08/07/13 om 08:30 - Bijgewerkt om 08:30

Eenheidsstatuut dreigt jongeren en weinig geschoolden nog méér in de wind te zetten

De realisatie van een akkoord rond het eenheidsstatuut is een huzarenstuk. Toch zal dit akkoord ook belangrijke negatieve gevolgen hebben, niet in het minst voor de reeds zwakkere groepen op de arbeidsmarkt.

Eenheidsstatuut dreigt jongeren en weinig geschoolden nog méér in de wind te zetten

© Belga

De diepe zucht van verluchting was eind vorige week duidelijk merkbaar doorheen heel politiek Brussel. De dreiging dat de termijn opgelegd door het Grondwettelijk Hof inzake het bereiken van een akkoord rond het eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden niet zou worden gerespecteerd, kon ter elfder uren afgewend worden door de trojka van dames rond minister van Werk Monica De Coninck (SP.A). De rechtsonzekerheid die zou ontstaan zijn in het geval van geen akkoord zou alles behalve bevorderlijk geweest zijn voor de economie en de jobcreatie.

Door de egelstellingen ingenomen door werkgevers- en werknemersorganisaties lag het al maanden voor de hand dat het bereiken van een compromis een bijzonder moeilijke opdracht uitmaakte. Ook vrij voorspelbaar was het gegeven dat niemand van de direct betrokkenen zich echt gelukkig zou kunnen tonen met het finale resultaat. Zo geschiedde ook. Vakbonden vinden dat er te veel ingeleverd is op de opzegvergoedingen waar voorheen bedienden aanspraak konden op maken en werkgevers vinden dat de sprong "vooruit" voor de arbeiders te omvangrijk uitvalt.

Het is nog vroeg dag om definitieve conclusies te trekken rond het nu voorliggende akkoord van de federale regering inzake het eenheidsstatuut, niet in het minst omwille van blijvende onduidelijkheden rond bijvoorbeeld overgangsfases en uitzonderingsstatuten. Het heeft er echter alle schijn van dat de beperkte inlevering die voor de bedienden uit dit voorstel voortvloeien op het vlak van hun ontslagvergoedingen niet opwegen tegen de forse toename van de ontslagvergoedingen voor arbeiders. Bovendien blijven verworven rechten onverkort van kracht. Onze loonkosten nemen als gevolg van dit akkoord dus zeker toe, ook al vanwege de afschaffing van de carenzdag. Zelf indien zou blijken dat deze toename beperkt zou uitvallen, dan blijft nog de pertinente vraag of we ons dit gezien ons reeds zo gehavend concurrentievermogen op dit moment kunnen permitteren. Het antwoord is neen.

Maar, zoals altijd met dit soort van breed uitwaaierende ingrepen, dient er ook de nodige aandacht te bestaan voor de meer subtiele maar daarom niet mindere reële gevolgen. Zo zullen in het zog van het nu voorliggende voorstel tot eenheidsstatuut jongeren en weinig geschoolden het extra moeilijk krijgen op onze arbeidsmarkt. De reden hiervoor is vrij eenvoudig. Bedrijven moeten zeker jongeren en weinig geschoolden steeds meer en intenser zelf bijscholen en trainen tijdens hun inloopperiode.

Dit heeft alles te maken met de snel voortschrijdende informatisering en automatisering van en rond steeds meer jobs, zeker ook in de industriële sfeer. Deze investeringen in binnenkomende groepen, die sowieso al niet echt over de beste papieren inzake adequate scholingsgraad, houden een risico in dat niet mag onderschat worden. Loopt het fout tijdens die inloopperiode dan is er vanuit het standpunt van die ondernemingen sprake van een mislukte investering. Omwille van het feit dat in het voorstel De Coninck de ontslagvergoedingen voor arbeiders vooral gedurende de eerste drie jaren fors opgetrokken worden, nemen de mogelijke kosten voor ondernemingen bij mislukking van het inlooptraject ook gevoelig toe. Wanneer een investering duurder wordt, zal de geneigdheid om ze te doen afnemen. De jobkansen van vooral jongeren en minder geschoolden zullen dan ook op een sluipende maar daarom niet minder reële manier uitgehold worden door wat de minister van Werk nu op tafel heeft gelegd.

Dat het zo lang verwachte eenheidsstatuut voor arbeiders en bedienden tot een verdere verslechtering van het internationaal concurrentievermogen van onze ondernemingen gaat leiden, is een ongewenst gevolg. Hetzelfde geldt voor de nog verder gereduceerde jobkansen van jongeren en weinig geschoolden. Twee zeer goede redenen dus om tijdens de verdere uitwerking en verfijning van het regeringsvoorstel dat thans voorligt misschien toch nog een paar échte bijsturingen te overwegen.

Onze partners