Met ‘De wereld vergaat niet’ plaatst Kate Atkinson zich in een literaire traditie die teruggaat op Boccaccio’s ‘Decamerone’.

Kate Atkinson, ‘De wereld vergaat niet’, Atlas, Amsterdam, 269 blz., euro 18,50.

‘In de receptie van het televisiestation was een groot aquarium dat een hele wand besloeg. Het viel Trudi op dat er voornamelijk Afrikaanse zoetwatervissen in zwommen. Ze vroeg zich af of ze per vliegtuig waren aangevoerd en of ze dat een vreemde sensatie hadden gevonden. Niemand anders besteedde aandacht aan de wand met vissen. De receptioniste had rosblond, wonderlijk gekapt haar. Het bleek dat ze een Heckler en Koch MP5A3 9-mm-machinepistool onder haar werkblad had liggen. Er welde een golf van afgunst in Trudi op.’

Het minste wat je van het werk van Kate Atkinson kunt zeggen, is dat ze er iedere keer weer in slaagt compleet verschillende werelden in een paar regels met elkaar te verbinden. Of je nu haar drie romans leest, of de net verschenen verhalenbundel De wereld vergaat niet, maakt niet uit, steeds weer word je verrast door de verbanden die ze legt en door de nieuwe, soms hallucinante betekenissen die ze daardoor oproept. Onschuld is een onbestaand begrip in Atkinsons universum, een teken dat er alleen maar op wijst dat je iets dieper moet graven om de ware aard van de wereld te ontdekken, en achter iedere grap gaat een bittere waarheid schuil.

Neem nu ‘Eén grote verspilling van liefde’, waarin prostituee Shirley haar zevenjarige zoon Addison meeneemt naar de Edinburghse villa van zijn vader Bill. Ze gaan natuurlijk onaangekondigd, want anders zou hij nooit bereid zijn hen te ontvangen. Het is zondagmiddag, de hele familie is verzameld in de tuin en daar komt het verfomfaaide duo de hoek om gestapt. Bill neemt hen apart, wordt grof en wanneer de jongen hem ‘vader’ noemt, bedenkt hij hem met een kanjer van een oorveeg. Het zal het laatste contact zijn tussen vader en zoon. Addison trouwt op zijn veertigste met Clare en begint over zijn kindertijd na te denken wanneer hij verneemt dat zijn vrouw zwanger is. Het wordt een jongen, Ewan, en precies op de dag dat zijn geboortebericht in de krant staat, ziet Addison Bills naam bij de overlijdensberichten staan. Hij gaat naar de begrafenis en na de plechtigheid vergezelt hij de familie naar de villa, waar hij van zijn halfzus te horen krijgt dat Bill zijn hele leven een boeman en een tiran is geweest. ‘Hij gaat nooit dood’, verzucht ze. ‘Wij dragen het voorgoed met ons mee. Je kunt je niet voorstellen hoe het was om zijn kind te zijn.’ In dit verhaal bewijst Atkinson te beseffen wat de plaats is van de schrijver: nergens dringt ze zichzelf op en van een moraal of een les houdt ze zich angstvallig af. Ze beschrijft, noteert en blijft steeds op de achtergrond zonder daarbij afstandelijk of ongeïnteresseerd over te komen.

Schotse zweethut

Kate Atkinson is een volgelinge van Jeanette Winterson en een goede vriendin van de Schotse experimentele schrijfster Ali Smith. Een verhalenbundel van haar hand is dan ook meer dan een verzameling bij elkaar gegooide verhalen. Daar zit meer achter en dat merk je wanneer je er een paar gelezen hebt: ze hebben een zekere samenhang.

Hawk, de overjaarse hippie die eigenlijk Alan heet maar zijn ware identiteit te weten kwam in een Schotse zweethut waarmee de zielige June uit ‘Vissentunnel’ een relatie heeft, blijkt twee verhalen later weer op te duiken, al is hij daar door Pam aan de deur gezet wegens zijn al te grote dosis zenfilosofie en zijn lome lach. Pams zoon Simon luistert naar muziek van Boak, wat Schots is voor kotsmisselijk, en in ‘Vertaling à l’improviste’ dient Missy, de SAS-versie van Mary Poppins, op de kinderen van de zanger van deze groep te passen. Pam zelf keert trouwens ook nog eens terug, in ‘Give-aways’, dat een paar jaar later speelt en waarin de achtenveertig- jarige vrouw in de steek gelaten is door Brian Baardmans, ze haar twee kinderen naar de universiteit ziet vertrekken en het zelfs moet meemaken dat die naar het trouwfeest van haar ex gaan en daar blijven slapen.

Door de verhalen lopen er ook een paar constanten. Zo is er regelmatig sprake van de zeldzame wolfkin, een beest dat niemand te zien krijgt, maar waar blijkbaar nogal wat over te zeggen valt. Het muntje dat je de veerman moet overhandigen wil je na je dood de Styx over geraken, is ook zo’n weerkerend thema, net als de Griekse mythologie in zijn geheel trouwens. Zo draagt Missy opeens zilveren, gevleugelde sandalen en de vrouw van de rockzanger denkt eraan haar dochtertje Aphrodite of Artemis te noemen.

Pas op het einde van het boek ontdek je het kader dat gevormd wordt door het eerste en het laatste verhaal. Die spelen in een lichtjes gedesoriënteerde wereld, waar receptionistes bijvoorbeeld machinepistolen onder hun werkblad liggen hebben en er nu en dan een bommetje uit de lucht valt. Charlene en Trudi worden opgesloten in hun appartement en er komt een groot rood kruis op hun voordeur te staan, wat betekent dat er pest in het huis heerst. Om de tijd te doden en ook wel om de honger te verdrijven, vertellen de twee vriendinnen elkaar verhalen – die uit het boek, want zolang de wereld niet vergaan is, zullen die een kader bieden voor het leven. Hun samenhang bewijst dat zelfs in tijden van oorlog het bestaan nooit zinloos is.

Net zoals Atkinsons vorige roman, Geschift, te lezen was als een hedendaagse, ironische herwerking van De verhalen van 1001 nacht is deze subtiele en vooral originele verhalenbundel dus te zien als een eenentwintigste-eeuwse Decamerone.

Marnix Verplancke

Zelfs in tijden van oorlog is het bestaan nooit zinloos.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content