Opinie

Laurens De Brucker

‘Belangrijkste struikelblok voor een voortgezette uitbating van de kerncentrales is van zuiver juridische aard’

Laurens De Brucker Doctoraal onderzoeker KU Leuven en advocaat milieu- en energierecht

‘Bij heel wat politici lijkt het hoegenaamd niet door te dringen dat het belangrijkste struikelblok voor een voortgezette uitbating van zuiver juridische aard is’, schrijft advocaat Laurens De Brucker.

De stijgende gas- en elektriciteitsprijzen, die de Europese Unie in navolging van de Russisch-Oekraïense oorlog in een ware energiecrisis stortten, vormen de laatste tijd de belangrijkste bron van nieuwsgaring in het Vlaamse medialandschap.

Ook het hete hangijzer van de kerncentrales laat de gemoederen niet onberoerd. Naar aanleiding van het Overlegcomité van 31 augustus 2022 werd zelfs voor een zoveelste keer gesuggereerd om de kerncentrales van Doel 3 en Tihange 2, die respectievelijk eind september 2022 en begin februari 2023 moeten sluiten, toch nog langer open te houden.

Naast de vaststelling dat Engie-Electrabel in dat verband reeds meermaals aangaf dat een verdere exploitatie omwille van een aantal technische redenen onmogelijk is, zodat een verlenging van de kerncentrales in de praktijk al niet haalbaar oogt, lijkt het bij politici daarnaast ook hoegenaamd niet door te dringen dat het belangrijkste struikelblok voor een voortgezette uitbating van zuiver juridische aard is.

De verplichte opmaak van een milieueffectenrapport, die voortvloeit uit de toepassing van de Europese Plan-MER-richtlijn, neemt immers dermate veel tijd in beslag dat het aannemen van een nieuwe wet inzake het openhouden van kerncentrales op korte termijn de facto uitgesloten is.

Het uitvaardigen van een wet zonder voorafgaande milieueffectenbeoordeling behoort te dezen ook geenszins tot de mogelijkheden. De federale wetgever werd in het kader van de wet op de kernuitstap immers zowel door het Hof van Justitie, als door het Grondwettelijk Hof op de vingers getikt voor het niet nakomen van zijn milieueffectenrapporteringsplichten. De kans dat de overheid zijn vingers nogmaals aan dezelfde problematiek zou verbranden, komt bijgevolg als bijzonder klein voor.

Er dient dan ook te worden geconcludeerd dat een verlenging van de kerncentrales van Doel 3 en Tihange 2 vanuit juridisch oogpunt vandaag gewoonweg schier onmogelijk is, zodat elke stellingname die vertrekt vanuit een andere opvatting louter populistische prietpraat betreft.

In het licht van het actuele politiek momentum, waarin de Commissie naar aanleiding van de energetische noodtoestand bereid lijkt om werkelijk alle opties te overwegen, zou het evenwel een mogelijkheid kunnen zijn om een herziening van de Plan-MER-richtlijn op tafel te leggen. Meer bepaald zou het voorstel kunnen worden geformuleerd om in voormelde richtlijn een nieuwe bepaling in te voegen die, in tijden van energieschaarste en na voorafgaande goedkeuring door de Commissie, voorziet in een uitzondering op de milieueffectenrapporteringsplicht voor nucleaire installaties. Op die manier zou de procedure voor het verlengen van bestaande kerncentrales letterlijk met jaren kunnen worden versneld wanneer er zich acute bevoorradingsproblemen stellen.

Rekening houdend met de huidige klimaat- en energiecrisis, lijkt de voormelde suggestie op het eerste gezicht te verantwoorden.

De achterliggende doelstelling van de Plan-MER-richtlijn is er in gelegen om voorafgaandelijk aan de aanname van plannen of programma’s  – waaronder wetten met een milieu-impact onder welbepaalde voorwaarden kunnen worden begrepen – te onderzoeken welke invloed deze instrumenten kunnen genereren op de mens en het milieu. De juridische grondslag van de Plan-MER-richtlijn houdt met andere woorden verband met het streven van de EU naar een hoog niveau van milieubescherming.

Het recht op de bescherming van een gezond en duurzaam leefmilieu heeft evenwel geen voorrang op het recht op een menswaardig bestaan, dat naar aanleiding van de energiecrisis en de stijgende inflatie voor veel Europeanen thans in het gedrang dreigt te komen. Geen enkel recht is immers absoluut, zodat steeds een afweging dient plaats te vinden wanneer (grond- en/of mensen)rechten met elkaar in conflict komen te liggen.

In het kader van de huidige maatschappelijke, economische en energetische context, waarin miljoenen Unieburgers omwille van de pan uit swingende energieprijzen de eindjes steeds minder vaak aan elkaar kunnen knopen, lijkt het dan ook niet per definitie onoverkomelijk om het recht op een menswaardig leven even te laten overhellen ten aanzien van het recht op de bescherming van een gezond leefmilieu.

Zeker in het licht van de omstandigheden dat kernenergie vanuit het oogpunt van de strijd tegen klimaatverandering als een vorm van CO2-neutrale energieopwekking moet worden beschouwd en de impact van nucleaire installaties, behoudens wat betreft de productie van kernafval, eerder verband houdt met het aspect veiligheid dan met het milieuvervuiling, lijkt een wijziging van de Plan-MER-richtlijn zowel maatschappelijk, als juridisch verdedigbaar.

Bovendien moet in dat verband worden vastgesteld dat enkele recente wetgevende initiatieven van de Commissie inzake de milieueffectenrapporteringsplicht voor hernieuwbare installaties aantonen dat afwijkingen op of wijzigingen van de Plan-MER-richtlijn geenszins als taboe kwalificeren. Er lijkt op heden met andere woorden sprake van een scharniermoment, waarop best zo snel mogelijk wordt ingespeeld.

Dienaangaande is een belangrijke rol weggelegd voor onze Belgische beleidsmakers en politici op Europees niveau. Indien de politieke partijen die nalieten het Belgische kernenergievraagstuk op gedegen wijze voor te bereiden enigszins zouden willen remediëren aan hun historische blunders, dan biedt het voorstel tot wijziging van de Plan-MER-richtlijn hun daartoe de uitgelezen kans.

Er kan dan ook enkel worden gehoopt dat deze kans met beide handen wordt gegrepen.

Laurens De Brucker is advocaat milieu- en energierecht bij Xirius Public en doctoraal onderzoeker aan het KU Leuven Centre for Public Law.

Partner Content