Binnen de OESO lag enkel in Slovakije (61,1 jaar), Frankrijk (60,8 jaar) en Luxemburg (60,5 jaar) de gemiddelde effectieve pensioenleeftijd in 2018 lager. In die drie landen geldt wel een lagere wettelijke pensioenleeftijd dan in België (die voorlopig nog 65 jaar is). Het gemiddelde van de 36 lidstaten van de OESO ligt op een effectieve pensioenleeftijd van 65,4 jaar en een wettelijke van 64,2 jaar. Die lage effectieve pensioenleeftijd draagt er mede toe bij dat de levensverwachting van Belgen na hun pensioen wel bij de hoogste is. In de tabellen van de OESO staat België op de zesde plaats: mannen rest gemiddeld nog 21,1 jaar, vrouwen 25,5 jaar. Frankrijk, Spanje en Griekenland scoren wat de levensverwachting na het pensioen betreft, het beste. In België vallen ouderen wel meer dan in andere landen terug op hun wettelijke pensioenuitkering. Die vertegenwoordigt in België 85 procent van het inkomen van 65-plussers, het hoogste percentage binnen de OESO. Werk en kapitaal (waaronder ook eigen pensioensparen valt) vertegenwoordigen respectievelijk 8,9 en 6 procent van het inkomen. Daardoor boeten gepensioneerden in België vaak ietwat in op hun levensstandaard. Het beschikbaar inkomen van ouderen bedraagt hier gemiddeld 79,7 procent van het inkomen van de totale bevolking, terwijl het OESO-gemiddelde op 87,4 procent ligt. Enkel Australië, Estland, Letland, Litouwen, Tsjechië en Zuid-Korea scoren op dat vlak slechter volgens de studie. (Belga)