Van de Turner Prize Exhibition tot de tentoonstelling Live/ Life : hoe levend is de jonge Britse kunstscène vandaag ?
...

Van de Turner Prize Exhibition tot de tentoonstelling Live/ Life : hoe levend is de jonge Britse kunstscène vandaag ?DE eerbiedwaardige Tate Gallery in Londen toont naar goede gewoonte een staaltje uit het werk van de vier kunstenaars op de shortlist voor de jaarlijkse Turner Prize. Dat is de geldprijs van een slordige één miljoen frank, toegekend aan een ?Brits kunstenaar onder de 50 voor een uitstekende tentoonstelling van zijn werk in de twaalf maanden voorafgaand aan 31 mei 1996.? In een land waar kunstbeschouwing tot voor kort nog regelmatig uitdraaide op snedige discussies tussen de behoeders van gedegen ambachtelijkheid en de verdedigers van nieuwe vormen en gedachten, was de Turner Prize wel vaker de inzet van bitse controverses. Dat de op sterk water gezette koeien van winnaar Damien Hirst (1995), anticiperend op de mad cow-hysterie, voor oorverdovend geloei zorgden, valt nog te begrijpen. Dat Rachel Whiteread in 1993 met haar post-minimal sculpturen bestaande uit afgietsels van de leegtes onder huiselijke en architectonische objecten in hars, rubber of plaaster een fluitconcert oogstte, was al veel minder evident. Maar net als bij andere laureaten van de prijs we denken aan Richard Deacon of Tony Cragg bloeit het oeuvre van Whiteread verder open en krijgt het een internationale respons. Dezer dagen wordt haar memoriaal voor de Holocaust slachtoffers in Oostenrijk (1938-45) geïnstalleerd op de Judenplatz in Wenen. Zij maakte een betonnen afgietsel van een denkbeeldige bibliotheek in een huis op de Judenplatz. De namen van de 65.000 slachtoffers zijn in stalen letters op de buitenmuur aangebracht. Kwam het door de snelle internationale waardering voor de jonge Britse kunst dat de keuzes van de progressief georiënteerde jury niet langer onder vuur genomen werden ? Herkende iedereen en niemand zich dit keer in de shortlist ? Een criticus had het over een ?shockingly sensible choice?. Wie van de vier kunstenaars tijdens de rechtstreekse uitzending op Channel 4 (27/11) uiteindelijk ook bekroond werd (zie De Week Wereld), zware kritiek moet hij niet verwachten. De Turner Prize 1996 is een exclusief mannenonderonsje. En kennelijk raakt wie eenmaal genomineerd werd, nog moeilijk een tweede keer op de shortlist. Het zal Mona Hatoum (44) een zorg zijn. Haar tere installatie met geweven haar zinnelijke aanwezigheid en dierbare afwezigheid verspreidend is het hoogtepunt in de groepstentoonstelling ?Inside The Visible? (Whitechapel Gallery Londen, tot 8/12) met kunst van vrouwen uit deze eeuw, gekozen vanuit een feministisch perspectief. Ook in de show ?Live/life? in het Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris, waarin de jonge Britse scène gepresenteerd wordt, is het transparante knikkertapijt van Hatoum, met zijn fragiele oppervlak als een landschap van licht, misschien het meest voldragen werk. KRUISVUUR.Terug naar de Tate. In de eerste zaal van de Turner Prize Exhibition hangen een tiental mat glanzende schilderijen in effen kleurenvlakken van Gary Hume (34). Hoewel duidelijk ontleend aan een min of meer herkenbaar gebleven figuratie, zijn ze in verregaand abstracte patronen gedrongen. Met het ontbreken van een individueel schildersgebaar, het gebruik van synthetische kleuren, van huishoud-lakverf en dragers als MDF en alumnium, lijken ze enkel de status van decoratieve reproducties te ambiëren. Hun kracht ligt in de manier waarop de schilder ze cool handed in het kruisvuur loodst tussen kunst en kitsch, kunstgeschiedenis en actualiteit, anonimiteit en persoonlijkheid, autonoom beeld en voorstelling, schone ernst en lichtvoetige zelfironie. Dat Hume Matisse vereert, kan in de vaste collectie van de Tate nagespeurd worden. Ze treffen mekaar in het zoeken van coloristisch opwindende speelstandjes tussen vlakken binnen uitgepuurde, decoratieve composities. Inhoudsloos zijn ze daarom zeker niet. ?Dancer? is een weergaloos roze en mauve ballet, fysieke elegantie en misvorming ineens evocerend. Het werk ?After Petrus Christus? leidt een dubbelbestaan als respectvolle kopie en boude hedendaagse versie van wellicht het mooiste meisjesportret van de middeleeuwse Vlaamse meester. En het intrigerende dubbelpaneel ?Innocence and Stupidity? is een visueel mijnenveld waarin topografische en dierlijke vormen (ratten, ontleend aan het middeleeuwse Franse wandtapijt ?La dame à la Licorne?) om de overhand strijden, de uitkomst onbeslist latend. Dat uitlokken en afstoten van eenduidige betekenis is standaard in postmoderne schilderkunst, maar leidt lang niet altijd tot het soort hooghartige kwestbaarheid en stralende presentie als in deze recente werken van Hume het geval is. ?What You feel about the painting is what the painting is about,? zegt hij. Van de verraderlijk koele oppervlakken van Hume naar het broeierig duistere diep van Douglas Gordon (31) is toch nog een hele stap. De man uit Glasgow, genomineerd voor zijn solo-tentoonstelling in het Eindhovense Van Abbemuseum (zie Knack 25/10/95), ondergraaft de zekerheden van de waarneming, en vindt dat de opperste opdracht van de kunst. Hij maakt installaties met video, film of audio-tape en manipuleert die media zo dat ze geschikt worden voor het langzaam aftastend kijken als naar schilderijen, en het bewegen in de ruimte als rond sculpturen. Met het simpele procédé van de slow motion veranderde hij grondig de teneur van speelfilms van Alfred Hitchcock (?24 hours Psycho?) en John Ford (?The Searchers?), en van medische films over psychische stoornissen. De afbakening tussen fictie en werkelijkheid, tussen acteerprestaties, pathologische gedragingen en gewoon doen, smelten daarbij als sneeuw voor de zon. Zelfs voor wie zijn eigen ogen niet vertrouwt, is de video ?A Divided Self? die Gordon op de Turner Exhibition presenteert een muizenval. Een hand aan een zwaar behaarde arm omklemt de pols van een blanke arm die zich wanhopig teweerstelt op de witte lakens. Pompende bewegingen, een steviger omknelling, een strelende overgave van de blanke hand. De kijker vult dit beeldfragment zonder moeite aan tot de totaliteit van een sado-masochistisch ritueel, en duidt het in de sfeer van de grensvervaging in dit geval tussen liefdesdaad en verkrachting, spel en moord die hij van Gordon meent te kunnen verwachten. In het Channel 4-filmpje aan het eind van de tentoonstelling is dan te zien hoe de kunstenaar in zijn badkamer zorgvuldig zijn ene arm helemaal kaal scheert. Daarop beginnen beide armen op elkaar in te werken. Een verdeeld zelf. Van een zwaarder kaliber is de video installatie ?Confessions of a justified Sinner?. Op twee grote schermen verschijnt, eenmaal positief en eenmaal negatief, bijna synchroon de tronie van de acteur Frederick March uit een vroege verfilming van ?The Strange Case of Dr Jekyll and Mr Hyde?. We zien de scène waarin de wetenschapper, die de menselijke ziel van het kwaad probeerde te bevrijden en het omgekeerde effect bereikte, met een krampachtig vertrokken gezicht in een monster verandert. In Gordons versie opgeblazen, in slow motion, in een lus gemonteerd is die transformatie plots veel minder evident, alsof goed en kwaad toch veel moeilijker uit mekaar te halen zijn dan de speelfilm ons voorhield. Hoe alle waarden finaal in elkaar overlopen, is in Gordons laatste bijdrage te zien. Een tekstwerk, uitgevoerd in vinyl letters aan de wand, geeft te lezen : bad is good, hell is heaven, life is death, fiction is reality... jawel. Een lichtjes satanische omkering, met een moerassige grond van waarheid (leugen). CLAIR OBSCUR.Over omkering gesproken. De kunstenaar die het dichtst de waarden van de traditionele schone kunsten, afdeling schilderkunst, benadert is Craigie Horsefield (47) met zijn foto's. Zijn onderwerpen kiest hij uit de klassieke genres : landschap, stadsgezicht, volks tafereel, stilleven, portret, naakt. Hij maakt schitterende grisailles waarbij alle schakeringen tussen wit, grijs en zwart in de beste traditie van het tonale schilderen tot hun recht komen. Als een ezelschilder benadert hij zijn onderwerpen frontaal en in stilstand. Bovendien is het clair obscur tot in de puntjes verzorgd. Er is voor gezorgd dat hij een zaal met zenitaal invallend daglicht kreeg, en er staan makkelijke fauteuils om lang en rustig te kunnen kijken. Je waant je zowaar in de National Gallery in plaats van in de moderne Tate. Natuurlijk heeft Horsefield een opleiding als schilder genoten. Dat gebeurde in de St. Martin's School of Art in Londen tijdens de jaren zestig. Maar hedendaags schilderen en een engagement aangaan tegenover de werkelijkheid zoals hij dat wilde, kon hij niet met mekaar verenigen. Hij legde zich toe op fotografie en film om zijn omgeving en de mensen om hem heen vast te leggen in honderden negatieven. Gewoonlijk laat hij dat materiaal enige tijd liggen vooraleer hij er één negatief uitkiest en dat in zijn atelier tot een perfect beeld met een vierkant formaat bewerkt. De titel van elk werk vertelt wanneer de foto gemaakt werd en wanneer ze definitief werd afgedrukt. Die tussentijd komt tegemoet aan zijn bedoeling om de ervaring van het verleden zo ongeschonden mogelijk naar het heden, de ervaring van wie kijkt, over te brengen. Het zien van dit verleden heden, versterkt door de grisaille, legt een patina van melancholie over de beelden. Geen één spreekt niet over het leven, geen één geeft een artificiële indruk. Genomineerd werd Horsefield voor zijn foto-reeks over Barcelona in opdracht van de Antoni Tapies Fondacio. Hij vatte het rumoer en het gesofistikeerde aspect van de stad naast het bijna voorouderlijke karakter van het leven rond de nabije Monjuich, de ondoordringbaarheid van een vrouwelijk naakt naast de intimiteit van de massa in de laatste oude danshal van de stad, de warmte van het familieleven en van grote gebouwen in het nachtlicht. Simon Patterson (29) is de jongste en de minst bekende van het stel. Misschien is hij wel de grappigste, gefascineerd als hij is door grafieken. Diagrammen, tijdstabellen of grondplannen zijn logisch geordende informatiesystemen die de dingen van de wereld aanschouwelijk, overzichtelijk, begrijpelijk voorstellen. En die maken dat alles in vaste banen blijft circuleren. Patterson zou geen kunstenaar zijn als hij de vloek van het schema niet zou proberen te doorbreken. Bij voorbeeld door het opstellen van alternatieve schema's. Hij toont in de Tate onder meer zijn versie van het plan van de Londense metro. Die heet niet langer Underground maar The Great Bear, een constellatie die nochtans netjes de bestaande lijnen respecteert. Alleen heeft Patterson de stations omgedoopt naar filmsterren, filosofen, kunstenaars, sportlui en dies meer. Van Jean-Paul Sartre in een wip naar Jane Fonda ? Overstappen in Zeppo alstublieft. Hoe gecharmeerd de trambeheerders ook waren, ze vonden De Grote Beer te verwarrend voor de gebruikers. Een heus sterrenstelsel, een persoonlijke hemelkaart zeg maar, schilderde Patterson op een hele Tate wand, mooi verdeeld in alle kleuren van de regenboog. De planeten hebben er namen als El Dorado, Nirvana, 7th Heaven en Xanadu. Een zeker escapisme is het werk van deze jongen uit Surray niet vreemd. Dat geldt ook voor zijn drie witte zeilen op metalen staanders (?... words fly up...?). Fier dragen ze de namen, geboorte- en sterfdata van de schrijvers Raymond Chandler, Currer Bell (pseudoniem van Charlotte Brontë) en Laurence Stern, al was het maar omdat ze elk met een term uit de scheepvaart verbonden kunnen worden Chandler de scheepsleverancier, Bell het half-uurglas en Stern de achtersteven. Patterson fascineerde de manier waarop de zeilen het licht van bovenuit doorheen de ruimte geleiden. Helemaal afgestemd om er op de wind vandoor te snellen, blijven ze aan de grond genageld, net als de witte doeken waar de kunstenaar voor staat. Gereed om hem op de vleugels van zijn fantasie naar een nieuw Xanadu te geleiden, werpen ze hem terug op de normen en de mercantiele hitte van de kunstwereld en haar strakke informatiesystemen. Bijvoorbeeld. LOST IN SPACE.Een deel van haar vitaliteit dankt de Britse kunstcène nochtans aan de bloei van de door kunstenaars zelf gerunde galeries en tentoonstellingsruimtes. Ze staan borg voor een grotere vrijheid van creëren, buiten de verwachtingspatronen van het galerie- en museumwezen. Een aantal onder hen, van Factual Nonsense tot Lost in Space stelt zich voor in het kader van de tentoonstelling Live/life. Hun werking wordt bovendien ondersteund door een boel nieuwe magazines die in de jaren zestig allicht underground zouden genoemd zijn, al zijn de meeste nu wel mooier gemaakt ( Blow, Coil, Third Text...). Wat bindt de jonge kunstenaars op de Britse scène ? Het radicalisme van de ?attitude? - maar dat is een paswoord uit de sixties - die het haalt op de bekommernis voor de vorm, het object ? In hun (in de catalogus opgenomen) dialoog proberen biochemicus Rupert Sheldrake en curator Hans-Ulbrich Obrist elk de nieuwe geest die jonge kunstenaars bezielt, te omschrijven. Obrist : ?Kunstenaars werken in en met de tijd, kunst is meer over situaties en het besteden van tijd dan over een object. Douglas Gordon vertelde me onlangs dat voor hem het object enkel geldig is als een trigger (reactieuitlokker) voor relaties.? En Sheldrake : ?Het materialisme focuste op materiële objecten als de eerste realiteit. In het licht van de quantumfysica, worden materiële objecten veel meer gezien als processen of structuren dan als dingen, en onderlinge relaties als zijnde essentieel voor ons begrip.? Door dit soort inzichten worden niet alleen Britse jonge kunstenaars bezield, alleen is het bij hen massaler, intenser, urgenter aan de orde op dit ogenblik. Jan Braet ?Turner Prize Exhibition? tot 12.1 in de Tate Gallery, Millbank, London.?Live/Life? tot 5.1.96, Musée d'Art Moderne de la Ville de Paris, 11 Avenue du Président Wilson, Paris. Gary Hume, Innocence and Stupidity, 1996, lakverf op aluminium : een visueel mijnenveld. Douglas Gordon, Confessions of a Justified Sinner, 1996 : geen scheiding tussen goed en kwaad. Craigie Horsefield, Carrer Muntaner, Barcelona Març 1996, 1996, unieke foto : de warmte van grote gebouwen. Simon Patterson, First Circle, muurschildering, 1996 : persoonlijke hemelkaart.