'Ik zal u eens een feit vertellen, dames en heren, een feit, een waarneming, een ontdekking zelfs, die ik de eer heb aan mezelf te mogen toeschrijven, alleen aan mijzelf, in ieder geval is het nog nooit ergens genoemd of beschreven.'
...

'Ik zal u eens een feit vertellen, dames en heren, een feit, een waarneming, een ontdekking zelfs, die ik de eer heb aan mezelf te mogen toeschrijven, alleen aan mijzelf, in ieder geval is het nog nooit ergens genoemd of beschreven.' Die fraaie zin uit De idioot van Fjodor M. Dostojewski is me altijd bijgebleven. Ze komt totaal onverwachts opduiken en blijft dan geruime tijd plakken, zoals een deuntje dat weleens hardnekkig door je hoofd blijft zoemen. Hij leek me ideaal als opening bij het meedelen van een bliksem die me getroffen heeft na minutenlang te hebben gestaard naar het beroemdste liefdesgedicht uit ons taalgebied. Toen het effect van de bliksem uitgewerkt was, was ik een heel andere mening toegedaan. 'Vriend,' zei ik tegen mezelf, 'dit is geen liefdesgedicht. Dit is een klaagzang.' Ghequest ben ic van binnen, Deurwondt mijn hert soe seer, Van uwer ganscher minnen Ghequest soe lanc soe meer.Waer ic my wend, waer ic my keer,Ic en can gherusten dach noch nachte;Waer ic my wend, waer ic my keer,Ghy sijt alleen in mijn ghedachte.Het gedicht gaat namelijk niet over een aangenaam, wel integendeel, over een bijzonder onaangenaam gevoel. We hebben het over stalking. Onduidelijk is of de dichter een man is dan wel een vrouw, maar ik ben een man en daarom houd ik het op een vrouw. De dichteres heeft mijns inziens last van een hardnekkige stalker, iemand die fanatiek verliefd is en wil dat zijn liefde wordt beantwoord, terwijl de geviseerde allesbehalve gediend is van de avances van de stalker, aangezien zij helemaal niet verliefd is - het tegendeel zou mij niet verbazen. De belaging werkt zodanig op haar zenuwen dat zij de ellende van zich af moest schrijven. En het begint met een woord van bloed en pijn, Ghequest. Niet alleen tot op het bot, maar tot in het hert. En de wonde geneest niet, ze neemt zelfs in omvang toe, door de blijvende druk van de stalker, Ghequest soe lanc soe meer. De reden is helder en duidelijk, Van uwer ganscher minnen. De belaagde kan ook geen stap verzetten, dach noch nachte, of de stalker dringt zich op. De druk wordt zo erg dat de dame er een obsessie aan overhoudt, verwoord in de prachtige slotzin, Ghy sijt alleen in mijn ghedachte. Tot die bevinding ben ik gekomen na te hebben ingezien dat nergens in het gedicht sprake is van liefde. Over zijn liefde, ja, maar niet over de hare. Misschien is er tussen beiden enige sympathie geweest, maar blijkbaar is die bij de ene partij tot blinde passie verworden. Terwijl de andere partij blijk geeft van een omgekeerde evolutie, als afweer tegen de opdringerigheid van de geilaard. Het gedicht is een kreet om hulp. Of de steller verlost raakte van haar belager zullen we nooit te weten komen. Misschien heeft zij de benen genomen naar veiliger oorden, of heeft ze hem vermoord om onder zijn juk uit te komen. Tot slot wil ik nog wijzen op het feit dat eenzelfde probleem wordt aangekaart in het veertiende hoofdstuk van Don Quichot van Miguel de Cervantes. De herder Crisostomo was hevig verliefd op de beeldschone herderin Marcella, maar toen hij haar tevergeefs het hof had gemaakt en zijn liefde niet beantwoord werd, pleegde hij zelfmoord. Op de begrafenis verschijnt Marcella. Ambrosio, een vriend van Crisostomo, verwijt haar verantwoordelijk te zijn voor de dood van zijn vriend. Zij verdedigt zich in een pracht van een redevoering waarvan de essentie luidt: 'Ik zie echter niet in dat de schoonheid, omdat ze bemind wordt, verplicht is daarom te beminnen wie haar bemint.' Stalking is niet nieuw. De naam is dat wel, maar niet het fenomeen. Want liefde en haat dansen op dezelfde maat buiten tijd en ruimte.