies ben afgehaakt. Van Tom Lanoye en Ramsey Nasr herinner ik me nog wel wat gedichten, en Bart Moeyaert was in functie toen Hans Van Themsche Oulematou Niangadou en de kleine Luna vermoordde. Maar Bernard Dewulf? Ik dacht altijd dat die familietafereeltjes van hem zich in Gent afspeelden. Een stadsgedicht van Stijn Vranken of Peter Holvoet-Hanssen? Al slaat u me dood. En van Maarten Inghels herinneren allicht meer mensen zich de mediagenieke acties die hij opzette dan de gedich...

Ik weet niet meer zo goed bij welke stadsdichter van Antwerpen ik precies ben afgehaakt. Van Tom Lanoye en Ramsey Nasr herinner ik me nog wel wat gedichten, en Bart Moeyaert was in functie toen Hans Van Themsche Oulematou Niangadou en de kleine Luna vermoordde. Maar Bernard Dewulf? Ik dacht altijd dat die familietafereeltjes van hem zich in Gent afspeelden. Een stadsgedicht van Stijn Vranken of Peter Holvoet-Hanssen? Al slaat u me dood. En van Maarten Inghels herinneren allicht meer mensen zich de mediagenieke acties die hij opzette dan de gedichten die hij uiteindelijk schreef - ook een talent, natuurlijk. Niettemin, deze donderdag, tijdens Gedichtendag, treedt er alweer een nieuwe stadsdichter aan. Maud Vanhauwaert zal de komende twee jaar voor Antwerpen schrijven. Ze is een van de jonge dichters die erin slagen een nieuw publiek te vinden voor hun poëzie. Het helpt dat haar gedichten misschien wel beter op een podium werken dan in een bundel. Ik hou daar wel van, maar ik weet niet of Vanhauwaert zo'n goeie stadsdichter zal zijn. Waarom? Ze wil niet over politiek schrijven. In een interview op Knack.be zei Vanhauwaert alvast dat ze daar niets over te vertellen heeft. Erger nog: ze wil er heel graag over zwijgen. Het eerste stadsgedicht zal namelijk uit witruimte bestaan. 'Dat is niet stil in een hoekje kruipen,' vertelt ze daar nog over, 'maar zeggen: "Kijk eens hoe ik niets aan het zeggen ben!"' Het zwijgen als artistiek statement: ik weet dat het in culturele kringen nog altijd chic klinkt, maar ik heb het er ondertussen wel mee gehad. Het is zelfs een oude ergernis van mij, kunstenaars die politieke onderwerpen al te triviaal vinden. Niet de moeite om zich voor te interesseren. Waarom toch? Zijn ze bang om niets origineels of interessants over die onderwerpen te zeggen te hebben? Zo ja, dan ligt dat toch echt aan hen, niet aan die onderwerpen. Het stadsdichterschap lijkt bovendien, in mijn ogen althans, net bedacht te zijn om politiek en poëzie samen te brengen. De Antwerpse stadspolitiek is zo ongeveer het meest dankbare onderwerp dat iemand zich maar kan wensen. Bij mijn weten is er geen enkele andere stad in Vlaanderen waar zowel het schepencollege als de verzamelde oppositie zo veel aanleiding geeft om over te schrijven. En heus niet alleen voor vaudevilleschrijvers. Hoe kan een stadsdichter in een verkiezingsjaar, dat zo veel aandacht van zo veel Antwerpenaren zal opslorpen, nu zwijgen over die electorale strijd? Ik begrijp dat niet. Enfin, ik wilde deze column graag afsluiten met een aardig versje over het onooglijke einde van Samen. Zelfs dat lukte al niet. Maar hoogstwaarschijnlijk ligt dát dan weer vooral aan mij.