Jaouad Achab: "Op het einde van een trainingsweek, waarin ik elke dag ruim vier uur heb getraind, word ik 's morgens soms wakker zo stijf als een plank, kan ik door vermoeidheid mijn benen bijna niet meer bewegen. Ook mentaal is het dan zwaar om op te staan, maar dan denk ik aan concurrenten die op dat vroege uur al keihard aan het trainen zijn. Dan kan ik toch niet blijven liggen? Gekweld door die gedachte at ik mezelf bijna op van frustratie toen ik in maart vijf dagen langs de kant stond na een operatie aan mijn hand. (zie kader, nvdr) Toen voelde ik me - starend naar de mat - nóg slechter.
...

Jaouad Achab: "Op het einde van een trainingsweek, waarin ik elke dag ruim vier uur heb getraind, word ik 's morgens soms wakker zo stijf als een plank, kan ik door vermoeidheid mijn benen bijna niet meer bewegen. Ook mentaal is het dan zwaar om op te staan, maar dan denk ik aan concurrenten die op dat vroege uur al keihard aan het trainen zijn. Dan kan ik toch niet blijven liggen? Gekweld door die gedachte at ik mezelf bijna op van frustratie toen ik in maart vijf dagen langs de kant stond na een operatie aan mijn hand. (zie kader, nvdr) Toen voelde ik me - starend naar de mat - nóg slechter."Die mentaliteit pompt mijn trainer Karim (Dighou, nvdr) me elke dag in: je hebt veel talent, iets speciaals, maar daarmee moet je iets dóén: werken, steeds harder werken. En dus geef ik nooit op, ook niet als ik snakkend naar adem, op het einde van een training, 15 (!) series van 44 explosieve trappen moet doen. Nadien ben ik zó kapot, alsof ik in een andere wereld ben. Maar dan gooi ik water op mijn gezicht en doe ik verder. Met één doel: die olympische titel, en mij zo een mooie toekomst bezorgen."Noodzakelijk, mezelf zo afbeulen, want taekwondo is niet alleen een technische sport. Als je op één dag tot zes kampen, met drie rondes van twee minuten, moet vechten, diep in het rood, dan moet je ook conditioneel top zijn. Daar werk ik hard aan: naast looptrainingen, van bijvoorbeeld 35 minuten aan een gemiddelde hartslag van 165 à 170, ook sessies in de gym. Niet alleen mijn - in het taekwondo vooral gebruikte - beenspieren trainen, maar mijn héle lichaam. Sterke buik- en rugspieren heb ik nodig om harde trappen te incasseren, maar ook om stabiel te kunnen trappen. Vooral mijn rug is nog een kwetsbare plek, net als mijn hand en armen. Meer dan tien keer pompen of twee baanlengtes zwemmen lukt me niet, en als meisjes in de fitness vijftig kilo duwen, haal ik er amper dertig... (lacht)"Toch noemen ze mij 'The King of Punches', omdat ik heel harde boksen geef. Veeleer een kwestie van timing: de kracht van je opponent op het juiste moment gebruiken om zijn aanval te counteren. Verder ben ik heel explosief, snel en al van jongs af bijzonder lenig. Een spagaat lukt makkelijk, net als met één been op de grond mijn andere bijna verticaal houden. Gekoppeld aan mijn grote sprongkracht kan ik zo zelfs mijn grootste tegenstander tegen het hoofd trappen. Ik heb daarvoor - zoals sommige taekwondoka's - niet eens heel lange benen nodig, want de verhouding van mijn ledematen is vrij normaal. Dat ik met mijn 1m75 vijf tot tien centimeter kleiner ben dan mijn belangrijkste concurrenten, is dan ook geen probleem."Hetzelfde voor mijn gewicht. Op de Spelen worden de -68 kg en mijn -63 kg-categorie samengevoegd, waardoor ik met mijn 63 à 64 kg vooral tegen zwaardere atleten zal moeten vechten. In het judo, waar je elkaar meer vastgrijpt, is dat een groot minpunt, maar in taekwondo is gewicht/kracht niet zo belangrijk. Die drie, vier kilo minder kan ik perfect compenseren met mijn snelheid en explosiviteit. Door voortdurend te bewegen ook: van links naar rechts, van voren naar achteren. Zoals de shuffle van Muhammad Ali, ja. (lacht)"Voor Rio blijf ik dus op 64 kg, al moet ik wel op mijn voeding letten. Vroeger was ik gek op chips en snoep - tot ergernis van mijn trainer zat mijn sportzak soms vol-, maar ik ben 'afgekickt': héél af en toe een zakje chips, met mijn vriendin (zie kader, nvdr) in de cinema. Maar verder kook ik, op mijn appartementje in Wilrijk, heel gezond en drink ik vooral water. Niet altijd even makkelijk om vol te houden, maar dan prent ik me in: in de olympische finale kunnen die cola's of snoepjes het verschil maken.""Nog sterke wapens: mijn techniek - ik beheers alle trappen nagenoeg perfect - en tactiek. Dankzij mijn coach die voor elke taekwondoka een oplossing heeft: meer of minder afstand houden, wanneer wel of niet trappen... Die timing is cruciaal: bij de ene kan je blijven aanvallen, bij de andere moet ik meer oppassen voor een counter en me vlugger terugtrekken."Vooraf bekijken we beelden van mijn concurrenten en bepalen we: opletten voor dat en dat. Soms passen we dat wedstrijdplan tussen en tijdens de drie rondes aan, afhankelijk van wat werkt. Handig daarbij is dat Karim en ik vier talen spreken. Vecht ik tegen een Franstalige, dan overleggen we in het Nederlands of Engels, tegen een Engelstalige in het Frans of Arabisch - ik leer nu zelfs Spaans. Zo versta ik ook mijn tegenstander en zijn coach als zij iets te luid overleggen, waardoor ik kan anticiperen op hun tactiek."Om bij te leren bestudeer ik ook andere gewichtscategorieën, zelfs bij de dames. In Frankrijk gaan ze nóg verder, met een technologie waarbij ze een virtuele 3D-versie van een taekwondoka, en diens stijl, kunnen creëren. Gek om te zien, hoe ze daartegen vechten. Ik zit ook in dat programma, maar veel heeft het Stevens Barclais, de Fransman tegen wie ik won op het WK, niet geholpen: 24-12... Zie je, je mag niet te veel op iemand focussen, want dan ben je in andere kampen minder geconcentreerd. En vooral: dan vergeet je je eigen kwaliteiten."Supergeconcentreerd blijven vreet wel energie. Heel tactische, spannende matchen, zonder veel actie, zijn zelfs soms de lastigste. Omdat je dan op dat ene foutje van je tegenstander moet loeren. En direct moet toeslaan. Heel berekend, bijna wiskunde - emoties moet je volledig uitschakelen. Kwaad mag je wel worden, maar slechts een beetje. Te vergelijken met een straatgevecht, waar de rustige kerel de boze vaak knock-out slaat, omdat hij zichzelf meer onder controle heeft."Koelbloedig blijven, me door niemand laten beïnvloeden, dat heb ik moeten leren. Vroeger keek ik bijvoorbeeld vaak naar mijn mama en zus in de tribune, maar Karim heeft me verplicht om hen en de aanmoedigingen van het publiek te negeren. En om me niet op te jagen in beslissingen van de scheidsrechter - protesteren helpt toch niet. (lacht)"Ik moet in een tunnel kruipen en al de rest vergeten. Niet simpel in een WK-finale, wanneer alle ogen op jou gericht zijn. Opzwepende muziek, felle spotlights, een enthousiaste speaker: 'And now, from Belgium: Jaouad Achab!!!' Die adrenaline kanaliseren is de kunst, straks ook in Rio, waar zelfs al in de eerste ronde de spanning te snijden zal zijn. Gelukkig zal ik dan kunnen terugvallen op de ervaring van het WK."Het is niettemin wel een aandachtspunt. Zeker als ik op voorsprong sta, want dan kan ik me soms niet bedwingen en wil ik te spectaculair aanvallen, door bijvoorbeeld met een pirouette op iemands hoofd te trappen. Als dat lukt, fantastisch, maar het risico is even groot dat ik - omdat ik mijn tegenstander even uit het oog verlies - op een counter loop, zeker tegen de toppers. En dan wordt mijn coach gek. (lacht)"Tegen die mannen vecht ik nu ook met meer zelfvertrouwen dan vroeger, toen ik heel onzeker was. Alsof een Belgische voetballer voor het eerst tegen Messi speelt. Dankzij Karim weet ik nu echter dat ik iedereen aankan en is mijn winnaarsmentaliteit zelfs mijn sterkste punt. Ik mag dan wel relatief klein en licht zijn, volgens mijn moeder heb ik het hart en hoofd van een zwaargewicht!""Opvallend als ik vecht - zowel op training als in een match: ik schreeuw heel vaak, omdat het me meer kracht geeft en ik zo harder kan trappen. Het helpt me ook bij mijn evenwicht en timing. Met het intimideren van mijn tegenstrever heeft dat niets te maken. Zoals sommigen met opengesperde ogen neus aan neus of op iemands voet gaan staan, dat doe ik nooit. Ik concentreer alleen op mezelf. Pas op, ik laat me niet doen, hé. Als ik iemand knock-out trap, heb ik zelfs geen medelijden - taekwondo is geen sport voor doetjes - en als het moet zou ik zelfs sterven om te winnen. Maar: op een faire manier. Ik denk ook niet: die is mijn vijand, want een vijand háát je, en ik haat niemand. Waarom zou ik? Mijn concurrenten motiveren me om nog meer te trainen. Ik moet hen net dankbaar zijn. (lacht)"Meestal ben ik zelfs heel vriendelijk, maar alleen ná een match. Si Mohamed Ketbi (de Belg die in Rio uitkomt in de -58 kg-categorie, nvdr) is bijvoorbeeld een goeie kameraad, maar voor en tijdens onze kamp dit jaar kende ik hem niet - dan heb ik geen vrienden. Sommigen maken tot net ervoor soms grapjes met hun opponent, maar hoe kun je dan het gevoel opwekken om iemand knock-out te willen slaan? Je gaat niet samen dansen, hé, je gaat véchten. De dag van het toernooi spreek ik dan ook alleen met mijn entourage, en houd ik zo veel mogelijk afstand van anderen. Want soms vragen trainers of vrienden van tegenstanders, of zijzelf, plots naar je vakantieplannen of je vriendin, gewoon om je uit je concentratie te halen."Die focus probeer ik op te wekken door naar rustige muziek - van Enrique Iglesias tot Blue, een Britse R&B-groep - of de Koran te luisteren. Ik bid voor en na elke wedstrijd ook vijf minuutjes en zeg bij de start van elke kamp Allahs naam. Dan vraag ik hem om zijn bescherming en steun. Tenslotte doe ik iets goeds met mijn leven, door clean te sporten, geen criminele dingen te doen. En dan hoop ik dat Hij mij daarvoor beloont. Mij laten winnen kan Allah natuurlijk niet, dat moet ik zelf doen."Bij een nederlaag kan ik me - hoe frustrerend dat soms is - dan ook neerleggen, zeker als iemand echt beter was - da's nu eenmaal topsport. Maar als het even kan, in Rio liever niet. (lacht) Daar heb ik slechts één doel: goud! Mislukt het, dan zal ik heel verdrietig zijn, maar dan zal ik me kunnen troosten met de gedachte dat ik er alles voor heb gedaan."