Vele waterlopen werden de laatste eeuwen ingrijpend door de mens gewijzigd. Beken en rivieren werden rechtgetrokken en verbreed, oevers kunstmatig verstevigd en de functie van waterlopen werd verengd tot het afvoeren van water. Het inzicht in waterbeheer in Europa is het laatste decennium echter sterk gewijzigd en het herstel van de natuurlijke functies en biodiversiteitswaarden van waterlopen is terug een belangrijke doelstelling in het waterbeleid.

Het begrip natuurvoordelen of ecosysteemdiensten is hier niet vreemd aan. Het rechttrekken en kanaliseren van waterlopen kwam meestal slecht één of enkele diensten, zoals productie van voedsel, voor de maatschappij ten goede. Het rechttrekken had echter ook negatieve gevolgen voor de maatschappij, zoals een versnelde afvoer van water bij overstromingen in de richting van stroomafwaarts gelegen (woon)zones, het afvoeren van meer sediment, het verzanden van grote rivieren, verdroging in de valleien, en een minder goede natuurlijke waterzuivering.

Biodiversiteit in onze waterlopen heeft erg geleden onder de economische ontwikkeling in de twintigste eeuw.

Ook de biodiversiteit in onze waterlopen heeft ernstig geleden onder de economische ontwikkeling in de 20ste eeuw. Maar nu in Vlaanderen de waterkwaliteit in onze beken en rivieren weer is verbeterd kan ook aandacht geschonken worden aan het herstellen van de natuurlijke beek- of riviermorfologie om de ecosysteemdiensten en biodiversiteit te herstellen.

Steeds vaker worden in Vlaanderen beekherstelprojecten uitgevoerd. In vele gevallen worden oude meanders terug aangesloten en in de loop opgenomen. We noemen dit hermeanderen of het herstellen van de oude, meanderende loop van gekanaliseerde beken of rivieren.

Rivierdonderpadden, kleine modderkruipers en serpelingen

Enkele jaren geleden heb ik gesprekkken gevoerd met een zeventigtal oudere vissers om zo een beeld te krijgen van welke vissen er vroeger in verschillende beken aanwezig waren. Ik sprak met mensen die kort na WO II in de beek bij hun dorp gingen vissen. Dat leverde mooie verhalen op van zuivere beken met diepe bochten waarin ze hadden leren zwemmen, en over welke vissen ze allemaal gevangen hebben. Maar ze vertelden ook het verhaal van de teloorgang van zuivere beken, de vervuiling van het water, van het rechttrekken en uitdiepen van waterlopen en het verdwijnen van soorten als kwabalen en serpelingen.

De waterkwaliteit van onze beken is de laatste jaren gelukkig weer sterk verbeterd en op sommige plaatsen krijgen beken weer de ruimte om hun natuurlijke meanderende patroon te ontwikkelen.

Waarom willen we weer bochten in beken?

Enerzijds omdat dit voor ons als mens een aantal voordelen heeft maar daar gaan we vandaag niet op in. Anderzijds is het belangrijk voor de biodiversiteit en vooral die vissen die typisch zijn voor onze waterlopen. In een beek met bochten of meanders komen meer typische beekvissen voor.

Waarom maken beken en rivieren bochten in het landschap?

Of een waterloop een recht, kronkelend of meanderend patroon heeft is vooral afhankelijk van de hellingsgraad en ruwheid van het landschap.

Als de helling 0,2 tot 1,5 % bedraagt dan zal het water in een meanderend patroon naar beneden stromen. Het stroomt niet recht naar beneden maar slingert van links naar rechts. De ruwheid van de ondergrond en de waterhoeveelheid in de waterloop bepalen mee de afstand tussen de bochten of meanders.

Bij een sterkere helling zal het water niet meanderen maar een vlechtend patroon vormen en stroompjes zullen kriskras door mekaar naar beneden stromen zoals op de vooruit van een auto.

Wat is het gevolg van de bochten in beken en rivieren?

Het water in de beek wordt in de bochten door de middelpuntvliedende kracht naar buiten geslingerd. Op het einde van de bocht zakt het dan weer naar beneden, waardoor het water een schroefvormige beweging maakt in de waterloop. In de buitenbochten ontstaan door erosie diepe uitspoelingen met grof bodemmateriaal, terwijl in de binnenbochten ondiepe afzettingen van fijn bodemmateriaal ontstaan. Dit zijn vaak zandbanken of in een grindrivier de grindbanken, die bij lage afvoer droog komen te liggen.

Tussen twee bochten ligt een rechter stuk waar het water vaak wat sneller stroomt.

Deze schroefvormige stroming heeft dus tot gevolg dat in de waterloop meer variatie in diepte, in stroomsnelheid en in sediment ontstaat, zowel in de lengte als over de breedte van de beek. We krijgen diepe poelen, uitgespoelde oevers en ondiepe zand of slibbanken. Er is meer variatie in de stroomsnelheid van het water, met snelle stroomversnellingen tussen de bochten tot stilstaand water achter de binnenbochten. Het gevarieerde stromingspatroon veroorzaakt dus een sortering van bodemmateriaal in de waterloop met grofkorrelig sediment in de snelstromende stukken, en fijn slib in de praktisch stilstaande zones. Tegelijk is er veel variatie in diepte.

Wat is het belang van deze variatie voor vissen in de beek?

Een beek kan je vergelijken met een straat in Vlaanderen, met een grote variatie aan huizen. In de beek heeft elke vis als het ware ook zijn huisje. Diepe beekpoelen kan je vergelijken met grote villa's, holtes onder omgevallen boomstammen zijn kleine arbeiderswoningen, en stroken met ondiep water zijn als lage bungaglows.

Elke vissoort heeft zo zijn eigen habitat of plek waar ze graag vertoeven. En dan begrijp je meteen dat met de grotere variatie in diepte, stroomsnelheid en sedimentsamensteling in een meanderende beek, er dus ook meer verschillende leefomgevingen zijn voor verschillende vissoorten.

De rivierdonderpad leeft bijvoorbeeld tussen de grote keien in de beek op plaatsen met een sterke stroming, de riviergrondel op zijn beurt houdt van zandige bodems en wat waterplanten in de zachte stroming. De zeelt verkiest dan weer om zich tussen de waterplanten te verstoppen op plaatsen waar zo goed als geen stroming is en de prachtige barbeel houdt van fijn grind en plekken die minstens een meter diep zijn.

Variatie van belang voor verschillende levensstadia van beekvissen?

Ook volwassen en jonge vissen vertoeven vaak op verschillende plaatsen. Afhankelijk van de leeftijd, hebben ze ook nodig aan een andere omgeving. Bijvoorbeeld om te paren, een nest te bouwen of om eitjes uit te laten komen. Oude en jonge vissen leven niet altijd op dezelfde plaats in de rivier. Sommige vissen, zoals de paling of de zeeforel verplaatsen zich ook over grotere afstanden om de verschillende levensfases te doorlopen.

Je vraagt je misschien af hoe we dat allemaal te weten komen. Als onderzoekers zijn we erin geslaagd om volwassen barbelen in de Grensmaas een zendertje mee te geven, waardoor we nu weten dat ze 's nachts eten gaan zoeken in de ondiepe stroomversnellingen en overdag rusten op diepere plaatsen in de beschutting van grote stenen of eilanden in de rivier.

Conclusie

Bochten of meanders in onze waterlopen zorgen voor een grote variatie aan leefomgeving voor de verschillende vissoorten. Met als gevolg dat vooral de typische vissoorten van stromende wateren zich er thuis voelen. In de meanderde beek zijn ook meer 'kamers', zodat er er ruimte is voor alle belangrijke levensfases van de vissen.

Afsluiten doe ik met de hoop dat de verbeterde waterkwaliteit het mogelijk zal maken dat onze kinderen en kleinkinderen opnieuw wat meer buiten in het water zullen kunnen spelen, en dat een soort als de serpeling in de toekomst weer in alle Vlaamse beken kan rondzwemmen.

Dr. Alain De Vocht is als onderzoeker verbonden aan de UHasselt en PXL University College. Hij richt zich daarbij op projecten, vorming en dienstverlening rond milieu-en biodiversiteit, openbaar groen en moleculaire biodetectie.

Vele waterlopen werden de laatste eeuwen ingrijpend door de mens gewijzigd. Beken en rivieren werden rechtgetrokken en verbreed, oevers kunstmatig verstevigd en de functie van waterlopen werd verengd tot het afvoeren van water. Het inzicht in waterbeheer in Europa is het laatste decennium echter sterk gewijzigd en het herstel van de natuurlijke functies en biodiversiteitswaarden van waterlopen is terug een belangrijke doelstelling in het waterbeleid. Het begrip natuurvoordelen of ecosysteemdiensten is hier niet vreemd aan. Het rechttrekken en kanaliseren van waterlopen kwam meestal slecht één of enkele diensten, zoals productie van voedsel, voor de maatschappij ten goede. Het rechttrekken had echter ook negatieve gevolgen voor de maatschappij, zoals een versnelde afvoer van water bij overstromingen in de richting van stroomafwaarts gelegen (woon)zones, het afvoeren van meer sediment, het verzanden van grote rivieren, verdroging in de valleien, en een minder goede natuurlijke waterzuivering. Ook de biodiversiteit in onze waterlopen heeft ernstig geleden onder de economische ontwikkeling in de 20ste eeuw. Maar nu in Vlaanderen de waterkwaliteit in onze beken en rivieren weer is verbeterd kan ook aandacht geschonken worden aan het herstellen van de natuurlijke beek- of riviermorfologie om de ecosysteemdiensten en biodiversiteit te herstellen. Steeds vaker worden in Vlaanderen beekherstelprojecten uitgevoerd. In vele gevallen worden oude meanders terug aangesloten en in de loop opgenomen. We noemen dit hermeanderen of het herstellen van de oude, meanderende loop van gekanaliseerde beken of rivieren. Enkele jaren geleden heb ik gesprekkken gevoerd met een zeventigtal oudere vissers om zo een beeld te krijgen van welke vissen er vroeger in verschillende beken aanwezig waren. Ik sprak met mensen die kort na WO II in de beek bij hun dorp gingen vissen. Dat leverde mooie verhalen op van zuivere beken met diepe bochten waarin ze hadden leren zwemmen, en over welke vissen ze allemaal gevangen hebben. Maar ze vertelden ook het verhaal van de teloorgang van zuivere beken, de vervuiling van het water, van het rechttrekken en uitdiepen van waterlopen en het verdwijnen van soorten als kwabalen en serpelingen. De waterkwaliteit van onze beken is de laatste jaren gelukkig weer sterk verbeterd en op sommige plaatsen krijgen beken weer de ruimte om hun natuurlijke meanderende patroon te ontwikkelen. Enerzijds omdat dit voor ons als mens een aantal voordelen heeft maar daar gaan we vandaag niet op in. Anderzijds is het belangrijk voor de biodiversiteit en vooral die vissen die typisch zijn voor onze waterlopen. In een beek met bochten of meanders komen meer typische beekvissen voor. Of een waterloop een recht, kronkelend of meanderend patroon heeft is vooral afhankelijk van de hellingsgraad en ruwheid van het landschap.Als de helling 0,2 tot 1,5 % bedraagt dan zal het water in een meanderend patroon naar beneden stromen. Het stroomt niet recht naar beneden maar slingert van links naar rechts. De ruwheid van de ondergrond en de waterhoeveelheid in de waterloop bepalen mee de afstand tussen de bochten of meanders. Bij een sterkere helling zal het water niet meanderen maar een vlechtend patroon vormen en stroompjes zullen kriskras door mekaar naar beneden stromen zoals op de vooruit van een auto.Het water in de beek wordt in de bochten door de middelpuntvliedende kracht naar buiten geslingerd. Op het einde van de bocht zakt het dan weer naar beneden, waardoor het water een schroefvormige beweging maakt in de waterloop. In de buitenbochten ontstaan door erosie diepe uitspoelingen met grof bodemmateriaal, terwijl in de binnenbochten ondiepe afzettingen van fijn bodemmateriaal ontstaan. Dit zijn vaak zandbanken of in een grindrivier de grindbanken, die bij lage afvoer droog komen te liggen. Tussen twee bochten ligt een rechter stuk waar het water vaak wat sneller stroomt.Deze schroefvormige stroming heeft dus tot gevolg dat in de waterloop meer variatie in diepte, in stroomsnelheid en in sediment ontstaat, zowel in de lengte als over de breedte van de beek. We krijgen diepe poelen, uitgespoelde oevers en ondiepe zand of slibbanken. Er is meer variatie in de stroomsnelheid van het water, met snelle stroomversnellingen tussen de bochten tot stilstaand water achter de binnenbochten. Het gevarieerde stromingspatroon veroorzaakt dus een sortering van bodemmateriaal in de waterloop met grofkorrelig sediment in de snelstromende stukken, en fijn slib in de praktisch stilstaande zones. Tegelijk is er veel variatie in diepte. Een beek kan je vergelijken met een straat in Vlaanderen, met een grote variatie aan huizen. In de beek heeft elke vis als het ware ook zijn huisje. Diepe beekpoelen kan je vergelijken met grote villa's, holtes onder omgevallen boomstammen zijn kleine arbeiderswoningen, en stroken met ondiep water zijn als lage bungaglows. Elke vissoort heeft zo zijn eigen habitat of plek waar ze graag vertoeven. En dan begrijp je meteen dat met de grotere variatie in diepte, stroomsnelheid en sedimentsamensteling in een meanderende beek, er dus ook meer verschillende leefomgevingen zijn voor verschillende vissoorten. De rivierdonderpad leeft bijvoorbeeld tussen de grote keien in de beek op plaatsen met een sterke stroming, de riviergrondel op zijn beurt houdt van zandige bodems en wat waterplanten in de zachte stroming. De zeelt verkiest dan weer om zich tussen de waterplanten te verstoppen op plaatsen waar zo goed als geen stroming is en de prachtige barbeel houdt van fijn grind en plekken die minstens een meter diep zijn. Ook volwassen en jonge vissen vertoeven vaak op verschillende plaatsen. Afhankelijk van de leeftijd, hebben ze ook nodig aan een andere omgeving. Bijvoorbeeld om te paren, een nest te bouwen of om eitjes uit te laten komen. Oude en jonge vissen leven niet altijd op dezelfde plaats in de rivier. Sommige vissen, zoals de paling of de zeeforel verplaatsen zich ook over grotere afstanden om de verschillende levensfases te doorlopen.Je vraagt je misschien af hoe we dat allemaal te weten komen. Als onderzoekers zijn we erin geslaagd om volwassen barbelen in de Grensmaas een zendertje mee te geven, waardoor we nu weten dat ze 's nachts eten gaan zoeken in de ondiepe stroomversnellingen en overdag rusten op diepere plaatsen in de beschutting van grote stenen of eilanden in de rivier.Bochten of meanders in onze waterlopen zorgen voor een grote variatie aan leefomgeving voor de verschillende vissoorten. Met als gevolg dat vooral de typische vissoorten van stromende wateren zich er thuis voelen. In de meanderde beek zijn ook meer 'kamers', zodat er er ruimte is voor alle belangrijke levensfases van de vissen. Afsluiten doe ik met de hoop dat de verbeterde waterkwaliteit het mogelijk zal maken dat onze kinderen en kleinkinderen opnieuw wat meer buiten in het water zullen kunnen spelen, en dat een soort als de serpeling in de toekomst weer in alle Vlaamse beken kan rondzwemmen.Dr. Alain De Vocht is als onderzoeker verbonden aan de UHasselt en PXL University College. Hij richt zich daarbij op projecten, vorming en dienstverlening rond milieu-en biodiversiteit, openbaar groen en moleculaire biodetectie.