Er bestaat alvast één verschil tussen premier Guy Verhofstadt en diens voorganger Jean-Luc Dehaene. Van het privéleven van de eerste is amper wat bekend, behalve dat hij graag fietst. Weinigen weten bijvoorbeeld iets af over zijn vrouw, hoe ze heet of hoe ze eruitziet. Dat is helemaal anders met Dehaene, die zich met zijn Celie graag profileert als een archetypisch Vlaams bompa-en-bommagezin en die zelfs de tv bij hem uitnodigt om te registreren hoe beiden, chips en bier bij de hand, naar het voetbal kijken. Bij Verhofstadt thuis komt een camera er daarentegen niet in, behalve wanneer de man door geelzucht geveld bedlegerig is, maar toch een commentaar moet geven op een verkiezingsuitslag.
...

Er bestaat alvast één verschil tussen premier Guy Verhofstadt en diens voorganger Jean-Luc Dehaene. Van het privéleven van de eerste is amper wat bekend, behalve dat hij graag fietst. Weinigen weten bijvoorbeeld iets af over zijn vrouw, hoe ze heet of hoe ze eruitziet. Dat is helemaal anders met Dehaene, die zich met zijn Celie graag profileert als een archetypisch Vlaams bompa-en-bommagezin en die zelfs de tv bij hem uitnodigt om te registreren hoe beiden, chips en bier bij de hand, naar het voetbal kijken. Bij Verhofstadt thuis komt een camera er daarentegen niet in, behalve wanneer de man door geelzucht geveld bedlegerig is, maar toch een commentaar moet geven op een verkiezingsuitslag. Dehaene gebruikte zijn privéleven als een bliksemafleider. De media mochten best zijn collectie haantjes of zijn persoonlijk omgespitte tuin komen bekijken, maar over zijn beleidsinzichten wilde hij alleen maar wat kwijt als het hem uitkwam of, in zijn termen, 'wanneer de problemen zich stellen'. Een subtiele variant op het 'geen commentaar' van politici in vroegere tijden. En ondertussen hield hij nooit op met knorren over de onnozelheid en de onwetendheid van de media. Verhofstadt 'communiceert' daarentegen: geen gebrek aan praatjes over hoe de modelstaat of de actieve welvaarsstaat volgens hem tot stand moet komen, maar dat alles wel in de regie van een spin doctor. Politici hebben met de media moeten leren leven. Toch blijft hun kijk op met name de televisie vrij sceptisch, wat hen doorgaans tot een zeer opportunistische houding brengt. Ze laten zich met plezier uitnodigen voor een praatprogramma als De Laatste Show, omdat ze graag in een populair en onderhoudend programma 'gezien' willen worden. Niettemin mopperen ze graag over de verlaatsteshowing van de politiek. Alles moet luchtig, anekdotisch en gevat, het liefst verpakt in een grol. Zelfs in een 'politiek' programma als De Zevende Dag is voor 'inhoud' en 'diepgang' geen plaats: complexe discussies worden er via blitse oneliners tot zwart-wittegenstellingen gereduceerd. Inhoud geen belang, als het maar goed klinkt. In diezelfde denktrant passen de al even sombere bedenkingen die bijvoorbeeld willen dat de media verantwoordelijk zouden zijn voor het vermeende toegenomen geweld in de samenleving, omdat ze zoveel geweld en sensatie zouden tonen. Die zorgelijke kijk wil meer bepaald dat de media de politiek hebben gebanaliseerd, dat ze bij het grote publiek scepsis, cynisme of desinteresse tegenover de politiek in de hand werken en zo de kwaliteit van de democratie ondermijnen. De VRT, zorgzaam moedertje als altijd, laat daarom dezer dagen een grootschalig onderzoek uitvoeren naar de impact van de media op de politiek. Enige zin voor maatschappe- lijke verantwoordelijkheid is lovenswaardig. Toch steunen veel van zulke ideeën evenwel op niet meer dan vooroordelen. Meestal gaan ze uit van een al te simpele opvatting over het directe effect dat de media zouden hebben. Die wil dat lezers en kijkers passief 'consumeren' en dus klakkeloos accepteren wat de media hen opdissen. Zo werkt het evenwel niet; het publiek denkt er integendeel altijd het zijne van. Het gaat heel actief met de media om, zodat van eenrichtingsverkeer nooit sprake kan zijn. Recent wetenschappelijk onderzoek - bijvoorbeeld van Pippa Norris in de Verenigde Staten - leert dat veel pessimisme over de kwalijke rol van de media door de feiten wordt tegengesproken. Meer zelfs, de wetenschap kon tot nu toe nooit achterhalen wat dat 'effect' van de media precies is. Kortom, we weten het niet. Elke uitspraak erover is bijgevolg voorbarig want ongefundeerd. De scepsis over de media is nog op een andere manier het gevolg van onwetendheid: het gaat hier om vrij nieuwe verschijnselen. Het nieuwe ligt in de onafhankelijkheid van de media. Politiek wordt in een vertegenwoordigende democratie altijd 'gemedieerd': kiezers vormen zich een mening over politiek via allerlei informatie die via media van allerlei aard werd en wordt verspreid. Maar tot pakweg twee, drie decennia geleden oefenden de politieke elites een grote controle uit over die media en dus over die informatie. Politieke partijen controleerden de verspreiding van politieke feiten en meningen, niet alleen via meetings of huisbezoeken, maar ook via de media. Kranten bleven lang schatplichtig aan politieke pressiegroepen, de openbare omroep stond geheel onder toezicht van politici. Die tijd is voorbij. Processen van liberalisering en privatisering zorgden ervoor dat de staat en de politiek in het algemeen zich steeds verder terugtrokken uit het openbare leven. Zo verschoof ook de controle over de media vrijwel helemaal van de politiek naar de privé-sector, de commercie en de vrije markt. Dat betekent concreet dat de politieke elites er haast niks meer over te zeggen hebben, ook niet over de openbare omroep. Dat is het wat hen onzeker en sceptisch maakt: de afhankelijkheid is omgedraaid. Met het begrip 'dramademocratie' heeft de VUB-socioloog Mark Elchardus de vinger gelegd op enkele negatieve aspecten van deze evolutie. Ze signaleren de groeipijnen van een ingrijpende maatschappelijke verandering. Maar dat wil nog niet zeggen dat de media per definitie het democratische gehalte van de politiek uithollen, dat het kiespubliek onwetend of cynischer is geworden of zelfs door de media wordt gemanipuleerd of misleid. Wat veranderde, is de aard van de politiek, door wat Norris omschreef als de overgang van een 'politiek van de loyaliteit' naar een 'politiek van de keuze'. De media dienen niet meer om de trouw van de kiezer aan zijn partij te verstevigen, maar geven die kiezer wel de kans om een eigen keuze te maken. Dat maakt het publiek tamelijk onvoorspelbaar en, zo men wil, 'onbetrouwbaar'. Kiezers, zo wordt aangenomen, doen meestal niet veel moeite om zich een mening te vormen over politiek. Ze laten het op zich afkomen en kiezen op grond van een veelheid van bronnen en indrukken, niet alleen via de media, maar ook met wat ze vernemen in het café of van familieleden. Dat hoeft niet zo nodig tot wispelturigheid te leiden. Een 'ongeval' als de dioxinecrisis zorgde in 1999 wel voor een aardverschuivinkje (de stemmenverschuiving was geringer dan het politieke gevolg ervan), maar daarom ging het nog niet om een louter irrationele reactie. De crisis had wel degelijk een ernstig falen van de overheid blootgelegd, hier in het toezicht op de voedselveiligheid, toch een haast existentieel thema. Grootschalig Amerikaans onderzoek heeft uitgewezen dat de bevolking op langere termijn wel degelijk een heel rationeel en stabiel stemgedrag vertoont en dat de politieke elite er goed aan doet om dat ernstig te nemen. Zeker nu bestaat weinig reden tot pessimisme over de rol van de media in de verkiezingsslag. In de aanloop naar 18 mei verspreiden haast alle media informatie van allerlei slag op een wellicht nooit eerder vertoonde schaal, zowel kwantitatief als kwalitatief. Ja, het entertainment kwam erbij, maar het heeft de ernstige analyse of het diepgaande debat allerminst verdrongen. Net die verscheidenheid maakt de politiek toegankelijker en zelfs 'menselijker'. Politiek komt erdoor meer dan ooit in de publieke arena ter sprake, niet alleen in serieuze commentaren, maar ook in speelsere formats, eigen aan het medium, waarin politici verplicht zijn om uit hun vertrouwde taal te stappen en zelfs letterlijk hun geijkte jargon moeten opgeven. Dat maakt het politieke bedrijf niet eenvoudiger, maar de politiek kan erdoor wel een onderwerp van gesprek worden en zo een bredere publieke participatie bevorderen, zoals het past in een democratie. Verandering brengt onwennigheid mee. Daarom toont de politieke elite zich kopschuw in de confrontatie met de nieuwe media-evoluties. Ach, al dat entertainment, zo heet het, leidt de aandacht van de kiezer alleen maar af en doet hem wegdrijven van de zaken die er wel toe doen. Maar dat vond de Franse filosoof Jean-Jacques Rousseau ruim twee eeuwen geleden al over het theater. Hij dacht dat de mensen door het privé genieten van kunst geen oog meer hadden voor het algemeen belang van de res publica. En nu wil de politiek niets liever dan dat we met zijn allen naar het theater gaan. Want, zoals gezegd, tijden veranderen. Marc Reynebeaude media maken van de politiek een onderwerp van gesprek.