Zo'n honderd jaar geleden, op 5 december 1919, schreef de Belgische godsdiensthistoricus Franz Cumont (1868-1947) een van zijn vele lange brieven aan zijn Franse collega-godsdienstwetenschapper en vriend Alfred Loisy (1857-1940). Hij wilde Loisy uitgebreid feliciteren met zijn nieuwe boek, getiteld Les mystères païens et le mystère chrétien (De heidense mysteriën en het christelijke mysterie).

In dat boek had Loisy het vroege christendom uitvoerig in historisch verband gebracht met de Griekse-Romeinse omgeving waarin de christelijke religie was ontstaan. Meer bepaald met de antieke mysterieculten, waarop ik zo meteen terugkom. Sinds de late 19de eeuw was Cumont zelf een van de grootste internationale experts van die mysterieculten.

Het onderzoek naar het ontstaan van het christendom was niet altijd zonder gevaar.

De publicatie van het boek had door het uitbreken van WWI meerdere jaren op zich laten wachten, maar Cumont stelde zijn vriend gerust. Zelfs al waren sommige inzichten intussen misschien wat verouderd, toch zou het werk volgens Cumont niets minder dan een 'historische openbaring' (une révélation historique) teweegbrengen bij het grote publiek. Of toch tenminste, zo voegde hij fijntjes toe, bij die mensen die in staat waren om de oorsprong van het christendom te beschouwen wars van religieuze vooroordelen. De toevoeging is belangrijk, want zowel Loisy als hijzelf hadden aan den lijve ondervonden dat die laatste voorwaarde allesbehalve een evidentie was in hun tijd. Hun wetenschappelijk baanbrekende onderzoek naar de mysterieculten lag op z'n zachtst gezegd gevoelig.

De studie van de oorsprong van het christendom voert terug naar het begin van onze tijdrekening en het Romeinse Rijk, dat toen ook het Nabije Oosten omvatte. De Grieks-Romeinse religie van dat rijk kende vele goden die werden vereerd in ruil voor bescherming. Welke goden men precies vereerde, lag quasi automatisch vast door de plek waar men werd geboren. Lokale goden van nieuw veroverde volkeren werden relatief gemakkelijk door de Romeinen erkend. Gewoonlijk waren de culten van het Grieks-Romeinse polytheïsme publiek, maar sommige goden zoals de Egyptische Isis en Serapis, of de Griekse Demeter en Dionysos hadden naast een openbare cultus ook een niet-publieke mysteriecultus. Alleen wie de geheime inwijdingsrituelen had ondergaan, wist wat daarin gebeurde. Deelname gebeurde hier duidelijk niet automatisch, maar op basis van persoonlijk initiatief. De oudste mysterieculten ontstonden wellicht al in de 7de eeuw voor onze tijdrekening in Griekenland. Wanneer het christendom ontstond in de eerste eeuw van onze tijdrekening, was het idee van een geheime kern van riten en mythen een algemeen bekend gegeven binnen de Grieks-Romeinse cultuur.

De strikte zwijgplicht waaraan de ingewijden waren gebonden, zorgt ervoor dat de mysterieculten al sinds de Oudheid met een waas van geheimzinnigheid worden omgeven. Zonder twijfel is dat aura van raadselachtigheid een van de redenen waarom zij al eeuwenlang zovele geleerden en leken fascineren. Maar er is nog een andere reden: hun opvallende gelijkenissen met het vroege christendom.

Opvallend genoeg was dat vroege christendom net zoals de mysterieculten een religie waarvan de inhoud strikt verborgen bleef voor wie niet ingewijd - lees: gedoopt - was.

De vroegste wortels van het christendom liggen in Palestina, waar het monotheïstische jodendom de belangrijkste religie was. In tegenstelling tot wat de christelijke leer zegt, heeft Jezus geen nieuwe religie gesticht. Hijzelf en zijn eerste volgelingen waren joden die het jodendom wilden vernieuwen. Het christendom werd een religie buiten Palestina, wanneer ook niet-joden zich bij de beweging begonnen aan te sluiten. Opvallend genoeg was dat vroege christendom net zoals de mysterieculten een religie waarvan de inhoud strikt verborgen bleef voor wie niet ingewijd - lees: gedoopt - was. Ook toetreding tot het vroege christendom gebeurde in eerste instantie op basis van een persoonlijke keuze. Maar de gelijkenissen gaan verder. De Griekse en Latijnse terminologie die werd gehanteerd voor de mysterieculten, komt ook vaak terug in het vroege christendom.

Zo wordt het Griekse woord mustèrion bijvoorbeeld de christelijke term waarmee de eucharistie wordt aangeduid. Daarnaast zijn er frappante rituele gelijkenissen, zoals het cruciale belang van een rituele maaltijd, die we in de eucharistie terugzien, maar ook in de Romeinse mysteriecultus van de Perzische Mithras, en trouwens in tal van andere religies over de hele wereld. Zelfs het idee van sterven en de dood overwinnen, zoals de verrezen Christus, vindt men in sommige mythes van mysteriegoden terug.

Al in de Oudheid verwonderden christelijke en heidense auteurs zich over deze gelijkenissen. Sommige vroeg-christelijke auteurs beweerden dat de duivel erachter zat, omdat hij heidenen wilde weghouden van het ware geloof. Vooral sinds de late 19de eeuw hebben kritische godsdiensthistorici zoals Cumont en Loisy geijverd voor een wetenschappelijke, historische verklaring. Vele van hun (onderling vaak verschillende) inzichten over de mysterieculten zelf, en over hun relatie met het vroege christendom zijn intussen verworpen of sterk gecorrigeerd door moderne wetenschappers. Maar omwille van hun gedreven inspanningen voor een algemeen historisch bewustzijn over het ontstaan van het christendom, verdienen zij het om hier kort in de spotlights te worden gezet.

Het onderzoek van Cumont en Loisy en vele tijdgenoten bracht onherroepelijk aan het licht dat het zelfverklaarde unieke christendom helemaal niet zo origineel was als het zelf beweerde. Alfred Loisy, naast geleerde ook priester, werd hiervoor door paus Pius X uit de katholieke kerk gezet in 1908. Alsof dat nog niet genoeg was, werd hij ook 'vitandus' verklaard, wat betekent dat katholieken alle contact met hem dienden te vermijden. In België kreeg Cumont kreeg ernstige problemen met de toenmalige, zeer katholieke minister van Onderwijs, die hem een belangrijke benoeming weigerde aan de Universiteit van Gent in 1910. De Gentse faculteit had Cumont, die toen al geruime tijd professor was aan die universiteit, unaniem voorgedragen voor de benoeming. Maar zoals toen gebruikelijk was aan de Belgische rijksuniversiteiten, had de minister het laatste woord.

Vandaag heeft het historische onderzoek naar het christendom gelukkig niet meer zo'n verregaande gevolgen, maar een zekere religieuze gevoeligheid over het thema blijft soms bestaan. Dat is vandaag overigens niet anders voor het wetenschappelijk onderzoek naar andere religies. Denken we bijvoorbeeld aan de huidige religieuze gevoeligheid ten opzichte van historisch-kritisch onderzoek naar de Koran of de Thora.

Voor een eerste kennismaking met de manier waarop godsdiensthistorici vandaag de relatie tussen de antieke mysterieculten en het vroege christendom interpreteren, verwijs ik de geïnteresseerde lezer door naar mijn college voor de Universiteit van Vlaanderen. Wie graag meer leest over het boeiende leven en het bijzonder veelzijdige onderzoek van Cumont, kan terecht op de website van UGentMemorie. Voor de lotgevallen en het rijke oeuvre van Loisy verwijs ik graag door naar de (Franse) website van Société internationale d'études sur Alfred Loisy.

Franz Cumont en Alfred Loisy schreven elkaar 409 bewaarde brieven tussen 1908 en 1940. Zij zijn een goudmijn voor eenieder die zich interesseert voor de godsdienstgeschiedenis van de Oudheid, maar evenzeer voor de woelige geschiedenis van de eerste helft van de 20ste eeuw. De vrienden schreven over de verwoestende impact van WWI, over de opkomst van het fascisme, maar ook over de religieuze tegenstand die hun werk kende. Naast een scherp observatievermogen, beschikten zij trouwens ook over een uitstekend gevoel voor humor. De uitgave van dit bijzondere dossier, verzorgd door Corinne Bonnet, Danny Praet en mezelf, verschijnt eind dit jaar bij de Parijse Académie des Inscriptions et Belles-Lettres.

De lievelingsvakken van Annelies Lannoy in het middelbaar waren Latijn, Grieks en geschiedenis. Als ze geen godsdienstwetenschapper was geworden, ontcijferde ze misschien hiërogliefen in Egyptische piramides. Gelukkig maar zijn er ook in België nog heel wat niet-bestudeerde archieven waar ze op zoek kan gaan naar nieuwe vondsten en ontdekkingen over de Antieke mysterieculten, het vroege christendom en wetenschapsgeschiedenis van de godsdienstgeschiedenis.

Zo'n honderd jaar geleden, op 5 december 1919, schreef de Belgische godsdiensthistoricus Franz Cumont (1868-1947) een van zijn vele lange brieven aan zijn Franse collega-godsdienstwetenschapper en vriend Alfred Loisy (1857-1940). Hij wilde Loisy uitgebreid feliciteren met zijn nieuwe boek, getiteld Les mystères païens et le mystère chrétien (De heidense mysteriën en het christelijke mysterie). In dat boek had Loisy het vroege christendom uitvoerig in historisch verband gebracht met de Griekse-Romeinse omgeving waarin de christelijke religie was ontstaan. Meer bepaald met de antieke mysterieculten, waarop ik zo meteen terugkom. Sinds de late 19de eeuw was Cumont zelf een van de grootste internationale experts van die mysterieculten. De publicatie van het boek had door het uitbreken van WWI meerdere jaren op zich laten wachten, maar Cumont stelde zijn vriend gerust. Zelfs al waren sommige inzichten intussen misschien wat verouderd, toch zou het werk volgens Cumont niets minder dan een 'historische openbaring' (une révélation historique) teweegbrengen bij het grote publiek. Of toch tenminste, zo voegde hij fijntjes toe, bij die mensen die in staat waren om de oorsprong van het christendom te beschouwen wars van religieuze vooroordelen. De toevoeging is belangrijk, want zowel Loisy als hijzelf hadden aan den lijve ondervonden dat die laatste voorwaarde allesbehalve een evidentie was in hun tijd. Hun wetenschappelijk baanbrekende onderzoek naar de mysterieculten lag op z'n zachtst gezegd gevoelig.De studie van de oorsprong van het christendom voert terug naar het begin van onze tijdrekening en het Romeinse Rijk, dat toen ook het Nabije Oosten omvatte. De Grieks-Romeinse religie van dat rijk kende vele goden die werden vereerd in ruil voor bescherming. Welke goden men precies vereerde, lag quasi automatisch vast door de plek waar men werd geboren. Lokale goden van nieuw veroverde volkeren werden relatief gemakkelijk door de Romeinen erkend. Gewoonlijk waren de culten van het Grieks-Romeinse polytheïsme publiek, maar sommige goden zoals de Egyptische Isis en Serapis, of de Griekse Demeter en Dionysos hadden naast een openbare cultus ook een niet-publieke mysteriecultus. Alleen wie de geheime inwijdingsrituelen had ondergaan, wist wat daarin gebeurde. Deelname gebeurde hier duidelijk niet automatisch, maar op basis van persoonlijk initiatief. De oudste mysterieculten ontstonden wellicht al in de 7de eeuw voor onze tijdrekening in Griekenland. Wanneer het christendom ontstond in de eerste eeuw van onze tijdrekening, was het idee van een geheime kern van riten en mythen een algemeen bekend gegeven binnen de Grieks-Romeinse cultuur.De strikte zwijgplicht waaraan de ingewijden waren gebonden, zorgt ervoor dat de mysterieculten al sinds de Oudheid met een waas van geheimzinnigheid worden omgeven. Zonder twijfel is dat aura van raadselachtigheid een van de redenen waarom zij al eeuwenlang zovele geleerden en leken fascineren. Maar er is nog een andere reden: hun opvallende gelijkenissen met het vroege christendom.De vroegste wortels van het christendom liggen in Palestina, waar het monotheïstische jodendom de belangrijkste religie was. In tegenstelling tot wat de christelijke leer zegt, heeft Jezus geen nieuwe religie gesticht. Hijzelf en zijn eerste volgelingen waren joden die het jodendom wilden vernieuwen. Het christendom werd een religie buiten Palestina, wanneer ook niet-joden zich bij de beweging begonnen aan te sluiten. Opvallend genoeg was dat vroege christendom net zoals de mysterieculten een religie waarvan de inhoud strikt verborgen bleef voor wie niet ingewijd - lees: gedoopt - was. Ook toetreding tot het vroege christendom gebeurde in eerste instantie op basis van een persoonlijke keuze. Maar de gelijkenissen gaan verder. De Griekse en Latijnse terminologie die werd gehanteerd voor de mysterieculten, komt ook vaak terug in het vroege christendom. Zo wordt het Griekse woord mustèrion bijvoorbeeld de christelijke term waarmee de eucharistie wordt aangeduid. Daarnaast zijn er frappante rituele gelijkenissen, zoals het cruciale belang van een rituele maaltijd, die we in de eucharistie terugzien, maar ook in de Romeinse mysteriecultus van de Perzische Mithras, en trouwens in tal van andere religies over de hele wereld. Zelfs het idee van sterven en de dood overwinnen, zoals de verrezen Christus, vindt men in sommige mythes van mysteriegoden terug. Al in de Oudheid verwonderden christelijke en heidense auteurs zich over deze gelijkenissen. Sommige vroeg-christelijke auteurs beweerden dat de duivel erachter zat, omdat hij heidenen wilde weghouden van het ware geloof. Vooral sinds de late 19de eeuw hebben kritische godsdiensthistorici zoals Cumont en Loisy geijverd voor een wetenschappelijke, historische verklaring. Vele van hun (onderling vaak verschillende) inzichten over de mysterieculten zelf, en over hun relatie met het vroege christendom zijn intussen verworpen of sterk gecorrigeerd door moderne wetenschappers. Maar omwille van hun gedreven inspanningen voor een algemeen historisch bewustzijn over het ontstaan van het christendom, verdienen zij het om hier kort in de spotlights te worden gezet.Het onderzoek van Cumont en Loisy en vele tijdgenoten bracht onherroepelijk aan het licht dat het zelfverklaarde unieke christendom helemaal niet zo origineel was als het zelf beweerde. Alfred Loisy, naast geleerde ook priester, werd hiervoor door paus Pius X uit de katholieke kerk gezet in 1908. Alsof dat nog niet genoeg was, werd hij ook 'vitandus' verklaard, wat betekent dat katholieken alle contact met hem dienden te vermijden. In België kreeg Cumont kreeg ernstige problemen met de toenmalige, zeer katholieke minister van Onderwijs, die hem een belangrijke benoeming weigerde aan de Universiteit van Gent in 1910. De Gentse faculteit had Cumont, die toen al geruime tijd professor was aan die universiteit, unaniem voorgedragen voor de benoeming. Maar zoals toen gebruikelijk was aan de Belgische rijksuniversiteiten, had de minister het laatste woord. Vandaag heeft het historische onderzoek naar het christendom gelukkig niet meer zo'n verregaande gevolgen, maar een zekere religieuze gevoeligheid over het thema blijft soms bestaan. Dat is vandaag overigens niet anders voor het wetenschappelijk onderzoek naar andere religies. Denken we bijvoorbeeld aan de huidige religieuze gevoeligheid ten opzichte van historisch-kritisch onderzoek naar de Koran of de Thora.De lievelingsvakken van Annelies Lannoy in het middelbaar waren Latijn, Grieks en geschiedenis. Als ze geen godsdienstwetenschapper was geworden, ontcijferde ze misschien hiërogliefen in Egyptische piramides. Gelukkig maar zijn er ook in België nog heel wat niet-bestudeerde archieven waar ze op zoek kan gaan naar nieuwe vondsten en ontdekkingen over de Antieke mysterieculten, het vroege christendom en wetenschapsgeschiedenis van de godsdienstgeschiedenis.