Dimitri Verhulst - De intrede van Christus in Brussel

21/09/11 om 10:25 - Bijgewerkt om 10:25

Wat is er gebeurd met Dimitri Verhulst? Onder het mom van een belgicistische satire serveert hij in De intrede van Christus in Brussel een futloze parabel over de kleinburgerlijke zelfgenoegzaamheid.

Dimitri Verhulst - De intrede van Christus in Brussel

Uitgeverij: Contact

Aantal pagina's: 178

Prijs: 18,95 euro

ISBN: 978-90-254-3753-4

Van de goden naar de goot, en terug. Nog maar net verraste Dimitri Verhulst met Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten, een navrante novelle over de gevallen wielergod Frank Vandenbroucke, of daar presenteert hij nu met De intrede van Christus in Brussel de blijde terugkomst van God, de Messias zelf.

Wie denkt dat beide vertellingen een literair tweeluik vormen, vergist zich echter. Ook De intrede is weliswaar een monoloog in 14 staties, evenveel als de kruisweg van Jezus er telde, maar inhoudelijk is dit werk eerder een vervolg op Godverdomse dagen op een godverdomse bol, Verhulsts afrekening met de mensheid als goddeloos virus.

De wielernovelle daarentegen over de vergeefsheid van het leven van Frank Vandenbroucke lijkt op een appendix bij De helaasheid der dingen, waarin ook gefietst werd, maar waar Verhulst tussen alle hilarische scènes door vol mededogen zijn familie en zichzelf portretteerde.

Iedereen kent het beroemde, gelijknamige schilderij van James Ensor uit 1889. Verhulsts ik-verteller noemt de schilder geen enkele keer bij naam, maar verwijst wel naar hem als hij op het einde vertelt dat hij tevergeefs op zoek was naar 'het wij-gevoel van vereende asocialen'.

Op het rode spandoek in Ensors meesterwerk valt 'Vive la Sociale' te lezen. Verhulsts verteller gelooft niet in de mensheid, laat staan in haar sociale intelligentie. Tot op een dag een communiqué wordt verspreid dat de Messias Brussel zal bezoeken. En nog wel op 21 juli, de nationale feestdag.

Alles en iedereen verliest zijn 'doordeweekse doorweekte' staat. Van 'de befaamde, verloren generatie' - die van Verhulst zelf - tot 'de malcontente massa en de krabbers': elkeen kijkt reikhalzend uit naar het goddelijke bezoek. De politie laat niet-verzekerden en papier-lozen ongemoeid verder rijden, en een jonge asielzoekster krijgt de beste suite in het chicste Brusselse hotel want zij moet straks het Aramees van Jezus Christus tolken.

Dat alles uiteindelijk met een sisser afloopt, staat in de sterren geschreven. De anticlimax van de laatste statie probeert de verteller nog te redden door er een zedenlesje in te verstoppen. Een anoniem meisje prevelt op de bus in het Frans dat je maar mooi kunt zijn als je jezelf vergeet. Kortom, zoek Christus in jezelf, suggereert Verhulst: go with the flow.

Zo banaal deze moraal klinkt, zo flets is Verhulsts calvarietocht zonder ziel. De lofzang op de kermis van Brussel en haar botsauto's klinkt flauw en futloos. Het dwepen met de Brusselse, Franstalige plaatsnamen en de occasionele sneren naar de zelfgenoegzaamheid van 'de noorderlingen' of hun barbaarse leeuwenvlag komen nergens origineel of echt provocerend over. Laat staan de obligate studentikoze grapjes over pedofiele geestelijken of oversekste nonnen.

De misantropie van Verhulst die in Godverdomse dagen sporadisch gensters sloeg, maakt een vermoeide, uitgebluste indruk. Ja, de aap probeert nog zijn kunstjes en haalt vergezochte woorden (gabbe, apocope, fiool) en ouderwets klinkend taalgebruik ('de bejaardheid onzer kernreactoren') van stal, maar de drive die in Godverdomse dagen pulseerde, is weg.

Wie dus absoluut een nieuwe Verhulst wil lezen, kan beter terecht bij zijn Monoloog, ook al lijdt de tweede helft van de novelle aan hetzelfde euvel als deze hele Intrede: een inspiratieloos afraffelen van het verhaal naar een snel einde.

Misschien moet Verhulst maar eens denken aan een sabbatical. Geef nog vlug die twee interviews aan de bevriende pers en hang dan de lier voor minstens een jaar aan de wilgen. Van deze kruisweg zonder kloten - om het in Verhulsts pseudobaldadige kunsttaaltje te zeggen - wordt niemand beter.

Frank Hellemans

Dimitri Verhulst

Geboren op 2 oktober 1972 te Aalst.

Officieel debuut met verhalenbundel De kamer hiernaast (1999).

Eerste roman Niets, niemand en redelijk stil (2000).

Eerste dichtbundel Liefde, tenzij anders vermeld (2001).

Eerste toneelstuk Aalst (2005).

Grote doorbraak met de roman De helaasheid der dingen (2006) die ook werd verfilmd door Felix Van Groeningen. Publiceert eveneens in 2006 de novelle Mevrouw Verona daalt de heuvel af.

Schrijft Godverdomse dagen op een godverdomse bol (2008) waar hij in 2009 de Libris Literatuur Prijs mee wint.

De laatste liefde van mijn moeder (2010), roman, en Monoloog van iemand die het gewoon werd tegen zichzelf te praten (2011), novelle.

Onze partners