Na vele discussies en als gevolg van al even vele schandalen rond de private sponsering van de politieke partijen werd de wet van 4 juli 1989 gestemd over de partijfinanciering en de controle op de verkiezingsuitgaven. Hier volgen enkele kritisch bedenkingen bij deze regelingen.

Kosten

In de federale begroting 2021 staat een bedrag van 32,3 miljoen euro als dotatie aan de politieke partijen ingeschreven, en Vlaams gaat het om zowat 8,5 miljoen. Daarnaast zijn er ook middelen vanuit alle andere deelstatelijke begrotingen. Ook diverse gemeenten en provincies zijn actief op deze markt. Zo kent de stad Gent bijvoorbeeld een zeer lucratief systeem van fractiefinanciering, terwijl dat in Brugge zeer minimaal bestaat.

De vele regeltjes over welk geld men mag uitgeven bij verkiezingen, zijn voor interpretatie vatbaar.

Ook op Europees vlak staat er aardig wat geld in de EU-begroting ten voordele van de partijen. Zo kosten de fracties ongeveer 65 miljoen euro, de politieke partijen kunnen 42 miljoen aan dotaties verdelen en de politieke stichtingen krijgen 21 miljoen euro.

Hier komen we aan een eerst pijnpunt van de wet op de partijfinanciering: die lokale en Europese gelden komen niet in de boekhouding van de partijen naar voren. De dotaties aan de partijen staan trouwens los van de fractietoelagen in de parlementen. Een andere vorm van indirecte partijfinanciering is het bestaan van kabinetten bij een regeringsdeelname. Voor de financiën van een partij zijn dergelijke kabinetten een budgettaire zegen. Het zou een interessante oefening zijn om eens na te gaan wie er allemaal op de 'payroll' staat van fracties en/of kabinetten en om dan eens te zien wie daarvan ook daadwerkelijk op die plaatsen arbeid verricht of in werkelijkheid voor de partij werkt.

Het feit dat alle partijen hun verkozenen een deel van hun wedde laten overkomen naar de partijkas, is ook een vorm van partijfinanciering. Het is niet omdat die afdracht hoog ligt, dat dit leidt tot enige besparing voor de schatkist.

Onduidelijkheden in de wet van 1989

De wet van 1989 kent vele onduidelijkheden. Het begint al in art. 1, waarin wordt gesteld dat men moet opkomen in elke kieskring van Gewest of een Gemeenschap. Welke van de twee is het? Dat heeft al tot vele discussies geleid. Maar ook de vele regeltjes over wat en hoe men geld mag uitgeven bij verkiezingen, zijn voor interpretatie vatbaar. Zo is er een compleet gebrek aan vrijheid voor de kandidaten. Een kandidaat die zijn/haar som enkel wil uitgeven aan grote borden, kan dat niet. Er zijn te veel regeltjes in deze wetgevingen. Kafka zou ervan snoepen.

Hier kan nog aan worden toegevoegd: de strikte regels voor een electorale sperperiode en het niet bestaan daarvan in de desbetreffende pré-periode. Tevens is de wet blanco omtrent de elektronische politieke publiciteit.

De controle op de partijboekhoudingen bestaat via de revisors en het Rekenhof. Maar het eigenlijke probleem zit bij de locatie van de controlecommissie. Die zijn op heden gerelateerd met de parlementen. In feite spelen de politieke partijen hier rechter en partij. De anti-corruptiewaakhond Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) heeft hier meer dan gelijk door te stellen dat een dergelijk orgaan weg moet uit de Parlementen en een onafhankelijk statuut moet krijgen. Enige inspiratie kan opgedaan worden bij onze noorderburen.

Over de zaak rond Vlaams parlementslid Sihama El Kaouokibi (Open VLD) is er naar electorale financiële rentabiliteit alleen maar te besluiten dat er veel geld gegeven is aan een kandidate die niet echt het stemmenkanon bleek te zijn. Tevens is er een dergelijke partijbeslissing zeer moeilijk te verkopen aan andere interne kandidaten, die amper steun krijgen. Een dergelijke operatie zorgt trouwens altijd, in om het even welke partij, voor ontploffende spanningen. De leidende personen in de M34, het hoofdkantoor van Open VLD, kunnen best gelukkig zijn met de gedachte dat er geen verkiezingen in aantocht zijn. De electorale schade zou voor Open VLD niet te overzien zijn.

Conclusie

Een kans op een structurele wijziging van deze wet ligt niet voor de hand. Tijdens de zesde staatshervorming was er de mogelijkheid om de partijdotaties vanwege de Senaat te liquideren. Dat werd ook gedaan, maar het bedrag van dit parlement is gewoon bij dat van de Kamer van Volksvertegenwoordigers gevoegd. Toch volstaat een gewone meerderheid om deze wat van 1989 te wijzigen in de Kamer en het is zelfs een bicamerale wet, zodoende dat ook de werkloze Senaat hierover zijn goedkeuring moet hechten.

Maar het is niet omdat men de verkiezingsuitgaven gaat beperken, dat de partijfinanciering gaat afnemen of omgekeerd. Daarom moeten er doorgedreven structurele veranderingen komen aan de desbetreffende decreten en wet van 4 juli 1989.

Tenslotte nog dit, er is wel veel commentaar op de partijfinanciering. Maar vele initiatieven rond politieke vernieuwing kosten ook veel geld. Gaat men daar ook op besparen?

Na vele discussies en als gevolg van al even vele schandalen rond de private sponsering van de politieke partijen werd de wet van 4 juli 1989 gestemd over de partijfinanciering en de controle op de verkiezingsuitgaven. Hier volgen enkele kritisch bedenkingen bij deze regelingen.In de federale begroting 2021 staat een bedrag van 32,3 miljoen euro als dotatie aan de politieke partijen ingeschreven, en Vlaams gaat het om zowat 8,5 miljoen. Daarnaast zijn er ook middelen vanuit alle andere deelstatelijke begrotingen. Ook diverse gemeenten en provincies zijn actief op deze markt. Zo kent de stad Gent bijvoorbeeld een zeer lucratief systeem van fractiefinanciering, terwijl dat in Brugge zeer minimaal bestaat. Ook op Europees vlak staat er aardig wat geld in de EU-begroting ten voordele van de partijen. Zo kosten de fracties ongeveer 65 miljoen euro, de politieke partijen kunnen 42 miljoen aan dotaties verdelen en de politieke stichtingen krijgen 21 miljoen euro. Hier komen we aan een eerst pijnpunt van de wet op de partijfinanciering: die lokale en Europese gelden komen niet in de boekhouding van de partijen naar voren. De dotaties aan de partijen staan trouwens los van de fractietoelagen in de parlementen. Een andere vorm van indirecte partijfinanciering is het bestaan van kabinetten bij een regeringsdeelname. Voor de financiën van een partij zijn dergelijke kabinetten een budgettaire zegen. Het zou een interessante oefening zijn om eens na te gaan wie er allemaal op de 'payroll' staat van fracties en/of kabinetten en om dan eens te zien wie daarvan ook daadwerkelijk op die plaatsen arbeid verricht of in werkelijkheid voor de partij werkt. Het feit dat alle partijen hun verkozenen een deel van hun wedde laten overkomen naar de partijkas, is ook een vorm van partijfinanciering. Het is niet omdat die afdracht hoog ligt, dat dit leidt tot enige besparing voor de schatkist. De wet van 1989 kent vele onduidelijkheden. Het begint al in art. 1, waarin wordt gesteld dat men moet opkomen in elke kieskring van Gewest of een Gemeenschap. Welke van de twee is het? Dat heeft al tot vele discussies geleid. Maar ook de vele regeltjes over wat en hoe men geld mag uitgeven bij verkiezingen, zijn voor interpretatie vatbaar. Zo is er een compleet gebrek aan vrijheid voor de kandidaten. Een kandidaat die zijn/haar som enkel wil uitgeven aan grote borden, kan dat niet. Er zijn te veel regeltjes in deze wetgevingen. Kafka zou ervan snoepen.Hier kan nog aan worden toegevoegd: de strikte regels voor een electorale sperperiode en het niet bestaan daarvan in de desbetreffende pré-periode. Tevens is de wet blanco omtrent de elektronische politieke publiciteit. De controle op de partijboekhoudingen bestaat via de revisors en het Rekenhof. Maar het eigenlijke probleem zit bij de locatie van de controlecommissie. Die zijn op heden gerelateerd met de parlementen. In feite spelen de politieke partijen hier rechter en partij. De anti-corruptiewaakhond Groep van Staten tegen Corruptie (GRECO) heeft hier meer dan gelijk door te stellen dat een dergelijk orgaan weg moet uit de Parlementen en een onafhankelijk statuut moet krijgen. Enige inspiratie kan opgedaan worden bij onze noorderburen. Over de zaak rond Vlaams parlementslid Sihama El Kaouokibi (Open VLD) is er naar electorale financiële rentabiliteit alleen maar te besluiten dat er veel geld gegeven is aan een kandidate die niet echt het stemmenkanon bleek te zijn. Tevens is er een dergelijke partijbeslissing zeer moeilijk te verkopen aan andere interne kandidaten, die amper steun krijgen. Een dergelijke operatie zorgt trouwens altijd, in om het even welke partij, voor ontploffende spanningen. De leidende personen in de M34, het hoofdkantoor van Open VLD, kunnen best gelukkig zijn met de gedachte dat er geen verkiezingen in aantocht zijn. De electorale schade zou voor Open VLD niet te overzien zijn.Een kans op een structurele wijziging van deze wet ligt niet voor de hand. Tijdens de zesde staatshervorming was er de mogelijkheid om de partijdotaties vanwege de Senaat te liquideren. Dat werd ook gedaan, maar het bedrag van dit parlement is gewoon bij dat van de Kamer van Volksvertegenwoordigers gevoegd. Toch volstaat een gewone meerderheid om deze wat van 1989 te wijzigen in de Kamer en het is zelfs een bicamerale wet, zodoende dat ook de werkloze Senaat hierover zijn goedkeuring moet hechten. Maar het is niet omdat men de verkiezingsuitgaven gaat beperken, dat de partijfinanciering gaat afnemen of omgekeerd. Daarom moeten er doorgedreven structurele veranderingen komen aan de desbetreffende decreten en wet van 4 juli 1989. Tenslotte nog dit, er is wel veel commentaar op de partijfinanciering. Maar vele initiatieven rond politieke vernieuwing kosten ook veel geld. Gaat men daar ook op besparen?