DICHTERS GEVEN NIET graag hun werk af. Ze trachten controle te houden over de stroom poëzie die ze over de jaren heen hebben afgescheiden en die in vergeelde bundels in stoffige bibliotheken blijven sluimeren. Ze selecteren in hun nalatenschap, rommelen erin, vervalsen en verdonkeremanen het. En niemand kan daar wat tegen inbrengen. Zo publiceerde Luuk Gruwez zopas ?Bandeloze gedichten?, zijnde het pakket poëzie dat hij bewaard wil zien van alles wat hij heeft geschreven tot 1990, dus tot en met de bundel ...

DICHTERS GEVEN NIET graag hun werk af. Ze trachten controle te houden over de stroom poëzie die ze over de jaren heen hebben afgescheiden en die in vergeelde bundels in stoffige bibliotheken blijven sluimeren. Ze selecteren in hun nalatenschap, rommelen erin, vervalsen en verdonkeremanen het. En niemand kan daar wat tegen inbrengen. Zo publiceerde Luuk Gruwez zopas ?Bandeloze gedichten?, zijnde het pakket poëzie dat hij bewaard wil zien van alles wat hij heeft geschreven tot 1990, dus tot en met de bundel ?Dikke mensen? van dat jaar. Wie Gruwez compleet wil, zal zich onder het vertwijfelde aanroepen van de wreedaardige God Van De Beschikbare Dichtbundels naar de boekhandel moeten reppen om daar ?Vuile manieren? (1994) te kopen. Gruwez haalde er een heuse tekstbezorger bij, Georges Wildemeersch. Die gebruikt in zijn korte nawoord termen als weglaten, behouden of overblijven, als was hier eigenlijk een soort Verzameld Werkje in de maak. Die indruk wordt nog versterkt doordat de bundels ?Een feestelijke verliezer? (1985) en ?Dikke mensen? integraal in ?Bandeloze gedichten? zijn opgenomen. De ondertitel ?Een keuze uit de poëzie 1977-1990? klinkt dus een beetje bedrieglijk. En het eerste jaartal had eigenlijk 1973 moeten zijn, toen Gruwez' debuut ?Stofzuigergedichten? verscheen, maar daarvan vond geen enkel vers nog genade. MEDEDOGEN.?Goede smaak, het betere vers en de beste gedichten? waren de criteria voor de samenstelling van het boek. Maar Gruwez selecteerde niet alleen, hij voegde ook nog zeven ?nieuwe? gedichten aan het boek toe, geschreven ?op basis van oude notities?, wellicht uit de vroege jaren tachtig. En voorts ging Gruwez duchtig aan het schrappen, herschrijven en corrigeren in zijn oude gedichten. Daarmee wou hij zijn vroegere verzen aanpassen aan zijn ?huidige poëzieopvattingen?, maar dan wel zonder de algemene, vooral thematische evolutie in zijn werk geweld aan te doen. Dat schrappen en herschrijven gebeurde soms erg drastisch ; het weglaten van gedichten is natuurlijk het ultieme schrappen. Bij nader toezien blijkt Gruwez vooral het in zijn ogen kennelijk al te barok-decadente karakter van zijn vroegere gedichten wat te hebben getemperd, wat ook blijkt uit het type gedichten dat bij deze selectie werd terzijde geschoven. De exuberantie vulde hij nu aan met enige zin voor mildheid en mededogen. Een versregel het gaat over dichters met illusies als ?maar steeds verkeerden in verkeerde waan? moest zo het veld ruimen voor ?altijd verslaafd aan de charmante waan?. Maar zo verdween natuurlijk ook een wat opzichtige woordspeling. En zo ging het meestal met deze correcties ; Gruwez' poëzie wordt er alleen maar beter op. Marc Reynebeau Luuk Gruwez, ?Bandeloze gedichten. Een keuze uit de poëzie 1977-1990?, De Arbeiderspers, Amsterdam-Antwerpen, 137 blz., 599 fr.