Opinie

Herman Van Goethem

‘Hoeveel politici en regeringen hebben niet gezwalpt tussen 1940 en 1942?’

Herman Van Goethem Historicus en rector van de UAntwerpen

‘Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de Belgische oorlogsregering in Londen tot aan het einde van 1942 twee ijzers in het vuur hield’, schrijft rector Herman Van Goethem (UAntwerpen) voor de Universiteit van Vlaanderen. Hij staat stil bij een opvallende ‘stilte’ in de geschiedschrijving over WO II.

Het algemeen aanvaarde historische verhaal luidt dat België vanaf oktober 1940 goed en wel in het kamp van Winston Churchill zat, een alliantie waar in december ’41 ook de Verenigde Staten deel van gingen uitmaken. Een alliantie dus, maar zaten de geallieerden op wel eenzelfde lijn? Heeft België zich misschien niet terughoudend opgesteld, in de lijn van de vooroorlogse neutraliteit?

Wanneer de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt in 1942 nog bereid was om een deal te sluiten met het Vichy-regime, zelfs met de vermaledijde premier Pierre Laval, dan moet je je afvragen hoe Roosevelt toen de toekomst tegemoet keek. Zolang de afloop van de oorlog onzeker was, zolang ook hielden de landen rekening met die onzekere afloop. Vanaf november 1942 kwam de grote militaire doorbraak, met de Duitse nederlaag in El Alamein en nadien ook in Stalingrad, maar voordien was alles anders.

Hoeveel politici en regeringen hebben niet gezwalpt tussen 1940 en 1942?

Deze analyse ontwikkel ik, zijdelings, in ‘1942, Jaar van de Stilte’, een boek over Antwerpen en de Jodenvervolging dat in februari 2019 zal verschijnen. Mijn college voor de Universiteit van Vlaanderen over het onderwerp stond eerst gepland om nadien te worden uitgezonden, maar ondertussen is de programmatie gewijzigd. Het is dus nog even wachten op de bijbehorende voetnoten. Intussen wil ik de lezer alvast wat meetrekken in het zwarte gat van een onbekende wereld.

Scenario van een de onderhandelde vrede

Stel dat er in de loop van 1942, nog voor de ommekeer vanaf El Alamein, plots een einde zou zijn gekomen aan de Europese oorlog; bijvoorbeeld na een militaire putsch in Duitsland waarbij het leger de nazi’s en de SS zou opzijschuiven. Aan de onderhandelingstafel konden dan bijvoorbeeld plaatsnemen: Mussolini, Pétain, Duitse generaals, Stalin, Roosevelt, en ook Churchill of een andere Britse premier. Voor wat België betreft konden meerdere onderhandelaars zich aanmelden, alleen of gezamenlijk: Leopold III; de Belgische ministers in Londen; de Belgische ministers die in Vichy-Frankrijk waren achtergebleven.

Het scenario van de onderhandelde vrede heeft zich niet gerealiseerd. Maar zolang het een mogelijkheid was, zolang ook hielden de bewindvoerders rekening met die mogelijkheid. Is dit niet de evidentie zelve?

Ik beperk mijn analyse hier tot België. Er zijn duidelijke aanwijzingen dat de Londense oorlogsregering-Pierlot tot aan het einde van 1942 twee ijzers in het vuur hield. Uiteraard wilde ze haar beleid afstemmen op wat ze in radiotoespraken heel ferm als ‘la victoire finale‘ omschreef. Met november 1918 nog vers in het geheugen, dacht de modale luisteraar toen wellicht aan ‘de volledige overwinning’. Dat is ook waar wij nu aan denken, met de afloop van de oorlog in 1945 in het achterhoofd. Het is maar de vraag hoe realistisch zoiets in 1940-1942 leek.

Daarnaast hield de regering ongetwijfeld ook rekening met de voor België weinig gunstige hypothese van een verregaande Europese deal, een compromisvrede, waarbij Duitsland nog rechten kon doen gelden op omringende landen. Ook Vichy-Frankrijk zou zich in die onderhandelingen kunnen roeren. Pétain en Laval bleven immers een machtsfactor, omdat de Verenigde Staten de diplomatieke relaties met Vichy-Frankrijk bleef aanhouden (en dat tot in november 1942).

Een tweesporenbeleid biedt een goede verklaring voor het toch wel vreemde feit dat de regering-Pierlot zich tot einde 1942 nauwelijks uitsprak over de bestuurlijke collaboratie in bezet België. Op de BBC verklaren dat ‘de verraders onverbiddelijk zullen worden gestraft’ was even evident als onprecies. De Belgische regering liet de ambtenarij in bezet België begaan, en dat gedoogbeleid had zo zijn gevolgen, onder meer voor wat de Jodenvervolging betreft.

De regering zou later beweren dat ze eigenlijk niet goed geweten had wat er zich in bezet België afspeelde. Dat is onwaarschijnlijk, omdat heel 1941-1942 door, maand na maand, Belgen die het bezette land hadden ontvlucht in Londen aankwamen, onder wie politici en prominenten die de regering-Pierlot konden inlichten. Julius Hoste verbleef sinds de zomer van 1940 in Engeland en verzuchtte op 30 december 1941 in zijn dagboek: ‘Hoe weinig heeft de regering, zelfs na haar overkomst te Londen gedaan, om de mensen tegen de gevolgen van de samenwerking met de Duitsers op hun hoede te stellen.’ Het zou nog een jaar duren vooraleer de regering-Pierlot daarover kleur bekende.

Is het dan verwonderlijk dat de regering-Pierlot in de periode 1940-1942 in Londen maar weinig aanzien genoot en minnetjes behandeld werd door de Britse politici? Belgische historici schrijven zulks toe aan de aarzelende opstelling in de zomer van 1940. Deze verklaring is niet overtuigend: hoeveel politici en regeringen hebben niet gezwalpt in die periode? Toen in het najaar van 1940 duidelijk werd dat er geen Duitse invasie op Groot-Brittannië zou komen, trad er een nieuwe fase in de Britse buitenlandse politiek in. Uitgerekend in die periode, in oktober 1940 nam de regering-Pierlot zijn doorstart in Londen: alles om de beste maatjes met Churchill te worden. Maar nee, de relatie tussen de Belgische en Britse regering was pas oké vanaf…1943.

Hubert Pierlot en de zijnen hielden tot dan alles zoveel mogelijk open, en daarom ook wantrouwden de Britten hen. Churchill kende ongetwijfeld ook een van de beter bewaarde geheimen uit de Eerste Wereldoorlog: in 1915-1916 had Albert I in het geheim besprekingen gevoerd met de Duitsers met het oog op een eventuele compromisvrede. L’histoire se répète.

De hypothese van een mogelijke compromisvrede is een onbekend leesrooster, een zwart gat in de ruimte. Zolang niemand iets observeert, lijkt er niets aan de hand. Maar eens je het weet, valt er plotseling van alles te ontdekken. Een nieuw leesrooster geeft nieuwe inzichten. Twee Nederlandse psychotherapeuten, Kees Van der Velden en Kees Hoogduin, publiceerden ooit een leuk boekje, Anna Karenina en de plastic zak. Uit de nauwgezette beschrijvingen van Lev Tolstoj konden ze afleiden dat Anna op de meest spannende momenten onderuitgaat omdat ze hyperventileert: kortademigheid, snelle pols enzovoort. Je kunt pas zien, als je weet waarnaar je kijkt.

Vanuit een mogelijke compromisvrede (‘halve vrede, ‘plotse vrede’, ‘onverwachte afloop’) kan je, heel 1942 door, interessante passussen aanstrepen in diplomatieke en politieke teksten: in de oorlogsdagboeken van Joseph Goebbels, in de briefwisseling tussen de Belgische ministers, in de correspondentie tussen Roosevelt en Churchill, enzovoort.

Een nieuw leesrooster wijzigt ook de vraagstelling: wat heeft dit alles dan concreet betekend? Vanaf november ’42 laten vele politieke actoren het scenario van de compromisvrede los. De regering-Pierlot in Londen wijzigt haar beleid. In snel tempo zet ze nieuwe bakens uit, met even duidelijke als snoeiharde repressiewetgeving, met een frontale aanval op de secretarissen-generaal, een toenadering tot Nederland (dus het einde van de aloude Belgische zelfstandigheid), belangrijke militaire engagementen in het kamp van de geallieerden.

Ook in bezet België was er een hele ommekeer. Overal herijkten de lokale autoriteiten in ’42 hun tot dan toe erg gewillige medewerking. Voor de Joden in bezet België kwam de nieuwe politiek in elk geval hopeloos te laat. In de zomer van 1942 hadden de nazi’s nog probleemloos Jodenrazzia’s kunnen uitvoeren, in samenwerking met gewillige lokale overheden. Antwerpen liep daarin voorop, nog veel meer dan we tot nu dachten.

De onbestemde stilte in 1940-1942 had dus wel heel concrete gevolgen.

Partner Content