Hoe Oekraïense journalisten onbedoeld een Russische raketaanval hielpen lanceren

De loods in Kiev brandt uit na de Russische raketinslag. © Roman Botsjkala
Brecht Castel
Brecht Castel Journalist en factchecker bij Knack

De oorlog in Oekraïne kunnen we live volgen via sociale media. Die transparantie maakt het documenteren van oorlogsmisdaden makkelijker, maar heeft ook een schaduwzijde. Knack onderzocht hoe een Russisch Telegram-kanaal Oekraïense doelwitten lokaliseert.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Het was op 16 april hard ontwaken voor de bewoners van Kiev. Vroeg in de ochtend, ver weg van de frontlinie, sloeg in het oosten van de stad een Russische raket in. Geen bommenregen met clustermunitie zoals in Marioepol of Charkiv, maar een uiterst precies gerichte aanval op één gebouw, een loods. Minstens drie Oekraïense burgers overleefden de aanval niet. Meteen rezen er vragen. Waarom werd net die loods geraakt? Hoe werd de locatie van het doelwit achterhaald? En wie is verantwoordelijk voor de doden?

Knack zocht samen met VRT NWS en buitenlandse onderzoeksjournalisten (*) naar antwoorden in publieke onlinebronnen zoals berichten op sociale media en satellietbeelden. Die onderzoeksmethode heet OSINT, wat staat voor Open Source INTelligence. Journalisten en mensenrechtenactivisten gebruiken de techniek om oorlogsmisdaden in Oekraïne te documenteren. Maar uit ons onderzoek blijkt dat OSINT ook kan worden gebruikt om actief oorlog te voeren.

De raketinslag in Kiev vernietigde de loods vrijwel volledig, zo blijkt uit satellietbeelden van Planet Labs PBC, een bedrijf dat satellietbeelden aanbiedt. De omliggende gebouwen liepen geen schade op, wat wijst op een precisiebombardement.

De woordvoerder van het Russische leger, Igor Konashenkov, zou nadien verklaren dat ‘een uiterst precies langeafstandswapen vanuit de lucht het productiegebouw van een tankfabriek in Kiev (…) had verwoest’. Vitali Klitsjko, de burgemeester van Kiev, meldde dat ‘als gevolg van een raketaanval in het district Darnytskyi één dode was gevallen en dat verscheidene gewonden in het ziekenhuis waren opgenomen’.

Dat laatste bleek een onderschatting. Op foto’s van de Oekraïense nieuwssite gazeta.ua waren drie lijken te zien op de plaats van de inslag. Mogelijk stierven er zelfs vijf burgers. Op 5 mei gaf de Oekraïense president Volodymyr Zelensky aan vijf werknemers van ‘de pantserfabriek van Kiev’ postuum het ereteken van de ‘orde voor dapperheid’. Dat lijkt erop te wijzen dat er twee doden meer te betreuren vielen.

Na de klap. De bouwstructuur toont dat het om hetzelfde gebouw gaat als in de tv-reportage.
De lijken liggen voor het gebombardeerde pand. © Roman Botsjkala

De aanloop

En zeggen dat het goedbedoeld begonnen was. Op 7 april, negen dagen voor de aanval, zond de Oekraïense tv-zender 1+1 een reportage uit over de militaire herstelplaats.

De Oekraïense tv-kijkers zagen hoe in beslag genomen Russische tanks werden hersteld en omgebouwd om te dienen voor het Oekraïense leger. ‘Elektriciens installeren Oekraïense radiocommunicatie in plaats van Russische’, vertelde een journalist. ‘Ze haasten zich, want dit voertuig moet zo snel mogelijk terug naar het front. Maar deze keer met de loop gericht naar de voormalige eigenaars.’

De reportage liet alleen beelden zien van de binnenkant van de loods. Daardoor leek het niet meteen mogelijk om de locatie te achterhalen. Maar de video werd gretig gedeeld op sociale media als Reddit (links) én op het Russische VKontakte (rechts).

En zo kwamen de beelden terecht bij vrijwillige Russische OSINT-onderzoekers: Rybar, een anoniem Russisch Telegramkanaal met een half miljoen volgers. Rybar betekent ‘visser’ in het Russisch en zegt door middel van OSINT naar ‘interessante informatie’ te vissen. Het kanaal bericht vanuit Russisch perspectief over de oorlog.

De zoektocht

Rybar postte op 14 april, twee dagen voor de raketinslag, dat het ‘na een gedetailleerde analyse’ de precieze plek van de werkplaats had achterhaald. De bedoelingen waren duidelijk: ‘Deze locatie is het zeker waard om er meerdere raketten naartoe te sturen.’ Hun bericht bevatte screenshots van de reportage van de Oekraïense zender 1+1 (rode kaders), toonde de locatie van de loods op een kaart en op satellietbeelden (blauw kader), én bevat zelfs de exacte gps-coördinaten van het gebouw (groen kader). Die had Rybar kunnen achterhalen via OSINT.

De journalist van 1+1 had het over fabrieken gehad waar T-72-tanks worden gerepareerd. Een eenvoudige zoekactie naar ‘tank’ en ‘fabriek’, in het Oekraïens, levert weinig resultaten op, aangezien Oekraïne maar een handvol belangrijke fabrieken voor gepantserde voertuigen telt. Op basis van die paar fabrieken begon Rybar oude Googlebeelden ervan te scannen en ze te vergelijken met de reportage. Door andere fabrieken uit te sluiten – met name op basis van de kleur van de muren, de grootte van de ramen en de hoogte van het plafond – werd de conclusie duidelijk: dit was de Kyiv Armored Plant, de ‘pantserfabriek van Kiev’ waar Zelensky het over had gehad. Het is ook de plaats waar T-72-voertuigen werden gerepareerd voor de invasie. Om de precieze locatie van de loods te achterhalen werden satellietbeelden van Google Earth gebruikt.

Hier staat ingevoegde content die informatie op uw apparaat wil opslaan en/of openen. U heeft hiervoor geen toestemming gegeven.
Klik hier om dit alsnog toe te laten

Toen vertrok de raket.

Rybar eiste zijn aandeel in de dodelijke aanval op: ‘Op 14 april heeft ons team een reparatiewerkplaats voor militaire voertuigen gelokaliseerd op het gebied van de pantservoertuigenfabriek van Kiev. (…) In de nacht van 15 op 16 april werd de installatie verwoest. Het is wellicht de beste bevestiging van het praktische nut van ons werk (coördinaten van mogelijke doelwitten publiceren, nvdr).’

De propaganda-aanval

Rybar klopte zich dan wel op de borst, de militaire impact van de raketaanval was beperkt. Een video op Telegram toont dat er minstens drie pantservoertuigen aanwezig waren in het gebouw toen het werd vernietigd. Het pand kon maar een tiental voertuigen herbergen, dus veel meer materiële schade was niet mogelijk.

Sinds het begin van de oorlog nam Oekraïne al minstens 376 Russische pantservoertuigen in beslag, waaronder tanks. Deze raketinslag lijkt dus een druppel op een hete plaat. Mart de Kruif, gewezen luitenant-generaal van het Nederlandse krijgsmacht, is het daarmee eens. ‘In mijn ogen is dit een militair doel met lage waarde’, zegt hij. De inschatting van Henry Schlottmann, gewezen militair analist van het Amerikaanse leger, is dat ‘de vernietigde werkplaats maar enkele voertuigen bevatte, waardoor de strategische waarde van de aanval beperkt bleef’.

‘Het is mogelijk dat de Russen hier een precisiewapen hebben ingezet, maar dat is niet efficiënt’, zegt De Kruif. ‘De Russen hebben een groot probleem met hun voorraad langeafstandsprecisiewapens. Die schaarse middelen dan inzetten tegen een doel met een beperkte waarde lijkt me meer een psychologisch dan een militair effect te hebben. Het gaat dus om een aanval met een sterk propagandistisch karakter.’

De verantwoordelijkheid

De online-informatieoorlog die tussen Rusland en Oekraïne wordt gevoerd, gaat dus niet alleen over zieltjes winnen met propaganda of de tegenpartij hacken. Ook OSINT heeft een reële impact op het slagveld. Het hoeft niet te verbazen dat de Oekraïense regels voor oorlogsjournalisten bijzonder streng zijn. Zo vaardigde Valerii Zaluzhnyi, de opperbevelhebber van de Oekraïense strijdkrachten, op 3 maart een decreet uit dat journalisten onder andere verbiedt om ‘beschrijvingen, afbeeldingen en symbolen die militaire faciliteiten identificeren of zouden kunnen identificeren openbaar te maken’. Die regel werd hier duidelijk geschonden. De journalist van 1+1 die in de loods ging filmen werkt nog altijd voor de zender. Knack vroeg hem en het station om een reactie, maar kreeg geen antwoord.

Ook burgers die op sociale media informatie delen die nuttig kan zijn voor de Russen kunnen gestraft worden. Iemand die op TikTok liet weten dat een Oekraïens bataljon zich schuilhield in de parkeergarage onder een winkelcentrum – waarna de Russen het winkelcentrum bombardeerden – werd opgepakt door de Oekraïense veiligheidsdienst SBU.

Als je dat weet, gaat ook de eigenaar van de loods, het Oekraïense militaire staatsbedrijf Ukroboronprom, niet vrijuit. De journalist van 1+1 moest toestemming krijgen om te filmen in de loods. Die heeft hij persoonlijk gekregen van directeur Yuriy Gusev, die ook werd geïnterviewd in de reportage. Achteraf protesteerden werknemers van Ukroboronprom tegen hun management met een staking.

Directeur van Ukroboronprom Yuriy Gusev in de reportage van 1+1.

Aan Oekraïense zijde werden dus zeker fouten gemaakt. Maar zonder het OSINT-onderzoek van Rybar was de tv-reportage het Russische leger misschien ontgaan. Rybar telt naar eigen zeggen meer dan 150 vrijwillige OSINT-onderzoekers. Het ontvangt giften via cryptomunten op een rekeningnummer in Moskou. Dat Russische OSINT-leger publiceerde al meer dan 150 coördinaten, waaronder potentiële doelwitten zoals bruggen, treinstations en verzamelpunten voor hulpgoederen in Oekraïne. Het lijkt in te druisen tegen de servicevoorwaarden van de Russische chatapp Telegram, die verbieden om ‘geweld te promoten op openbaar zichtbare Telegramkanalen’.

Succesvol oorlog voeren vereist in 2022 dat journalisten, burgers en soldaten gevoelige informatie vooral niet delen op sociale media. Anders staat aan de andere kant van het front een OSINT-leger klaar om doelwitten aan te wijzen. Oorlogsdaden documenteren én initiëren: het kan met dezelfde onlinezoektechnieken. Dat weten we met zekerheid sinds die fatale zestiende april.

(*) Dit onderzoek is een samenwerking van onderzoeksjournalisten Amra Dorjbayar (VRT NWS), Archit Mehta (Alt News), Ben Heubl, Brecht Castel (Knack), Kalim Ahmed (Alt News) en de vrijwilligers van GeoConfirmed en Alberto Olivieri.

Reageren op dit artikel kan u door een e-mail te sturen naar lezersbrieven@knack.be. Uw reactie wordt dan mogelijk meegenomen in het volgende nummer.

Partner Content