Bij de begrafenis van Joseph Ratzinger: van pantserkardinaal tot paus die faalde

De Italiaanse president Mattarella brengt een laatste groet aan het lichaam van Benedictus XVI. © © Dicastero per la Comunicazione - Vatican Media
Walter Pauli

Donderdag is de Sint-Pietersbasiliek in Rome het decor van een plechtigheid die daar nog nooit plaatsvond: de begrafenis van een emeritus-paus. Joseph Ratzinger, alias Benedictus XVI (16 april 1927- 31 december 2022), was dan ook een bijzonder intrigerende man.

‘Daarom verklaar ik, volledig vrij en mij ten volste bewust van de ernst van deze daad, dat ik op 28 februari 2013 om 20.00 uur het ambt neerleg van bisschop van Rome, opvolger van de heilige Petrus, mij toevertrouwd door de kardinalen op 19 april 2005. Daardoor is vanaf dat moment de Heilige Stoel, de stoel van de heilige Petrus, vacant en moet een conclaaf worden bijeengeroepen, door degenen die daarvoor bevoegd zijn, om een nieuwe paus te kiezen.’ Met een lijzige, monotone stem, als een klasleraar in ver vervlogen tijden die de punten Frans dictee afleest, zo nam op maandag 11 februari 2013 paus Benedictus woorden in de mond die voor hem nog geen enkele paus had uitgesproken (toen Gregorius XII in 1415 ontslag nam, gebeurde dat met minder poespas).

De verzamelde kardinalen hoorden hem met stijgende verbazing aan. De aanwezige journalisten hadden niet eens begrepen dat wat ze hoorden wereldnieuws was, omdat de paus zijn aankondiging deed in het Latijn. Op één oudere vrouwelijke collega na: Giovanna Chirri van het Italiaanse persbureau ANSA begreep woord na woord wat de paus zei en belde kalm naar haar redactie. Een kwartier later was er spoedoverleg in redacties overal ter wereld. ‘I listen Latin. I understood’, stamelde Chirri nadien tegenover de BBC – Latijn ging haar duidelijk vlotter af dan Engels. Het was een vorm van commedia dell’ arte waarop Italianen nog altijd het patent hebben, en bij uitbreiding het volk in het Vaticaan.

Het is natuurlijk veelzeggend dat de aankondiging van zijn ontslag tien jaar later nog altijd geduid wordt als de allerbelangrijkst bijdrage van Benedictus XVI aan de kerkgeschiedenis. Dat was het trouwens ook: Benedictus deed de kerk de grootste dienst die hij haar kon bewijzen door op bijna 87-jarige leeftijd vrijwillig ontslag te nemen. Daarmee zette hij een standaard voor zijn opvolgers: in een vergrijzende samenleving is zelfs een paus niet verplicht om langer aan te blijven dan gezond is voor hemzelf én voor de kerk. Het was ook een vorm van publieke biecht. ‘In de huidige wereld, die vele plotselinge veranderingen ondergaat en die wordt opgeschrikt door kwesties die ten zeerste relevant zijn voor het geloofsleven, is het evenwel nodig om zowel over de nodige lichamelijke als over geestelijke kracht te beschikken om het schip van de Heilige Petrus te sturen en het evangelie te verkondigen’, zei Benedictus ook. ‘Deze kracht is de jongste paar maanden bij mij afgenomen, in die mate dat ik moet erkennen dat ik niet meer in staat ben om de taak die mij is toevertrouwd gepast uit te voeren.’

In die zeldzaam eerlijke uitleg school nochtans één leugentje om bestwil: ‘de jongste paar maanden’ – er is meer voor te zeggen dat Joseph Ratzinger beter nooit Benedictus XVI was geworden. Het zat vanaf het begin niet goed. Zijn voorganger, de Pool Karol Wojtyla (1920-2005), had als Johannes Paulus II (1978-2005) de kerk vele jaren lang op een bijzonder krachtige manier bestuurd: hij was zonder discussie een van de figuren die mee een einde maakte aan de Koude Oorlog. Over zijn interne hervormingen in de kerk lopen de meningen uiteen. Vooral bij die laatste operatie was zijn rechterhand de Duitse kardinaal Joseph Ratzinger. Ratzinger was Johannes Paulus’ vertrouwensman, zijn werkpaard, in zekere zin zelfs zijn beul. Een Pool en een Duitser: voor wie de geschiedenis van de twintigste eeuw kent, was het wellicht het minst voor de hand liggende duo dat men zich kon indenken. En toch.

Decadente moraal

In de Tweede Wereldoorlog moest Wojtyla gedwongen arbeid plegen in opdracht van de Baudienst van de nazi’s. Joseph Ratzinger was zestien toen hij in 1943 opgeroepen werd om als Luftwaffenhelfer ingeschakeld te worden in de luchtafweer, de Flak, en later als arbeider bij verdedigingswerken die nooit zouden worden gebruikt. Na afloop van de oorlog schaarde het gezin Ratzinger zich rond het familieorgel en samen zongen ze de hymne: ‘Grosser Gott. Wir loben dich.’

Net als zijn oudere broer Georg trad ook Joseph Ratzinger in het seminarie in. In 1953 werden ze samen tot priester gewijd. De jonge Joseph bleek als snel de intelligentste van de twee, een man van boeken ook, van het geschreven woord. Hij was als het ware voorbestemd om theoloog te worden. Al van in zijn studiejaren stond ‘God’ centraal, de leer van de kerk. Dat was het grote verschil met Wojtyla. In diezelfde naoorlogse jaren studeerde ook Wojtyla voor priester. Maar hij was eigenlijk een filosoof, geen theoloog. Hij vertaalde het werk van de Duitse filosoof Max Scheler, herkende zich in filosofische stromingen als het personalisme en de fenomenologie, en schreef zelfs een boek – Liefde en verantwoordelijkheid – waarin hij de filosofische verdediging op zich nam van de traditionele katholieke huwelijksmoraal. Wojtyla’s specialiteit was niet God maar de mens en diens Sitz im Leben. Dat zou ook later zijn pontificaat kenmerken: hij was een geopolitieke paus, een kerkleider die het gevecht aandurfde en ook aanging met communisten, zowel in Oost-Europa als in Latijns-Amerika of in Azië. Tegelijk had hij een argwanend oog voor het vrije Westen en de decadente moraal daar: ook dat gevecht ging hij aan als Johannes Paulus II.

Maar wie paus zegt, heeft het natuurlijk altijd ook over God en de kerk, meer dan over mens en maatschappij. Johannes Paulus zocht en vond de meest geschikte man om hem in die aspecten bij te staan, de meest Beierse van alle katholieken uit Beieren, aartsbisschop van München en Freising: Joseph Ratzinger dus.

Nochtans was Ratzinger in zijn jonge jaren een naam als een klok in… progressieve katholieke kringen. Of zouden we beter spreken van ‘moderne’ kringen? Het probleem om vandaag mensen uit de jaren vijftig accuraat te beoordelen, is dat onder dezelfde woorden andere inhouden schuilen, en dat verwante begrippen door elkaar worden gebruikt. Ook in de kerk, waar tussen 1962 en 1965 het Tweede Vaticaans Concilie plaatsvond.

Ratzinger werd een bekende naam tijdens het Tweede Vaticaanse Concilie (1962-1963). (Foto: Lothar Wolleh – Wikimedia Commons)

Toen paus Johannes XXIII dat Concilie samenriep, beoogde hij in zijn eigen woorden een aggiornamento, haast onvertaalbaar Italiaans dat begrepen kan worden als ‘bij de dag brengen’: de kerk moest een update krijgen, een ‘operatie modernisering’. Dat sloeg op zowat alle aspecten: de doctrine, de liturgie, de organisatie, zowel van het Vaticaan en de centrale Curie in Rome als van de bisdommen en de relatie tussen priesters en gelovigen, de kijk van de kerk op de wereld, ook wat betreft politieke thema’s, ethische en sociale kwesties enzovoort. Dat werd beslist in vergaderingen met alle kardinalen, bisschoppen en belangrijke leiders van religieuze ordes – maar zonder dat de paus (vanaf 1963 was dat Paulus VI) in persoon aanwezig was bij de debatten en stemmingen. Men noemde hen ‘de concilievaders.’

In de cockpit van het Vaticaan

Met een dergelijke agenda hoefde het geen verwondering te wekken dat begrippen als links en rechts, progressief en conservatief, open en gesloten, marxistisch en anticommunistisch, oecumenisch en strikt katholiek, modern en traditionalistisch, democratisch en hiërarchisch (en zelfs die ‘democratische’ fractie kende vele gezichten: van voorstanders van de basisdemocratie en pleitbezorgers van een voorzichtige ‘collegialiteit’ tot verdedigers van het centralistische, Romeinse status quo) losjes naast en vooral door elkaar gebruikt werden. Daardoor is het beeld ontstaan van een Concilie waarop een plotse progressieve meerderheid van bisschoppen en kardinalen de maat nam van een conservatieve elite in het Vaticaan. Die ‘conciliaire meerderheid’ bestond inderdaad, en er werden belangrijke nieuwe oriëntaties genomen, maar de samenstelling ervan was veel complexer dan sommige clichés doen vermoeden. Zo waren er nogal wat rechtse, conservatieve anticommunistische bisschoppen met een sterk sociaal profiel.

In die bijzonder heterogene, ‘progressief’ genoemde stroming maakte ook Ratzinger furore. Hij was nog geen bisschop of kardinaal, maar een peritus, een zogenaamde deskundige die de concilievaders begeleidde. Ratzinger was de peritus van niemand minder dan de West-Duitse kardinaal Joseph Frings, de aartsbisschop van Keulen. Het grote Keulen, vlak bij het bescheiden Bonn (toen wel de officiële hoofdstad van West-Duitsland), was dé stad van het Rijnland, en de kardinaal daar was een van de feitelijke leiders van een West-Europese as die gevormd werd door Duitse, Franse, Nederlandse en Belgische katholieken. Een aantal concilievaders uit de angelsaksische wereld en uit de derde wereld zaten op dezelfde lijn. Maar omdat ze niet goed waren in het kerklatijn (‘Latin is Greek to me’, verontschuldigde zich een Amerikaanse bisschop) konden ze niet echt actief meedoen in de debatten, dat lieten ze dus aan de veel raddere West-Europeanen over.

Ratzinger was een dertiger, maar hij zat al wel in de cockpit van het Vaticaan. Frings had voor het Concilie begon al duidelijk gemaakt dat dit géén herhaling mocht zijn van het beruchte Eerste Vaticaanse Concilie (1869-1870), toen bijvoorbeeld de onfeilbaarheid van de paus tot dogma werd uitgeroepen. Frings hield een beruchte toespraak: ‘Das Konzil auf dem Hintergrund der Zeitlage im Unterschied zum ersten vatikanischen Konzil’. (‘Het Concilie tegen de achtergrond van vandaag in onderscheid met het Eerste Vaticaanse Concilie’). Men nam aan dat Frings daardoor in ongenade zou vallen bij de paus wegens te vernieuwend en te kritisch voor de toen bestaande bestuursstijl in het Vaticaan, maar Johannes XXIII reageerde juist enthousiast. Frings bleek die toespraak niet zelf te hebben geschreven: dat was het werk van, jawel, Joseph Ratzinger. Op het Concilie zelf zette diezelfde Frings de toon door op de allereerste vergadering de van bovenaf oplegde agenda te laten wegstemmen. Hij was ook zeer kritisch voor het zogenaamde Heilig Officie, de instantie die was voortgekomen uit de oude Inquisitie en verantwoordelijk was voor het bewaken van de ‘rechte lijn’. Frings vond het Heilig Officie ‘conservatief en ‘autoritair’ – ook die woorden kwamen niet uit zijn pen maar uit die van zijn peritus Ratzinger. De tandem Frings-Ratzinger haalde zijn slag thuis: het Heilig Officie werd opgedoekt en in de plaats daarvan kwam een nieuwe Congregatie voor de Geloofsleer. De nadruk moest minder liggen op het veroordelen van foute inzichten en meer op de promotie van goede theologie, op het zoeken naar waardevolle aspecten in plaats van het focussen op foute formuleringen.

In die context werd Ratzinger een soort kerkelijk popidool, net zoals de Duitse theoloog Hans Küng of zijn Belgisch-Nederlandse collega Edward Schillebeeckx. Ook buiten de katholieke kerk maakten ze furore. Het was dan ook de tijd dat een priester die weet had van het existentialisme ‘modern’ heette te zijn, dat lezers van de toen nog talrijke intellectueel-culturele tijdschriften aan de lippen hingen van wie kon citeren uit het werk van Heidegger of Husserl. Het ging helemaal niet (of nauwelijks) over lgbtq+ – al was er een progressieve consensus dat ‘zulke mensen niet langer moesten veroordeeld worden, maar geholpen’. Dié tijd, dus: de jaren zestig vóór de ‘achtenzestigers’ zich manifesteerden.

In 1968 had men soms de indruk dat de wereld ieder moment aan het veranderden was, wat achteraf gezien een tikje overdreven genoemd mag worden. Maar wat wél veranderde, was de houding van katholieken zoals Joseph Ratzinger: dát hadden ze nooit bedoeld, dat bijvoorbeeld de priesterwijding zou moeten openstaan voor vrouwen, dat priesters zouden mogen trouwen, dat katholieke echtparen voorbehoedsmiddelen zouden gebruiken, dat marxistische interpretaties gegeven werden aan het evangelie, dat priesters participeerden aan revolutionaire organisaties en allerlei militaire dictaturen actief mee bekampten, dat – stel u maar eens voor – het gezag van de paus ter discussie werd gesteld, niet door liberalen of socialisten maar door katholieken, en zelfs niet alleen door priesters maar ook door theologen en bisschoppen en zelfs kardinalen. Met name de aartsbisschop van Mechelen-Brussel, Leo-Jozef Suenens, was de kop van Jut. En met hem groeide in Rome het wantrouwen tegen de kerkelijke ontwikkelingen in België en zeker in het zo vrijgevochten Nederland, maar ook in Frankrijk en West-Duitsland. Het had iets van een Romeinse revanche voor wat vanuit die landen tijdens dat Tweede Vaticaanse Concilie het Vaticaanse gezag was aangedaan.

Ironie van de geschiedenis

In deze tendens tot ‘restauratie’ groeide Joseph Ratzinger opnieuw uit tot een leidende intellectueel. Hij werd de spil van Communio, een internationaal tijdschrift van hoog intellectueel niveau maar van duidelijk behoudsgezinde signatuur, waarbij de redactie ‘de ware geest’ van het Concilie wilde promoten, en dus afstand nam van wat men in die kringen ‘foute interpretaties achteraf’ noemde. In maart 1977 werd hij gewijd tot de nieuwe aartsbisschop van München en Freising. Al in juni 1977 benoemde paus Paulus VI hem tot kardinaal, in wat achteraf zijn allerlaatste ‘promotie’ bleek te zijn. En al in 1981 riep de nieuwe paus Johannes Paulus II Ratzinger vanuit München naar Rome. O ironie van de geschiedenis: Ratzinger werd er de nieuwe prefect van, jawel, de Congregatie van de Geloofsleer. Binnen de kortste keren werd hij berucht, binnen en vooral buiten de kerk, om de vele onderzoeken die hij liet uitvoeren naar ‘foute’ (moraal)theologen, de ‘waarschuwingen’ en ook veroordelingen die hij uitsprak, zowel van individuele theologen, boeken, geschriften als van hele stromingen, zoals de toen erg populaire bevrijdingstheologie. Zijn eigen ideeën zette hij uiteen in een veelgelezen interviewboek, Rapporto sulla Fede: vlijmscherp is nog een understatement voor de manier waarop hij daarin de maat neemt van wie en wat hem niet zint.

In 1977 overhandigde paus Paulus VI aartsbisschop de kardinaalsring aan Joseph Ratzinger. (Foto: Wikimedia Commons)

En omdat Ratzinger bezig was met God en de heilige kerk, hoefde hij geen bijzondere deernis te hebben met concrete mensen. De Congregatie van Geloofsleer stelde onderzoeken in naar Ratzingers oude vrienden Schillebeeckx en Küng, of bekende bevrijdingstheologen als Leonardo Boff. Küng had kritiek op de organisatie van de kerk en op de onfeilbaarheid van de paus, Schillebeeckx ging zo mogelijk nog erger in de fout door een andere benadering van de natuur van Christus zelf op papier te zetten. Als ze zich in het Vaticaan moesten komen verantwoorden, bleek dat de aanpak van Ratzinger psychologisch het moeilijkst om te dragen was. Hij bleef vriendelijk en minzaam, was tijdens de koffiepauzes niet te beroerd voor een potje smalltalk. Maar achteraf werd Küng werd veroordeeld. Schillebeeckx niet: die was voorzichtiger in zijn publieke uitspraken en bleef de steun genieten van de invloedrijke orde der dominicanen. De eigengereide en onstuimige Küng geniet niet langer de steun van de Duitse bisschoppen – die zaten in de jaren tachtig zo goed als collectief op de lijn van Ratzinger, hun aanspreekpunt en hoogste contact in Rome.

Johannes Paulus had zich geen betere rechterhand kunnen wensen. Wat de paus deed en beoogde op politiek en maatschappelijk vlak, vulde Ratzinger aan in theologische en binnenkerkelijke debatten. Het leverde Ratzinger bijnamen op als grootinquisiteur, de pantserkardinaal of Gods rottweiler. Zelfs kranten van conservatieve snit, zoals Le Figaro, hadden kritiek op zijn harde aanpak. Het deerde hem niet. Tegen de secretaris van de Franse bisschoppenconferentie zei hij: ‘Ik ben zoals de cellist Rostropovitsj: ik lees nooit kritieken.’ Uiteindelijk kwam Ratzinger zelfs in conflict met paus Johannes Paulus II. Ratzinger was bepaald terughoudend tegenover initiatieven als de ‘Wereldgebedsdagen’ in Assisi, waar Johannes Paulus II wilde ‘bidden’, samen met meer dan honderd leiders van andere religies, niet alleen protestantse en orthodoxe christenen, maar ook moslims, boeddhisten en zelfs animisten. Ratzinger vreesde dat dergelijke initiatieven alleen maar verwarring zouden zaaien over de ware lijn van de kerk en het in zijn ogen al veel te wijdverspreide relativisme in de hand zouden werken.

Toch was hij in de nadagen van Johannes Paulus II een rots in de branding, terwijl het Vaticaan de zaken steeds minder in handen had. De paus zelf was ziek en eigenlijk niet meer bekwaam om de kerk met vaste hand te leiden. Kardinalen en prelaten deden wat ze wilden, tot de meest onchristelijke omgang met de macht toe. Er valt een halve bibliotheek te vullen met seksuele strapatsen, corrupte financiële praktijken, nepotisme en gesteggel allerhande, om maar te zwijgen van het bewust toedekken van blijkbaar wijdverspreide pedoseksuele praktijken. Johannes Paulus II sloot daarvoor meestal zijn ogen – ook dat tot groeiende onrust en irritatie bij Ratzinger. Een uitzondering was het ontslag van de Oostenrijkse kardinaal Hans Hermann Groër, de aartsbisschop van Wenen, in 1998. Dat kostte grote moeite, want het onderzoek werd voortdurend afgeblokt door kardinaal Angelo Sodano, de staatssecretaris (of ‘eerste minister’) van het Vaticaan.

Leeglopende kerk

Toen Johannes Paulus II in het voorjaar van 2005 stierf, waren alle ogen op Ratzinger gericht. Hij trok de aandacht van groepjes die hem vooral níét wilden als nieuwe paus – de Belgische kardinaal Godfried Danneels hoorde daarbij – en die hem zeker en vast wél wilden – omdat ze geloofden dat hij alles bij het oude zou laten, zoals de Romeinse kliek die hem zag als ‘een van ons’. Kiezen voor ‘zekerheid’ en ‘geen avontuur’ was voor nogal wat lokale kerkleiders ook de (faliekante) bestuursstijl waarmee ze hun leeglopende kerk dachten te kunnen behoeden voor erger. Ook al verschenen er boeken met titels als L’homme qui ne voulait pas être pape, in werkelijkheid deed Ratzinger zijn best om zich te profileren: discreet, zeker niet te opdringerig, maar toch goed herkenbaar. Het resultaat was ernaar: in één dag tijd, na amper vier stemrondes, behaalde Joseph Ratzinger de vereiste tweederdemeerderheid en kwam er witte rook uit de Sixtijnse Kapel (volgens sommige kardinalen hing ook de hele kapel zelf vol rook). Het kon een voorteken zijn van wat de kerk te wachten stond onder de leiding van een man die als naam Benedictus XVI koos: het zou gaan stinken in de kerk, en dat tot ver buiten Rome.

Kardinaal Ratzinger in 2005 bij de begrafenis van paus Johannes-Paulus II. (Foto AFP)

Als paus bleken alle eigenschappen die Benedictus zo sterk hadden gemaakt als kardinaal, hem vrij ongeschikt maakten als paus. Hij had niet de robuuste figuur, de galmende stem en de aanleg voor theatraliteit van Johannes Paulus II. Als Benedictus zich hulde in pauselijke gewaden, leken de gouden kazuivels te groot voor de tengere en schijnbaar schuwe figuur die hij nu eenmaal was. Hij bleef een man van het geschreven woord, niet van de gesproken boodschap. Hij bleef ook als paus wie hij altijd al was geweest als mens: een professor, een wijsneus, een man die sterk had leren zijn in office politics, maar die allesbehalve een geboren leider was. Hij had dus niet de mentale kracht noch de politieke visie om het Vaticaan uit te kuisen – dat gebeurde ook niet, op een paar eerder technische ingrepen na. Niet alleen zijn opvolger Franciscus maar de hele kerk betaalt daarvoor nog altijd een zware prijs. Benedictus XVI zorgde voor irritatie door in toespraken de intellectueel uit te hangen waardoor de boodschap die hij bracht totaal verkeerd begrepen werd – dat gebeurt in een wereld waarin kerkvaders inderdaad niet meer bekend zijn en elke verwijzing naar historische uitspraken over de islam per definitie voor trammelant zullen zorgen.

Als er iets positiefs op het conto van Benedictus kan worden geschreven, dan dat hij de strijd tegen (pedo)seksueel misbruik fors heeft opgevoerd en niet aarzelde om priesters, bisschoppen, kardinalen en orde-oversten te straffen en degraderen. Het meest beruchte voorbeeld was Marcial Maciel Degollado, de Mexicaanse stichter van de steeds invloedrijkere Legionairs van Christus. Er waren al langer klachten tot in het Vaticaan gekomen – de oudste dateerden al uit de jaren 1950. Kort voor zijn verkiezing als paus zei Ratzinger al dat hij ‘het vuil’ in de kerk wilde opkuisen – wellicht doelde hij op deze zaak. Het werd een taaie noot om te kraken, want de Legionairs bleken bepaald niet coöperatief, zelfs niet met de nieuwe paus. Uiteindelijk bleek Macien niet alleen zes kinderen te hebben verwekt, maar ook minstens zestig minderjarigen te hebben misbruikt – dat los van zijn morfineverslaving, zijn dictatoriale bestuursstijl, zijn voortdurend grensoverschrijdend gedrag, zijn financieel geknoei, zijn omkooppraktijken – onder meer van nu ex-staatssecretaris Angelo Sodano.

Dat Benedictus daarvoor zo weinig krediet krijgt, komt doordat er te veel zaken bovenkwamen en nog altijd komen. Voor elke priester, bisschop of kardinaal die tot aftreden wordt gedwongen, duikt er wel een nieuwe affaire op. De publieke opinie neemt al lang geen genoegen meer met kerkelijke sancties, maar wil echte veroordelingen zien, met wezenlijke straffen en boetedoening, ook financieel. Het lijkt erop dat God zijn laatste pausen toch een beetje in de steek heeft gelaten. Ratzinger was in elk geval niet de man om het imago te verbeteren van een ambt dat zelfs onder zijn historische voorganger Johannes Paulus II ferme deuken had opgelopen. Hij was gewoon niet de geschikte man voor de functie, en dat op het slechtst denkbare tijdstip. Dat Benedictus zelf voortijdig ontslag nam, is dus inderdaad het beste wat hij kon doen, zeker voor de kerk.

Nog nooit in de geschiedenis kende de katholieke kerk een paus en een paus-emeritus die zich nog altijd als paus kleedde. (Foto: Dicastero per la Comunicazione – Vatican Media )

Foto op de cover

Hij werd emeritus-paus maar bleef zich wel als paus kleden. Hij schreef een hoofdstuk in een boek van de intransigente kardinaal Robert Sarah uit Guinea, Vanuit de diepten van onze harten: priesterschap, celibaat en de crisis van de katholieke Kerk. In dat boek (niet in het hoofdstuk van Ratzinger) wordt het beleid van zijn opvolger Franciscus op de korrel genomen. Dat had eens een priester moeten durven doen in de tijd dat Ratzinger zelf nog aan het hoofd stond van de Congregatie voor Geloofsleer. Ratzinger zag dat hij ‘in de val was getrapt’ – al bestaat ook daarover twijfel – en zijn secretaris Georg Gänswein werd uitgezonden om de naam van Benedictus van het omslag te halen, met halfslachtig resultaat: er zijn ‘neutrale’ edities op de markt, maar amazon.com bijvoorbeeld biedt nog altijd de uitgave te koop aan waarbij Benedictus zelfs als eerste auteur staat vermeld, zijn foto prominent op de cover.

Als paus leek Benedictus XVI zich altijd wat onwennig te voelen tijdens ceremoniële en publieke optredens. (Foto: Wikimedia Commons).

Welja, dan is het resultaat dat zijn leven beoordeeld wordt in boeken met als titel Benoît XVI. Le pape incrompris – en dat is nog een mild oordeel. Feit is dat het pontificaat van Benedictus XVI géén succes was. Dat is een beleefde omschrijving van een gefaalde bestuursperiode. Ooit zullen historici wel uitmaken wat in het mislukken van Benedictus XVI het persoonlijke aandeel was van de man Joseph Ratzinger, en wat van de katholieke kerk, een instituut dat zelf steeds meer moeite heeft om begrepen te worden in de wereld van vandaag. De rook is nog lang niet opgetrokken: niet rond de figuur Joseph Ratzinger en evenmin rond een kerk die hij zijn leven lang met opperste overgave en toewijding heeft proberen te dienen.

Lees meer over:

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content