Londense expo viert het genie van Rafaël, de wereldse wonderboy die stierf van te veel liefde

Raphael, Bindo Altoviti, rond 1516-18. Rafaël leefde een leven vol intriges, affaires en vooral fabuleuze kunst.
Dave Mestdach
Dave Mestdach Chef film van Knack Focus

Amper 37 was Rafaël toen hij stierf, maar meer tijd had de wereldse wonderboy van de renaissance niet nodig om zich de eeuwigheid in te schilderen. Een retrospectieve in de Londense National Gallery fêteert diens genie in al zijn glorieuze aspecten.

Quizvraag: wie was de meest succesvolle schilder van de hoge renaissance? Of met andere woorden, wie was de kunstenaar bij wie elke kerkvorst of edelman wel een portret, een fresco of desnoods een nieuwe badkamerdecoratie wilde bestellen? Antwoord: néé, dat was niet Michelangelo of Leonardo, maar wel Rafaël. Toen hij stierf op zijn 37e was hij dé artistieke superster van zijn tijd. Met voorsprong zelfs. Alleen was hij zo populair en productief, en oogde zijn kunst zo perfect dat kunsthistorici en biografen, zeker toen het modernisme en vogue raakte, hun focus almaar meer gingen richten op de tragische heroïek van die andere twee titanen.

Leonardo da Vinci groeide uit tot het zinnebeeld van de uomo universale, de totaalkunstenaar die tussen het schilderen van de Mona Lisa door nog gauw even een vliegmachine ontwierp of een mathematische stelling oploste. Michelangelo Buonarroti werd het archetype van het getormenteerde genie dat weliswaar de hand naar God reikte in de Sixtijnse Kapel, maar daarbuiten al eens in een aardse colère schoot. En de keurige, nette Rafaël? Die werd de wereldse wonderboy die zich tevreden moest stellen met het onderste trapje van de Heilige Drievuldigheid van de Hoge Renaissance.

In zijn tragisch korte carrière wist Rafaël, de Mozart van de renaissance, de hele westerse kunstcanon te veranderen, en niet omdat hij zo’n deugdzame jongen was.

Iets meer dan vijf eeuwen na zijn dood – hij stierf symbolisch genoeg op Goede Vrijdag 6 april 1520 – is het nog altijd wachten op een geromantiseerde Hollywoodbiopic of een internationale bestseller over Rafaëls leven. Al komt daar straks misschien verandering in dankzij de fabuleuze retrospectieve die de Londense National Gallery nu aan hem wijdt. De tentoonstelling had moeten samenvallen met Rafaëls vijfhonderdste sterfjaar, maar liep twee jaar vertraging op door de coronapandemie. Ze illustreert meer dan zijn merites als schilder, tekenaar, architect, ontwerper, theoreticus, printmaker en archeoloog. Negentig werken, bijna allemaal van de hand van de Italiaanse meester zelf, onthullen ook een capricieuze persoonlijkheid. Hij was misschien niet zo’n grote vormvernieuwer, laat staan eenzelvige excentriekeling als Leonardo en Michelangelo, maar kon in zijn even spectaculaire, productieve als korte carrière minstens zo lyrisch, dramatisch en autoritair uit de hoek komen. Wat die woeste modernisten ook mochten beweren.

Furore in Firenze

De expo is chronologisch opgevat, en begint met een prachtige schets – vermoedelijk een zelfportret – die Rafaël, oftewel Raffaello Sanzio zoals hij bij de burgerlijke stand van Urbino te boek stond, in zijn geboortestad maakte toen hij amper vijftien was. Ze onthult een verrassend mature hand en een even verrassend groot zelfbewustzijn. Toch zeker voor een knul van relatief bescheiden komaf, zijn vader Giovanni was hofschilder. Al op zijn elfde werd Rafaël wees, zijn priester- oom nam hem onder zijn hoede. Het is alsof de adolescent, in de subtiele schittering van zijn jeugdige ogen, toen al wist dat hij later furore zou maken in Firenze en daarna ook in Rome.

Londense expo viert het genie van Rafaël, de wereldse wonderboy die stierf van te veel liefde
© Raphael, The Virgin and Child with the Infant Saint John the Baptist (‘The Alba Madonna’), rond 1509-11

Maar niet al zijn faam en fortuin kwamen er door zijn haast godgelijke, aangeboren talent. Hoewel hij al op zijn zeventiende ‘meester’ werd, nadat hij leerling was geweest bij Pietro Perugino, besefte hij als geen ander dat hij zijn voorgangers en tijdgenoten maar beter goed kon bestuderen, om zich hun ideeën eigen te maken en verder door te trekken. Kijk naar La Muta (1507), zijn discreet overweldigende en rijkelijk gedetailleerde portret van een onbekende jonkvrouw. Let op de subtiele gelijkenissen met Leonardo’s minstens zo mysterieuze en gereserveerde Mona Lisa, die Rafaël het jaar daarvoor had kunnen bewonderen.

Of neem de Ansidei Madonna (1507), nog een topwerk uit zijn Florentijnse periode dat je zo’n beetje als de synthese van zijn vroege invloeden zou kunnen beschouwen. De dynamische, haast filmische manier waarop de figuren met elkaar interageren, als in een levensechte choreografie, had hij bij Michelangelo gezien. De serene, emotionele intimiteit ontleende hij aan de sculpturen van Donatello. Alleen had Rafaël de gave, én de branie, om zich niet te laten intimideren door zijn invloeden en bezat hij ook de kracht om zich ervan te ontvoogden. Hij creëerde kunst die zo rijk was aan picturale schoonheid, zo uitgebalanceerd van vorm en zo nobel qua sfeer dat ze na zijn dood drie eeuwen lang aan academies zou onderwezen worden als de ‘juiste, correcte stijl’. Tenminste, tot de moderne tijd aanbrak, en de rimpelloze Rafaël van zijn piëdestal werd getrapt.

Vooral in de talloze Madonna’s met kind, een van zijn specialiteiten, ontwaar je zijn kenmerkende, o zo gracieuze, mathematisch precieze stijl. De Alba Madonna (1511), gemaakt nadat hij Firenze had ingeruild voor Rome, is een tondo in zacht blauw, roze en groen, met de jonge Jezus en Johannes de Doper die spelen in Maria’s schoot. Het is een lieflijk, levendig en bucolisch tafereel. Maar wat het ronde werk zo intrigerend maakt, onaards en zelfs wat spookachtig, zijn de perfecte proporties en de afgemeten zin voor ruimte. Het is bijna alsof je naar een geometrische stelling staat te kijken. Rafaël modelleerde de Heilige Maagd naar zijn vroeg gestorven moeder. Ze oogt zo licht en sierlijk dat ze niet op de grond lijkt te zitten, maar in het ijle zweeft.

Veel liefde

Zoals alle renaissancekunstenaars was ook Rafaël gefascineerd door de klassieke oudheid, al is ‘geobsedeerd’ in zijn geval wellicht een beter woord. Hij bestudeerde de oude ruïnes van Rome en las de klassieke teksten, zoals hij tegen paus Leo X getuigt in enkele, bravoureus geschreven brieven die op de expo te lezen zijn. En zijn klassieke zin voor proporties, hoe lichamen en gebouwen moeten worden gebouwd op muzikale intervallen? Die principes haalde hij bij Vitruvius’ De architectura. Geen wonder dat Rafaëls werk, met zijn anatomische, archeologische en architecturale meesterschap, vaak wordt geassocieerd met de term ‘klassieke kalmte’. Maar klassiek en kalm betekenen nog niet koud en levenloos, zoals zijn modernistische criticasters in hun honger naar turbulentie weleens claimden.

Raphael, Portrait of Pope Julius II, 1511.
Raphael, Portrait of Pope Julius II, 1511.

Er zit plezier in zijn werk, en liefde. Véél liefde. Dat is bij uitstek te zien in de privéportretten, die hij vooral aan het einde van zijn leven schilderde. Al maakte Rafaël – als de onvermoeibare workaholic die hij was – er daar frustrerend weinig van. Enkele hangen in de laatste zaal van de tentoonstelling, en stellen – welja – ‘vrienden’ van hem voor, waardoor het aanvoelt alsof er plots een wolk van sensualiteit in je gezicht geblazen wordt. Het lijkt alsof eindelijk ook de privépersoon Rafaël vanuit zijn kunst tevoorschijn komt, nadat je eerst een duizelingwekkende parade aan gracieus geschilderde maagden, heiligen, pausen en kardinalen hebt zien passeren.

Er is het duidelijk door Da Vinci beïnvloede, in sobere kleuren en clair-obscur gegoten portret van de jonge, blonde mecenas Bindo Altoviti (1515). Hij kijkt je van over zijn schouder zo zwoel aan met zijn hemelsblauwe ogen en getuite lippen dat het lijkt alsof hij voor een parfum van Jean Paul Gaultier aan het poseren is. En er is het gloedvolle zelfportret met vriend, leerling en latere maniërist Giulio Romano (1519-20), waarin hij vol tederheid zijn hand over diens schouder legt. Alsof er een intiem snapshot uit hun dagboek werd gerukt.

Toen hij als architect meewerkte aan de herinrichting van het Pantheon, leek het hem niet meer dan normaal om daar alvast een graftombe voor zichzelf te reserveren.

Daarnaast is er ook het heerlijk suggestieve, zeg maar gerust in zweet en hormonen badende La Fornarina (1518-19). Dat betekent ‘bakkersdochter’, maar was vaak een eufemisme voor meisje van lichte zeden. Het is een vrank damesportret, inclusief blote borsten, dat duidelijk nooit voor publieke consumptie was bedoeld. Het cast je als kijker in de rol van voyeur. En dat vindt de freule in kwestie best wel grappig, aangezien ze haar lach lijkt in te houden. Is de vrouw op dat doek Margarita Lutti, zijn model en minnares? Of was ze Rafaëls fantasiebeeld van de ideale belladonna, waaraan ook diens zedige maagden ontsproten? En wat mogen we geloven van de mythe dat ze hem tijdens het hartstochtelijk vrijen zo had uitgeput, dat hij het uiteindelijk met zijn leven bekocht, een van de vele roddels die na zijn dood de kop opstaken? Volgens de zestiende-eeuwse biograaf Giorgio Vasari stierf Rafaël in elk geval aan ’te veel liefde’, of vertaald uit renaissancejargon: aan soa’s. Al bezweek hij meer dan waarschijnlijk aan uitputting en griep nadat zijn dokters hem een foute behandeling hadden voorgeschreven.

Popster

Rafaël was niet noodzakelijk het heilige boontje dat zijn academische bewonderaars zo graag van hem maakten, zo leert de expo. Als we zijn tijdgenoten mogen geloven, was hij charmant, immer goedgeluimd en smaakvol gekleed, een gewiekste netwerker en een zeer zelfbewuste jongen bovendien. Hij ging naar Rome op verzoek van zijn beate bewonderaar paus Julius II – van wie hij in 1512 een even verontrustend, ontroerend als diep melancholisch portret schilderde. Die reis naar Rome maakte hij met de expliciete ambitie om zich te meten met Leonardo, Michelangelo en andere renaissancereuzen. En toen hij als architect meewerkte aan de herinrichting van het Pantheon, leek het hem niet meer dan normaal om daar alvast een graftombe voor zichzelf te reserveren.

Raphael, Portrait of a Woman ('La Fornarina'), rond 1519-20
Raphael, Portrait of a Woman (‘La Fornarina’), rond 1519-20

Zoals elke popster wist hij zichzelf donders goed te verkopen. Overal, en op verschillende domeinen. Hij werkte samen met meesterprintmaker Marcantonio Raimondi, die zijn werk tot ver buiten Italië hielp te verspreiden, iets wat hij van zijn noordelijke tijdgenoot Albrecht Dürer had geleerd. Hij maakte bronzen medaillons samen met goudsmid Cesarino Rossetti. Hij tekende de eerste schetsen voor de Sint-Pietersbasiliek in Rome, toen hij na de dood van Donato Bramante in 1514 door het Vaticaan tot architect was aangesteld. En de expo bevat ook een indrukwekkend wandtapijt van de befaamde Vlaamse wever Pieter van Aelst, gebaseerd op kartontekeningen die Rafaël had gemaakt.

Maar zijn grootste ‘hit’, het werk dat écht een wereldster van hem maakte, zoals Leonardo zijn Mona Lisa had en Michelangelo zijn Sixtijnse Kapel? Dat blijft de School van Athene (1509-1510), de glorieuze hommage aan de rede en de Griekse filosofen. Dat iconische fresco is enkel te bewonderen in het apostolisch paleis van het Vaticaan, waar Rafael nog vier andere appartementen of stanze inrichtte in opdracht van paus Julius II. Maar de tentoonstelling in the National Gallery trakteert je op een levensgrote reproductie die tenminste toch een idee geeft van de grandeur van het werk.

Rafaël werkte aan dat fresco toen Michelangelo even verderop zijn Sixtijnse Kapel aan het schilderen was. Het imposante werk bevat zelfs een portret van zijn oudere rivaal. Rafaël cast hem in de rol van Heraclitus, een oude Griek die wordt afgebeeld als een nukkige, dodelijk serieuze eenzaat. Al is het niet helemaal zeker of het ook effectief een satirische uithaal naar zijn notoir kolerieke concullega was.

Londense expo viert het genie van Rafaël, de wereldse wonderboy die stierf van te veel liefde
© Corbis via Getty Images

Wel zeker is dat de magnifieke tentoonstelling verbaast en verbluft op alle niveaus. Op het overweldigende af. Schilderijen, tekeningen, prenten, brieven, en zelfs maquettes van architecturale projecten: ze tonen een briljante kunstenaar die het renaissancistische ideaal van de universele mens tot in het diepste van zijn poriën incarneerde, die het leven vierde in al zijn lusten, listen en mysteriën, en die een indrukwekkend oeuvre naliet dat voortvloeide uit een droom van schoonheid en harmonie.

Dat die droom amper twee decennia duurde, doet bovendien de vraag rijzen: wat als Rafaël, die meer dan een eeuw lang uit de mode was, niet al op zijn 37e was gestorven aan ’te veel liefde’? Zou hij Leonardo en Michelangelo nog meer hebben overvleugeld? En hoe zou zijn werk zijn geëvolueerd? In zijn tragisch korte carrière wist Rafaël, zo’n beetje de Mozart van de renaissance, al de hele westerse kunstcanon te veranderen, en niet omdat hij altijd zo’n vlotte, deugdzame en productieve jongen was. Hij leefde een leven vol intriges, affaires en vooral fabuleuze kunst. Het is dus hoog tijd dat Hollywood eens een biopic wijdt aan de wereldse wonderboy Rafaël. Al was het maar om voorgoed het saaie, stoffige imago weg te poetsen dat hij in de vorige eeuw kreeg. De expo in National Gallery slaagt daar alvast wonderlijk in.

De tentoonstelling Raphael loopt nog tot 31 juli in The National Gallery in Londen.

Raffaello Sanzio

– 1483: geboren in Urbino als Raffaello Sanzio

– Krijgt les van zijn vader Giovanni Santi, die hofschilder is, maar al in 1494 sterft

– 1500-1504: studeert bij Pietro Perugino

– 1504: trekt naar Florence, waar hij beïnvloed raakt door Leonardo da Vinci en Michelangelo Buonarroti

– 1508: komt aan in Rome. Decoreert er onder meer de Stanza delle Signatura, waarvan De School van Athene het beroemdste fresco wordt

– 1520: sterft op 6 april in Rome. Is op dat moment de populairste en meest succesvolle schilder van zijn tijd

– Drie eeuwen lang is hij het te volgen voorbeeld, tot de modernisten hem van zijn voetstuk halen wegens te glad en te perfect

Partner Content