De meeste uilen zijn geweldig goed gecamoufleerd, zie onze bosuil en ons steenuiltje. De kerkuil heeft, zoals alle nachtuilen, pikzwarte ogen waar hij niet per se beter mee ziet, maar ze werken zijn nachtelijke onzichtbaarheid wel in de hand.

Waarom enerzijds investeren in onzichtbare ogen, maar anderzijds een knalwitte onderkant cultiveren?

Voor de mooie goudkleurige bovenkant van de kerkuil is er wel een verklaring: hij zou goed matchen met de ondergrond van grasland waarboven de kerkuil graag op muizen jaagt. Zo valt hij minder op voor eventuele predatoren die van boven hem zouden komen, welke dat ook mogen zijn. Maar voor zijn lichte onderkant gaat dat camouflage-effect niet op, lijkt me.

De sneeuwuil die heel wit is, leeft natuurlijk in een milieu dat voor een groot deel van het jaar bedekt is met sneeuw en ijs - dus daar biedt het wit een duidelijk voordeel. De velduil, die een aan de kerkuil verwante jachtstrategie heeft van dikwijls al vliegend muizen in het gras op te sporen, heeft ook een lichte onderkant, maar die jaagt vooral overdag, zodat de lichte kleur een soort camouflage tegen de lichtere hemel zou kunnen bieden, waardoor prooien op de grond hem minder gemakkelijk kunnen spotten.

De levenswijzen van beide soorten verschillen zo sterk dat ze uiteenlopende kleurpatronen zouden moeten hebben.

Ik ben me ervan bewust dat niet alle natuurlijke ontwikkelingen een logische verklaring moeten hebben. Mogelijk is er ook seksuele selectie in het spel: zijn lichter gekleurde kerkuilen aantrekkelijker partners, waardoor de lichte kleur een regel is geworden in de kerkuilengemeenschap (vergelijkbaar met wat er in onze wereld met blauwe ogen is gebeurd).

Misschien kunnen jullie me helpen met suggesties, beste lezers?