Opinie

Sophie De Wit (N-VA)

‘Geen derde keer, goede keer voor de uitvoering van korte gevangenisstraffen’

Sophie De Wit (N-VA) Federaal parlementslid voor N-VA

‘Door zijn grote woorden en povere daden heeft justitieminister Van Quickenborne zich even stevig vastgezet als de tanker Ever Given in het Suez-kanaal’, schrijft Kamerlid Sophie De Wit (N-VA) over de strafuitvoering onder deze regering.

Minister van Justitie Vincent Van Quickenborne kwam vandaag naar het parlement om na een anderhalf jaar de effectieve uitvoering van de korte gevangenisstraffen opnieuw uit te stellen via een wetsontwerp. Voor de derde keer om precies te zijn.

Met korte gevangenisstraffen bedoelt hij trouwens de gevangenisstraffen van minder dan drie jaar. Het zijn niet alleen ‘doetjes’ die met zo’n vonnis naar buitenwandelen. Nee, het gaat hier evenzeer over verkrachters, zware drugsdealers, stevige relschoppers, en vechtersbazen.

Amper twee maanden geleden bevestigde de minister in het parlement nochtans nog dat de uitvoering van álle korte straffen ingang zou vinden vanaf 1 juni. Dit nadat hij zijn eigen deadlines van 1 december 2021 en 1 april 2021 al schromelijk miste.

Maar niets bleek minder waar.  Via een persconferentie op 1 april – en vooral niet via het parlement- kregen we plots te horen dat zijn ambitieuze plannen toch nog gewijzigd waren en de deadline opnieuw opschoof. ‘Maar in september kwam het er zeker van!’ Sommigen interpreteerden dat raar genoeg als een ambitieus beleid. Anderen, waaronder ik, zagen dat toch net iets anders.

In het wetsontwerp dat nu voorligt, worden enkel de straffen van twee tot drie jaar inderdaad uitgevoerd vanaf 1 september dit jaar. Maar straffen van 6 maanden tot 2 jaar volgen pas vanaf september 2023 (!). En straffen korter dan 6 maanden? Wel, de ambitie om die ooit nog uit te voeren werd plots voorgoed losgelaten.

Uiteraard moeten we goed nadenken over het nut van een  gevangenisstraf en is een opsluiting inderdaad de ultieme remedie. Maar ik ben er rotsvast van overtuigd dat zelfs enkele weken cel wel degelijk een positieve impact kan hebben op iemand zijn levenspad. Of alleszins een betere impact dan de huidige straffeloosheid.

En dat was nog niet alles. Als klap op de vuurpijl wil de minister de  ‘Vervroegde invrijheidstelling COVID-19’ zelfs verlengen tot 2025. Een maatregel die onder het mom van de coronacrisis werd ingevoerd en een strafkorting betekent van zes maanden voor gedetineerden. Omwille van gezondheidsredenen konden we nog enig begrip opbrengen voor deze ingreep, al moesten we daar al flink ons best voor doen. Maar vandaag beslissen dat tot 2025 veroordeelde criminelen zes maanden vroeger de gevangenis mogen verlaten? Dat is compleet onverantwoord.

Vooral dat laatste verraadt dat de minister de strafuitvoering vooral niet onder controle heeft. Hij blijft steevast de gevangenispopulatie aanpassen aan het tekort aan celcapaciteit, terwijl het net zijn taak is om voor meer capaciteit te zorgen in functie van de bestraffing. Maar in plaats van die verantwoordelijkheid op te nemen, schuift hij die taak van hem weg.  Vanuit federale hoek worden immers, naast de hoger geschetste strafkorting, systematisch alternatieve straffen ingezet als instrument om de druk op de gevangenissen te verlichten. Zo werden nooit meer strafdossiers doorgeschoven naar de Vlaamse justitiehuizen. En dan nog krijgt hij de overbevolking niet onder controle.

De enige actie die enigszins in zijn voordeel spreekt, waren zijn plannen om meer detentiehuizen te bouwen. Maar ook hier koos de minister ervoor om eerst te verkondigen en dan pas na te denken: de plannen werden één voor één beantwoord met hevig lokaal protest en liepen enorm veel vertraging op.

Kritiek is makkelijk maar wat is dan de oplossing?, zou je nu kunnen denken. Wel, veel pijnpunten komen terug op een gebrek aan gevangeniscapaciteit en een gigantische druk op de schouders van ons bewakingspersoneel. Allereerst bestaat een groot deel van onze gevangenispopulatie uit veroordeelden die illegaal in het land verblijven en eigenlijk hun straf zouden moeten uitzitten in eigen land. Terwijl de regering-Michel I daar sterk op inzette, zijn de resultaten bij de regering-De Croo maar pover. Ook een gevangenis huren in het buitenland, zoals Denemarken ondertussen heeft gedaan in Kosovo, is een voorstel dat ik al lang geleden op tafel heb gelegd.  Maar dat weigert de minister steevast. Hij kiest er liever voor om veroordeelde criminelen korting te geven op hun straf. Als signaal naar onze samenleving kan dat tellen.  Ook het College van Procureurs-Generaal schrijft hierover uitdrukkelijk dat de niet-uitvoering van straffen niet enkel voor straffeloosheid zorgt, maar paradoxaal genoeg ook leidt tot nog meer overbevolking in gevangenissen, om dat dit juist zorgt voor meer recidive, hogere straffen en veel verdachten in voorlopige hechtenis.

Als advocate en reeds jarenlang lid van de commissie Justitie ben ik me er heel hard van bewust dat justitie een tanker is die moeilijk en traag te keren valt. Maar door zijn grote woorden en povere daden heeft minister Van Quickenborne zich even stevig vastgezet als de Ever Given in het Suez-kanaal. De achterstand bij parketten en rechtbanken is nog nooit zo hoog geweest. Aan fraudezaken tot 10.000 euro begint men in sommige arrondissementen zelfs niet meer. Rechtszaken laten vervolgens te lang op zich wachten. En straffen worden dus, ondanks alle stoere verklaringen, nog steeds niet uitgevoerd.

Van die beloofde snellere, straffere en rechtvaardige justitie komt hoe dan ook niks van in huis, met alle gevolgen en gevaren van dien voor onze maatschappij. Dus nee, derde keer is in deze zaak geen goede keer. Want terwijl daders geen straffen of ‘strafkortingen’ krijgen door ondoordacht beleid, zijn er ook slachtoffers die dit zien gebeuren en langzaamaan hun geloof verliezen in rechtvaardigheid. Het is dan ook hoog tijd dat na stoere woorden ook de daden volgen. Van uitstelgedrag kan geen sprake meer zijn.

Partner Content