RUDY DE LEEUW: Als je de daling van de koopkracht bekijkt, kun je een structurele en een conjuncturele component onderscheiden. Het structurele probleem is dat we de jongste tien jaar een mooie economische groei hebben gekend, maar dat de lonen van de werknemers niet op dezelfde manier gestegen zijn. Anders gezegd: de groei per inwoner stijgt sneller dan het loon per werknemer. Waarom? Omdat we in België een politiek van loonmatiging hebben gekend.
...

RUDY DE LEEUW: Als je de daling van de koopkracht bekijkt, kun je een structurele en een conjuncturele component onderscheiden. Het structurele probleem is dat we de jongste tien jaar een mooie economische groei hebben gekend, maar dat de lonen van de werknemers niet op dezelfde manier gestegen zijn. Anders gezegd: de groei per inwoner stijgt sneller dan het loon per werknemer. Waarom? Omdat we in België een politiek van loonmatiging hebben gekend. Daarnaast heb je een conjunctureel probleem: je hebt de prijsstijgingen van energie en voeding, en die liggen in ons land hoger dan in onze buurlanden. We zitten nu aan een inflatie van 5,80 procent, maar de lonen volgen de stijging van de levensduurte niet helemaal, want onze index is een gezondheidsindex, waar brandstof, sigaretten en zelfs het gewone pintje dat nu weer duurder gaat worden, niet in zitten. Die gezondheidsindex zit nu op 4,32 procent en die wordt maar met een zekere vertraging toegepast. Om dat verschil tussen die 5,80 procent inflatie en 4,32 procent van de gezondheidsindex te compenseren, moet er iets gebeuren. Zeker voor de lage en de middelhoge inkomens. GEERT NOELS: Je hebt op dit moment twee bronnen voor de oplopende inflatie: de energie- en voedingsprijzen stijgen en ze stijgen overal ter wereld. Als wij die stijgingen in België proberen te compenseren met inkomensverhogingen, dan dreig je in een inflatiespiraal te verzeilen: je gaat meer loon betalen, de loonkosten worden dus hoger, met als gevolg dat de prijzen stijgen. En dan begint het opnieuw. Dus: als je de stijgende inflatie, wat een conjunctureel probleem is, op korte termijn probeert te compenseren, krijg je op lange termijn een oplopende inflatiespiraal en dus een structureel probleem. Die inflatoire val door compenserende loonsverhogingen moeten we echt vermijden. We moeten dus nadenken of een verhoging van de inkomens wel de juiste oplossing is. Maar dat is geen makkelijke boodschap voor de bevolking. DE LEEUW: Het structurele probleem, namelijk dat de werknemers minder mochten meegenieten van de mooie economische groei, was er wel vóór het conjuncturele probleem, de prijsstijgingen. Kijk, ooit hebben we een deal gemaakt: we gingen akkoord met een loonmatiging in ruil voor meer werkgelegenheid, en globaal zouden de loontrekkenden er dan op vooruitgaan. Maar zelfs dat is niet gebeurd. Er zijn wel 200.000 jobs bijgekomen, maar allemaal samen verdienen we minder. Bovendien hebben we in diezelfde periode ook nog een fiscaliteit gekend die de lage en middeninkomens benadeelde. En dan spreek ik nog niet van de notionele-interestaftrek, een blind cadeau voor de bedrijven. Daarbovenop komt nu een conjunctureel probleem, waar België meer nadeel van ondervindt, bijvoorbeeld omdat er in de gas- en elektriciteitssector bij ons geen echte concurrentie is. LUC COENE: We gaan toch een beetje kort door de bocht als we de twee problemen onder dezelfde noemer 'koopkracht' brengen. Het structurele probleem en het conjuncturele probleem hebben fundamenteel niets met elkaar te maken. Dat de lonen de economische groei niet in gelijke mate gevolgd hebben, was een instrument om de werkgelegenheid in ons land te behouden of zelfs te verhogen in een globaliserende wereld. Je kunt discussiëren over de optimale verhouding tussen loonstijgingen en groeiende werkgelegenheid, maar als de lonen even sterk waren gestegen als de economische groei, dan had ons dat banen gekost. Daarnaast maken we nu wat Rudy De Leeuw een conjunctureel fenomeen noemt mee: de stijging van de energie- en voedselprijzen. Maar dat is ook een structureel fenomeen. Dat valt zeer nadelig uit voor de hele westerse wereld: het betekent niet meer of minder dan een collectieve verarming. URBAIN VANDEURZEN: Dat klopt. Of je het nu graag hoort of niet: we zijn collectief aan het verarmen. En dan kun je ijveren voor een herverdeling in ons land, maar wat er nu gebeurt, is een herverdeling op wereldvlak: de rijke westerse landen worden armer, de arme niet-westerse landen die grondstoffen hebben worden rijker. COENE: En als je die verarming in België probeert te compenseren, dan krijg je inderdaad een inflatieopstoot en een loon-prijsspiraal. En zo'n inflatieopstoot treft vooral de zwakkeren in de samenleving, want die hebben de minste mogelijkheden om zich daartegen te verdedigen. We hebben dat allemaal al eens meegemaakt in de jaren zeventig... DE LEEUW:... Inderdaad, ook toen werd er veel tijd verloren met communautair gehakketak... COENE:... En toen heeft het ons jaren gekost om de gevolgen weg te ruimen, tot en met een devaluatie van de Belgische frank in 1982. VANDEURZEN: Je mag de factuur van de collectieve verarming in elk geval niet eenzijdig doorspelen naar de bedrijven. De manier waarop we in België op een vrij unieke manier de stijgende levensduurte compenseren via de loonindexering betekent voor de bedrijven een geweldige kostprijs: voor iedere euro koopkrachtcompensatie betalen onze bedrijven 3 euro. Zo vergroot onze loonkostenhandicap, vermindert ons concurrentievermogen, en het gevolg zijn herstructureringen. Ik voorspel u: er komt een nieuwe golf van bedrijfsherstructureringen. De sluiting van Bekaert in Lanklaar is slechts de eerste van een lange rij. NOELS: Dus: we moeten langetermijnoplossingen toepassen en geen kortetermijnpolitiek voeren, anders wordt dat conjunctureel probleem een structureel probleem. DE LEEUW: Maar waarom wil niemand iets doen aan het feit dat de prijsstijgingen in België voor voeding, gas, elektriciteit en stookolie hoger liggen dan in de ons omringende landen? NOELS: Ook voor voeding? DE LEEUW: Zeker, dat tonen de cijfers aan. NOELS: Dan heb ik andere cijfers. DE LEEUW: Als die prijzen in hetzelfde tempo waren gestegen als in onze drie buurlanden, dan zou de gezondheidsindex 1,30 procent lager liggen dan vandaag. COENE: Laten we kijken naar de energieprijzen, want daar zit het grootste probleem. We kennen in België nu een inflatie van 5,80 procent, terwijl het gemiddelde van de eurozone 4 procent is. 90 procent van dat verschil komt op rekening van de energieprijzen. Waarom? Omdat wij zonder overgang de huidige stijging van de wereldenergieprijzen opnemen in onze binnenlandse prijzen. In de meeste andere landen gebeuren die aanpassingen om de zoveel maanden op basis van een gemiddelde stijging over een hele periode. Gevolg: een plotse stijging wordt bij ons onmiddellijk doorgerekend, in andere landen wordt het uitgesmeerd in de toekomst. Als de Europese Centrale Bank het profiel van de inflatie van de lidstaten vergelijkt, zie je dat de inflatie in België steeds als eerste op gang komt en dat we ook het hoogste pieken. Bij de andere landen komt het trager op gang, de inflatie gaat niet zo hoog, maar zakt ook niet zo vlug. Dat is des te pijnlijker voor ons omdat we ook nog een loonindexeringsmechanisme hebben: een verhoging van de inflatie vertalen we onmiddellijk in het loon... DE LEEUW:... Niet onmiddellijk, met een zekere vertraging en het is niet de index maar de gezondheidsindex die we daarvoor hanteren. Dus zonder de energieproducten, die net zo fel in prijs gestegen zijn. COENE: Onze gezondheidsindex zit nu op 4,30 procent, terwijl de gemiddelde inflatie in de andere landen 4 procent is, dus zelfs met de gezondheidsindex zitten we erboven. Hoe dan ook, we mogen de collectieve verarming zeker niet opvangen door het inkomen te verhogen, want dan creëer je een inflatiespiraal, waar we allemaal zo bang voor zijn. Je moet wel de zwakkeren onder aan de maatschappelijke ladder helpen waar het kan. VANDEURZEN: Ik zal u misschien verrassen. Ik heb er begrip voor dat de lage inkomens vandaag last hebben en dat we een inspanning moeten doen om die groep mensen te helpen. Maar ik wil vermijden dat we het kind met het badwater weggooien. We mogen de kosten van de verarming niet alleen afwentelen op de bedrijven door het loon te verhogen. We moeten die verarming evenredig spreiden over alle geledingen van de samenleving. De bedrijven hebben trouwens weinig keuze: zij moeten de hogere energieprijzen ook betalen en door ons systeem van automatische loonindexering krijgen ze ook van die kant de rekening gepresenteerd. Daarom zeg ik: zaag die tak waarop we zitten toch niet af. We moeten in de toekomst onze koopkracht blijven verdienen, en dan hebben we bedrijven nodig die concurrentieel zijn, die welvaart scheppen, die de taart vergroten. Om dat te realiseren moeten er twee zaken gecombineerd worden: ten eerste loonmatiging, en ten tweede moeten we massaal transformeren naar een nieuwe economie. Dat moet onze gemeenschappelijke agenda worden. DE LEEUW: Wat die loonmatiging betreft: ik merk op dat eregouverneur Fons Ver-plaetse in Knack heeft uitgelegd dat het belang van onze loonkosten overdreven wordt. Aangezien onze bedrijven nog steeds met halffabricaten werken, ligt het aandeel van de invoerkosten in België veel hoger dan in de buurlanden, en de loonkosten dus lager. Een loonmatiging zal dus geen afdoend antwoord bieden, maar is integendeel een premie voor het immobilisme van sommige werkgevers. We moeten toch eerlijk zijn: het bedrijfsleven in België en Vlaanderen had zich geëngageerd om meer te investeren in opleiding en vorming, in Onderzoek en Ontwikkeling, in innovatie. Wel, we presteren op die terreinen nog altijd ondermaats. Wij willen als vakbond naar een structuurhervorming van de economie, waarbij opleiding en vorming, Onderzoek en Ontwikkeling en innovatie essentieel zijn, zodat we goedbetaalde jobs krijgen. Dát is ons alternatief voor loonmatiging. NOELS: Ik hoor u dat graag zeggen, maar de bedrijven hebben in een geglobaliseerde wereld wel de keuze waar ze die activiteiten met goedbetaalde jobs ontwikkelen. Er zijn nog andere landen dan België die die goedbetaalde jobs willen, en misschien zijn zij aantrekkelijker, bijvoorbeeld omdat de loonkosten er lager liggen. Je moet dus ook wel het juiste kader scheppen om die goedbetaalde jobs aan te trekken. COENE: Ik kan begrijpen dat de werknemers niet als enigen moeten opdraaien voor de noodzakelijke inspanningen om de Belgische economische prestaties op peil te houden. Op het vlak van bijvoorbeeld innovatie scoren onze bedrijven inderdaad niet te best. Maar men droomt als men denkt dat we er met meer innovatie wel zullen komen, en dat een loonmatiging dan niet meer nodig zal zijn. Het is niet óf óf, het is én én. VANDEURZEN: Volledig mee eens. We zitten op een punt dat we moeten kiezen. Ofwel gaan we collectief achteruit, zoals we de jongste jaren in vergelijking met de OESO-landen stelselmatig achteruit zijn gegaan. Ofwel maken we de fundamentele keuze om onze economie te transformeren met veel meer innovatie, meer toegevoegde waarde, kennisgedreven enzovoort. Dan zijn we beter beschermd tegen de internationale conjunctuur. Dat is een uitdaging voor drie partijen. Eén: de bedrijven moeten absoluut meer investeren in innovatie, specialisatie en talentontwikkeling. Twee: onze overheden - zowel federaal, regionaal als lokaal - moeten ook innoveren, en ze zullen meer moeten doen met minder middelen. Misschien moeten bepaalde overheidsfuncties versterkt worden, maar moeten we alle ambtenaren die binnenkort met pensioen gaan wel vervangen? We moeten harde targets durven te stellen en bijvoorbeeld maar een op de twee ambtenaren vervangen. Drie: met de sociale partners moeten we de arbeidsmarkt innoveren, zodat we flexibel kunnen inspelen op nieuwe situaties en conjuncturele schokken kunnen opvangen. Vandaag is dat arbeidsmarktbeleid veel te stroef. COENE: U hebt gelijk. VANDEURZEN: Dán praat je over een structurele oplossing, zodat we bij de koplopers in de wereld blijven behoren. Je moet de oplossingen spreiden over tien jaar, en zowel de overheid, de bedrijven als de sociale partners moeten hun verantwoordelijkheid nemen. Als we elkaar de zwartepiet blijven doorspelen, zal ons concurrentievermogen er alleen maar op achteruitgaan. En vooral de zwakkeren in onze samenleving zullen daar het slachtoffer van zijn. COENE: Er is vandaag niemand die ontkent dat er nu, in 2008, een koopkrachtprobleem bestaat: er is een reële collectieve verarming van alle Belgen. Je mag de mensen niet de illusie geven dat dit in een-twee-drie kan worden opgelost. Om die verarming af te remmen kan je alleen maar oplossingen op lange termijn stap voor stap doorvoeren. Die oplossingen zullen moeten komen van alle geledingen van de maatschappij: van de werknemers, werkgevers en de overheid, zonder dat hun toekomst in gevaar komt. Maar de mensen staan niet machteloos, alle Belgen kunnen ook zélf iets doen. Ze kunnen hun energie- en voedingsgewoonten aanpassen. Zo kunnen ze een stuk van de verarming afremmen. Maar we mogen niemand iets wijsmaken: iedereen zal zijn deel van die collectieve verarming moeten dragen.