Kan een multilaterale, op regels gebaseerde wereldorde blijven bestaan wanneer de concurrentie tussen grootmachten toeneemt? Philippe Nys bepleitte onlangs op Knack.be de stelling dat Europa maar best de veranderende machtsbalans als kompas hanteert om een eigen koers inzake buitenlandbeleid te bepalen.

Een breuk tussen Europa en Amerika is een enorme geopolitieke gok.

Hierbij reikt hij een aantal pertinente inzichten aan, zoals de vaststelling dat het geopolitieke zwaartepunt van de wereldpolitiek verschuift naar de relatie tussen Amerika en Oost-Azië. Nadenken over de belangen van Europeanen en over de samenhang tussen de binnenlandse en de buitenlandse politiek is inderdaad broodnodig. Het is dan ook een positief signaal dat een volgende generatie van beleidsmakers zich over deze kwesties buigt, aangezien die kwesties onze toekomstige veiligheid en welvaart zullen beïnvloeden op een wijze die we in geen decennia hebben meegemaakt.

Om dit debat te verrijken wil ik evenwel een drietal aanvullende elementen aanreiken. We kunnen de analyse van Nys immers ook met andere ogen bekijken. Niet alleen wat betreft de trans-Atlantische relatie en de militaire veiligheid van Europa, maar ook over de machtsexpansie van China.

Europese samenwerking is in grote mate het product van Amerikaanse diplomatie.

Eerst en vooral dient elke analyse van de Europese belangen per definitie vanuit het voortbestaan van de Europese constructie te vertrekken. Historisch gesproken is Europese samenwerking na WOII in grote mate het product van de Amerikaanse diplomatie. Zoals Rolf Falter in zijn monumentale studie De geboorte van Europa uitvoerig toelicht, lag de steun van de VS mee aan de oorsprong van de politieke architectuur die we vandaag in Europa kennen.

We kunnen ook vaststellen dat diepe meningsverschillen met de VS - zoals in 2003 over Irak - steeds de neiging hebben om Europa intern uiteen te rijten. Stellen dat Europa en de VS fundamenteel uiteenlopende strategische prioriteiten hebben, gaat daarom uit van de veronderstelling dat de Europese eenheid een trans-Atlantische breuk kan overleven. Dit vormt een geopolitieke gok van kolossale proporties, eenvoudigweg omdat het ons aan historisch precedent ontbreekt.

Meningsverschillen met de VS hebben de neiging om Europa intern uiteen te rijten.

Ten tweede vormt de Europese afhankelijkheid inzake militaire veiligheid een tweesnijdend zwaard. Zonder de nucleaire paraplu van de VS is Rusland namelijk veel meer dan een 'kiezelsteen voor Oost-Europa'. Een groot nucleair arsenaal staat Moskou toe om zichzelf een status toe te meten die onevenredig is met het economische gewicht, en dient bovendien mee als stok achter de deur om het hele Europese continent te intimideren en vervolgens met andere instrumenten te ontwrichten.

Uiteraard dienen Europese landen hun militaire engagementen zoals in de NAVO afgesproken na te komen: anders ondergraven we zelf de multilaterale orde die we claimen te verdedigen. Het uitbouwen van voldoende Europese militaire macht om zonder de VS een militaire confrontatie met Rusland aan te kunnen, is echter nog een uitdaging van een andere orde.

Zoals het ontluikende veiligheidsdebat in Berlijn aangeeft, veronderstelt dit wellicht de uitbouw van Europese kernwapens en een brede waaier van andere militaire capaciteiten. Het politieke en financiële kostenplaatje hiervan - met bijhorende militaire risico's - is bovendien navenant. Vormt dit echter een vooruitzicht dat de Europese cohesie versterkt? Het bestendigen van diezelfde trans-Atlantische veiligheidsrelatie impliceert bovendien geen vazallenstatus waarbij Europa een verlengstuk van de Amerikaanse diplomatie vormt: daarvoor zijn de historische tegenvoorbeelden zoals Vietnam en Irak al te talrijk.

De relatie met de VS verderzetten impliceert geen vazallenstatus voor Europa.

Zoals Nys terecht aangeeft, vormt de expansie van de economische en militaire macht van China de grootste uitdaging voor de VS, maar mijn derde bedenking is evenwel of deze evolutie louter de VS aanbelangt. Ook Europese landen hebben immers legitieme individuele en collectieve economische belangen ten opzichte van de opmars van China. Bovendien kunnen we onmogelijk voorbijgaan aan het feit dat de competitie tussen de VS en China een competitie tussen een democratisch en een autocratisch staatsmodel behelst.

Multilaterale oplossingen kunnen deze competitie in de mate van het mogelijke helpen beheersen, en verdienen bijgevolg een sterke voorkeur. Indien dit echter niet mogelijk zou blijken, dan bevindt Europa zich hopelijk ondubbelzinnig in het democratische kamp. In die zin is de vaststelling dat de liberale democratie in de VS onder druk staat - net als in een aantal Europese landen overigens - inderdaad een waarschuwing.

De vraag is echter of de buitenlandse politiek de binnenlandse bepaalt, dan wel omgekeerd. Men kan het democratische verval namelijk ook lezen als een signaal dat beleidsmakers aan beide zijden van de Atlantische oceaan nieuwe beleidsantwoorden moeten verzinnen die de liberale democratie verzoenen met de gevolgen op lange termijn van de voorbije globalisering, en de identiteitsvraagstukken en herverdeling van welvaart die daarbij gepaard gaan.

Vanuit een Belgisch perspectief staat het buiten kijf dat het bestendigen van een multilaterale wereldorde - mede gebouwd op een Europese hoeksteen - in ons nationaal belang is. Dit vormt dan ook de rode draad van onze naoorlogse diplomatie en veiligheidsbeleid. Dit wil echter niet zeggen dat dit vanzelfsprekend de toekomstige realiteit wordt. Een multipolaire wereld is namelijk slechts uitzonderlijk multilateraal te noemen.

In die zin bestaat de grootste uitdaging in eigen land er wellicht in om opnieuw de nodige beleidsinstrumenten te ontwikkelen om met deze transformatie van de mondiale orde om te gaan. In het beste geval helpen deze om internationaal het verschil te kunnen maken. Deze zijn tevens van cruciaal belang om staande te blijven in een alternatieve wereldorde van multilateraal verval.

Kan een multilaterale, op regels gebaseerde wereldorde blijven bestaan wanneer de concurrentie tussen grootmachten toeneemt? Philippe Nys bepleitte onlangs op Knack.be de stelling dat Europa maar best de veranderende machtsbalans als kompas hanteert om een eigen koers inzake buitenlandbeleid te bepalen. Hierbij reikt hij een aantal pertinente inzichten aan, zoals de vaststelling dat het geopolitieke zwaartepunt van de wereldpolitiek verschuift naar de relatie tussen Amerika en Oost-Azië. Nadenken over de belangen van Europeanen en over de samenhang tussen de binnenlandse en de buitenlandse politiek is inderdaad broodnodig. Het is dan ook een positief signaal dat een volgende generatie van beleidsmakers zich over deze kwesties buigt, aangezien die kwesties onze toekomstige veiligheid en welvaart zullen beïnvloeden op een wijze die we in geen decennia hebben meegemaakt. Om dit debat te verrijken wil ik evenwel een drietal aanvullende elementen aanreiken. We kunnen de analyse van Nys immers ook met andere ogen bekijken. Niet alleen wat betreft de trans-Atlantische relatie en de militaire veiligheid van Europa, maar ook over de machtsexpansie van China.Eerst en vooral dient elke analyse van de Europese belangen per definitie vanuit het voortbestaan van de Europese constructie te vertrekken. Historisch gesproken is Europese samenwerking na WOII in grote mate het product van de Amerikaanse diplomatie. Zoals Rolf Falter in zijn monumentale studie De geboorte van Europa uitvoerig toelicht, lag de steun van de VS mee aan de oorsprong van de politieke architectuur die we vandaag in Europa kennen. We kunnen ook vaststellen dat diepe meningsverschillen met de VS - zoals in 2003 over Irak - steeds de neiging hebben om Europa intern uiteen te rijten. Stellen dat Europa en de VS fundamenteel uiteenlopende strategische prioriteiten hebben, gaat daarom uit van de veronderstelling dat de Europese eenheid een trans-Atlantische breuk kan overleven. Dit vormt een geopolitieke gok van kolossale proporties, eenvoudigweg omdat het ons aan historisch precedent ontbreekt.Ten tweede vormt de Europese afhankelijkheid inzake militaire veiligheid een tweesnijdend zwaard. Zonder de nucleaire paraplu van de VS is Rusland namelijk veel meer dan een 'kiezelsteen voor Oost-Europa'. Een groot nucleair arsenaal staat Moskou toe om zichzelf een status toe te meten die onevenredig is met het economische gewicht, en dient bovendien mee als stok achter de deur om het hele Europese continent te intimideren en vervolgens met andere instrumenten te ontwrichten. Uiteraard dienen Europese landen hun militaire engagementen zoals in de NAVO afgesproken na te komen: anders ondergraven we zelf de multilaterale orde die we claimen te verdedigen. Het uitbouwen van voldoende Europese militaire macht om zonder de VS een militaire confrontatie met Rusland aan te kunnen, is echter nog een uitdaging van een andere orde. Zoals het ontluikende veiligheidsdebat in Berlijn aangeeft, veronderstelt dit wellicht de uitbouw van Europese kernwapens en een brede waaier van andere militaire capaciteiten. Het politieke en financiële kostenplaatje hiervan - met bijhorende militaire risico's - is bovendien navenant. Vormt dit echter een vooruitzicht dat de Europese cohesie versterkt? Het bestendigen van diezelfde trans-Atlantische veiligheidsrelatie impliceert bovendien geen vazallenstatus waarbij Europa een verlengstuk van de Amerikaanse diplomatie vormt: daarvoor zijn de historische tegenvoorbeelden zoals Vietnam en Irak al te talrijk.Zoals Nys terecht aangeeft, vormt de expansie van de economische en militaire macht van China de grootste uitdaging voor de VS, maar mijn derde bedenking is evenwel of deze evolutie louter de VS aanbelangt. Ook Europese landen hebben immers legitieme individuele en collectieve economische belangen ten opzichte van de opmars van China. Bovendien kunnen we onmogelijk voorbijgaan aan het feit dat de competitie tussen de VS en China een competitie tussen een democratisch en een autocratisch staatsmodel behelst. Multilaterale oplossingen kunnen deze competitie in de mate van het mogelijke helpen beheersen, en verdienen bijgevolg een sterke voorkeur. Indien dit echter niet mogelijk zou blijken, dan bevindt Europa zich hopelijk ondubbelzinnig in het democratische kamp. In die zin is de vaststelling dat de liberale democratie in de VS onder druk staat - net als in een aantal Europese landen overigens - inderdaad een waarschuwing. De vraag is echter of de buitenlandse politiek de binnenlandse bepaalt, dan wel omgekeerd. Men kan het democratische verval namelijk ook lezen als een signaal dat beleidsmakers aan beide zijden van de Atlantische oceaan nieuwe beleidsantwoorden moeten verzinnen die de liberale democratie verzoenen met de gevolgen op lange termijn van de voorbije globalisering, en de identiteitsvraagstukken en herverdeling van welvaart die daarbij gepaard gaan.Vanuit een Belgisch perspectief staat het buiten kijf dat het bestendigen van een multilaterale wereldorde - mede gebouwd op een Europese hoeksteen - in ons nationaal belang is. Dit vormt dan ook de rode draad van onze naoorlogse diplomatie en veiligheidsbeleid. Dit wil echter niet zeggen dat dit vanzelfsprekend de toekomstige realiteit wordt. Een multipolaire wereld is namelijk slechts uitzonderlijk multilateraal te noemen. In die zin bestaat de grootste uitdaging in eigen land er wellicht in om opnieuw de nodige beleidsinstrumenten te ontwikkelen om met deze transformatie van de mondiale orde om te gaan. In het beste geval helpen deze om internationaal het verschil te kunnen maken. Deze zijn tevens van cruciaal belang om staande te blijven in een alternatieve wereldorde van multilateraal verval.