'Ons secundair onderwijs heeft geen behoefte aan een revolutie, maar aan goed voorbereide en overlegde bijsturingen in de komende tien jaar.' Dat staat in het eindrapport van een commissie onder leiding van voormalig topambtenaar Georges Monard. In opdracht van Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) lichtte ze in het voorbije jaar het secundair onderwijs door. Dat resulteerde in een reeks suggesties voor soms ook erg ingrijpende veranderingen.
...

'Ons secundair onderwijs heeft geen behoefte aan een revolutie, maar aan goed voorbereide en overlegde bijsturingen in de komende tien jaar.' Dat staat in het eindrapport van een commissie onder leiding van voormalig topambtenaar Georges Monard. In opdracht van Vlaams minister van Onderwijs Frank Vandenbroucke (SP.A) lichtte ze in het voorbije jaar het secundair onderwijs door. Dat resulteerde in een reeks suggesties voor soms ook erg ingrijpende veranderingen. De commissie-Monard wijst op vele sterke punten in het secundair onderwijs, zoals de leerplicht tot 18 jaar, de goede kennisoverdracht en de grote inzet van schoolteams om leerlingen te begeleiden. Maar er zijn ook zwakke punten. Veel leerlingen bijvoorbeeld maken verkeerde studiekeuzes, blijven zitten en zijn schoolmoe. De overgang tussen basis- en secundair onderwijs verloopt moeilijk. Om aan dat laatste een mouw te passen, stelt de commissie voor om in de eerste graad (de eerste twee leerjaren) een brede algemene vorming aan te bieden, met ook veel aandacht voor het Nederlands en andere talen en met interesseprikkels, die gaan van Latijn tot techniek en kunst. De vakken zouden meer gegroepeerd worden gegeven, zodat de leerlingen minder verschillende leraren voor de klas krijgen. Voor leerlingen die zonder getuigschrift basisonderwijs nu in een zogeheten B-klas terechtkomen, komen er 'schakeljaren'. De studiekeuze wordt verschoven naar de tweede graad. De meeste leerlingen zijn dan 14 jaar. Daarbij verdwijnt de oude opdeling tussen algemeen, technisch en beroepssecundair onderwijs. In de plaats komen 'belangstellingsgebieden'. De commissie noemt er vier: 'gezondheid, welzijn, en samenleving', 'administratie, handel en economie', 'natuur, techniek en wetenschappen', en ten slotte 'talen en kunst'. In elk gebied kunnen de leerlingen kiezen tussen een A-richting die voorbereidt op de arbeidsmarkt, en een D-richting die doorstroming naar het hoger onderwijs beoogt. In de tweede graad kan die finaliteit nog opgeschoven worden in een AD-richting. Om te vermijden dat de leerzin van de leerlingen verwatert, wordt een andere werkvorm bepleit: activerend, vakdoorbrekend en competentiegericht leren. Omdat 30 procent van de jonge leerkrachten binnen de vijf jaar afhaakt, dringt de commissie-Monard aan op een 'meer dynamisch werkgeverschap' van de scholen. Leraren zouden gemakkelijker van opdracht en school moeten kunnen veranderen en ook de kans moeten krijgen om promotie te maken en 'senior leraar' te worden. De organisatie van het debat over het commissierapport en de omzetting van de voorstellen in concreet beleid, zijn opdrachten voor de volgende Vlaamse regering. Minister Vandenbroucke heeft Monard en de veertien andere commissieleden wel gevraagd om in de komende maanden uit te zoeken of er ook in het buitenland creatieve oplossingen bestaan voor de geschetste problemen in het secundair onderwijs in Vlaanderen. MEER INFO: www.vandenbroucke.com Patrick Martens