‘Syriërs helpen Oekraïners om oorlogsmisdaden te documenteren’

© AP
Karin Eeckhout
Karin Eeckhout Journalist en factchecker bij Knack

Op het internet circuleert een gruwelijke video waarin Syrische regeringssoldaten burgers executeren. ‘De daders leggen hun eigen misdaden nauwkeurig en met trots vast’, zegt Brigitte Herremans, die aan het Human Rights Centre van de UGent onderzoek doet naar het conflict in Syrië.

Op de websites van The Guardian en Newslines zijn beelden gepost waarop te zien is hoe Syrische regeringssoldaten 41 Syrische burgers één voor één in een put vol lijken duwen en doodschieten. De militairen, die plezier lijken te scheppen in hun daden, gooien daarna autobanden en benzine in de put en steken die in brand. De beelden maken deel uit van 27 video’s van een slachtpartij op 288 burgers, onder wie 7 vrouwen en 12 kinderen. De feiten dateren van 2013, maar de beelden kwamen nu pas naar buiten, nadat Nederlandse onderzoekers ze drie jaar lang heben geanalyseerd.

Hoe komt het dat we die beelden uit 2013 nu pas te zien krijgen?

Brigitte Herremans: Een nieuwe rekruut bij een Syrische paramilitaire organisatie kreeg een video in handen waarin de massamoord te zien is op 41 burgers in Tadamon, een voorstad van de Syrische hoofdstad Damascus. De rekruut was sterk onder de indruk, kopieerde de video en nam hem mee op zijn vlucht naar het buitenland. Via via kwamen de beelden in 2019 terecht bij onderzoeker Ugur Üngör, die als hoogleraar Holocaust- en genocidestudies verbonden is aan de Universiteit van Amsterdam. Üngör en zijn collega Annsar Shahoud hebben niet alleen de beelden op hun echtheid geverifieerd en forensisch onderzocht, maar hebben ook contact gezocht met de daders die ze in de video konden identificeren. Annsar deed zich voor als een Syrische meisje dat het conflict onderzoekt, en wist via Facebook het vertrouwen van de militairen te winnen. Een van de daders gaf zijn acties toe en stuurde zelfs extra beeldmateriaal. Zo konden Ungor en Annsar in kaart brengen wie er achter het geweld tegen Syrische burgers zit. Pas nadat hun onderzoek was afgerond, heeft onder meer The Guardian de beelden naar buiten gebracht. Belangrijk om te weten is dat het gaat om een bewerkt filmpje van de moord op de 41 burgers. De gruwelijkste beelden zijn eruit gehaald – tot ongenoegen van sommige activisten en slachtoffers van detentie en folteringen, die vinden dat de wereld de originele beelden zou moeten zien.

De beelden werden gemaakt door de daders zelf, die hun wandaden openlijk toegeven? Zijn die militairen zich dan niet van bewust van de risico’s die de verspreiding van het beeldmateriaal inhoudt?

Herremans: De onderzoekers konden hen met de juiste verleidingstechnieken zover krijgen, omdat die daders trots zijn op hun acties. Dat zie je ook in die video: ze staan te glunderen. Dat is ook de reden waarom ze zo graag hun daden zelf vastleggen – een duidelijke parallel met de nazi’s.

‘De daders staan te glunderen. Een duidelijke parallel met de nazi’s.’

Ook de gedachte dat het land gezuiverd moet worden van opstandige elementen is heel wat Syrische militairen niet vreemd. Het is een discours dat je ook zag in Rwanda ten tijde van de genocide, en in nazi-Duitsland. De Syrische soldaten beschouwen die beelden niet als een risico, omdat ze zich onschendbaar achten. Ze willen met het geweld en de registratie ervan mogelijke opstandelingen afschrikken.

Het is niet de eerste keer is dat er tastbare bewijzen opduiken van oorlogsmisdaden in Syrië?

Herremans: Zeker niet. Er bestaat al heel veel bewijsmateriaal. Een belangrijk verhaal is dat van de ‘Caesar Files’: een militaire fotograaf heeft in 2013 onder een schuilnaam 55.000 foto’s van 6768 lijken uit Syrië gesmokkeld. Het is onder meer dankzij die databank dat de strafrechtelijke vervolging van Syrische oorlogsmisdadigers in het buitenland kon beginnen.

Ook aan burgerzijde is er heel wat videobewijs verzameld. Een eerste golf kwam op gang in 2011, toen burgeractivisten filmpjes maakten. Het ging vooral om amateurs die geen metadata bij hun beeldmateriaal opsloegen, waardoor het geen bewijswaarde had, en hun beelden op YouTube en Facebook gooiden. Vaak werd het materiaal door de algoritmes van die platformen verwijderd – het is verboden om terreurbeelden op te laden. Op die manier is veel bewijsmateriaal verloren gegaan.

‘Deze beelden zijn uniek omdat ze de systematiek achter het geweld tonen.’

Later hebben Syrische ngo’s, met de steun van buitenlandse ngo’s, het verzamelen van digitaal bewijsmateriaal geprofessionaliseerd. Zo bundelden organisaties voor burgerjournalistiek zoals Bellingcat en Forensic Architecture hun expertise met het Syrian Archive, en wisten ze belangrijk bewijsmateriaal te verzamelen over bombardementen op ziekenhuizen en scholen. In een derde fase richtten de Verenigde Naties een onderzoekscommissie en een nieuw orgaan op, het International Impartial and Independent Mechanism (IIIM), om de oorlogsmisdaden in Syrië systematisch te documenteren. Die megadatabank met tienduizenden beelden moet helpen bij de voorbereiding van strafrechtelijke procedures, en ze heeft haar nut ook al bewezen. Of het nu gaat om burgers, ngo’s of internationale instellingen, iedereen heeft op een bepaald moment beseft dat dit materiaal nodig was voor de toekomst. Want, anders dan in Oekraïne waar er vanaf dag één van de oorlog internationale samenwerking was om internationale misdrijven te berechten, was dat in Syrië niet het geval.

Wat maakt deze recent uitgelekte beelden dan zo belangrijk?

Herremans: Deze beelden zijn uniek omdat ze de systematiek achter het massale geweld tonen en de daders hun eigen geweld zo nauwkeurig en trots vastleggen. Neem nu de video’s die de executie van 41 burgers tonen: je ziet dat die actie tot in de puntjes was voorbereid. De put was vooraf gegraven en de daders – een officier van de inlichtingendiensten en een militielid – voeren hun sinistere daden rustig en zonder haast uit. Wellicht daarom choqueren deze beelden ons nog meer dan die waarin een soort ad-hocgeweld wordt vastgelegd. De daders dragen legerkledij en zijn dus duidelijk te herkennen als regimeambtenaren. Op een foto in de achtergrond zien we een portret van de Syrische president Bashar al-Assad. Die informatie zet het regime als belangrijke dader op de kaart.

‘Ik vermoed dat de slachtoffers pas op het laatste moment hebben beseft dat ze in de val waren gelokt.’

Wat mij nog het meest aangrijpt, is het feit dat sommige burgers casual gekleed zijn en wellicht argeloos meegingen. Zoals de onderzoekers Annsar en Ugur aantonen, gaat het niet om opstandelingen. Je ziet dat die mensen vertrouwen hadden in de daders. Een van de daders heeft het in het filmpje over sluipschutters. Die burgers hebben waarschijnlijk gedacht dat de daders hen wilden wegleiden van het gevaar. Ik vermoed dat ze pas op het laatste moment hebben beseft dat ze in de val waren gelokt. Al die elementen samen, in combinatie met de traagheid van de beelden, maakt ze uniek, net als het feit dat het gaat om bewijsmateriaal dat de misdrijven zeer nauwkeurig vastlegt.

Ook in Oekraïne wordt er op grote schaal beeldmateriaal gemaakt en verzameld. Ziet u daar parallellen met wat in Syrië gebeurt?

Herremans: Net als in Syrië was in Oekraïne vanaf dag één van de oorlog de overtuiging: ‘Ze moorden ons uit. We moeten dat vastleggen, dan zal de wereld oordelen en in actie komen.’ Maar het verschil is dat, in het geval van Oekraïne, de internationale gemeenschap meteen wilde optreden om internationale misdaden te vervolgen, waardoor het verzamelen van bewijsmateriaal daar meteen veel professioneler is aangepakt. Met de hulp van Syrische activisten trouwens. Syriërs weten hoe het is om gebombardeerd te worden. Zij weten hoe je bewijzen verzamelt die tot de strafrechtelijke vervolging van de daders zou kunnen leiden. Dat is ook de tragiek van Syrië: geen enkel hedendaags conflict is zo goed gedocumenteerd, maar de interesse voor het conflict is zeer beperkt, terwijl de omvang van de misdaden enorm is. ‘Wat baat al dat bewijsmateriaal dan?’ vragen Syriërs zich soms af. Het was ook pas acht jaar na de start van het conflict in Syrië dat er in Europese landen strafzaken tegen regimeleden zijn begonnen, via het principe van de universele jurisdictie. Terwijl de aanklager van het Internationaal Strafhof zich al meteen na de start van het conflict in Oekraïne bereid toonde om een zaak op te starten. Toch koesteren Syriërs de hoop dat er met dit nieuwe materiaal iets zal gebeuren.

Kan dit filmpje volgens u leiden tot de veroordeling van de daders?

Herremans: In theorie kan dat, maar in de praktijk zal het minder evident zijn. Een van de daders is al overleden, de andere zit nog veilig in Syrië. Dat is altijd het probleem wanneer het om Syrië gaat: een proces ter plaatse is niet mogelijk is omdat het regime van Assad nog steeds aan de macht is. Maar dat wil niet zeggen dat het beeldmateriaal niet bruikbaar kan zijn voor rechtszaken in landen waar de mogelijkheid bestaat om oorlogsmisdadigers te vervolgen, wat onder meer in Duitsland, Frankrijk en Nederland het geval is. Tot nu toe heeft die mogelijkheid enkel geleid tot de berechting van Syrische oorlogsmisdadigers van lagere rang die naar het buitenland waren gevlucht, terwijl de grote vissen buiten beeld zijn gebleven. Maar als signaal kan het wel tellen.

Terwijl alle aandacht naar Oekraïne gaat, lijkt het conflict in Syrië vergeten?

Herremans: Er zijn een aantal redenen waarom er meer interesse is voor het conflict in Oekraïne. Om te beginnen is er de nabijheid en de herkenning: voor mensen in een Europees land voelen we sneller empathie. Arabische mensen die gefolterd en gedood worden, daar zijn we helaas al wat aan gewend, terwijl in Syrië 500.000 mensen zijn omgekomen en er nog meer dan 100.000 in de gevangenissen zitten, waar massaal wordt gefolterd. Verder is er het feit dat de oorlog in Syrië complexer lijkt omdat er meer partijen bij betrokken zijn en we ook in het Westen lijden onder geweld van jihadigroepen. In Oekraïne is het duidelijker wie dader is en wie slachtoffer – zonder het al te zwart-wit te willen voorstellen.

‘Sinds een goeie maand krijg ik opvallend veel vragen over Syrië, omdat mensen de parallellen met Oekraïne zien.’

Maar vreemd genoeg is er, net door de oorlog in Oekraïne, een vernieuwde interesse voor het Syrische conflict. Ik doe nu drie jaar onderzoek naar Syrië en kreeg in die tijd vooral vragen over Palestina – wat tot drie jaar geleden mijn voornaamste expertise was. Sinds een goeie maand krijg ik opvallend veel vragen over Syrië, omdat mensen de parallellen met Oekraïne zien. Een opluchting zou ik die vernieuwde interesse in deze context niet durven te noemen, maar het stemt mij toch hoopvol dat er veel informatie en expertise wordt uitgewisseld. Tussen Syrische en Oekraïense mensenrechtenadvocaten, bijvoorbeeld, maar ook tussen burgers uit beide landen. Zij delen tenslotte het gevoel dat ze in de steek gelaten worden door de rest van de wereld. Al is dat tot nu toe objectief gezien meer het geval voor de Syriërs dan voor de Oekraïners.

Fout opgemerkt of meer nieuws? Meld het hier

Partner Content