Bij vrijheidsberoving denk ik meteen aan dictaturen, aan een staat die zijn burgers onder druk zet om zich te censureren. Mensen passen zich aan omdat ze bestraffingen vrezen. Maar in een democratisch rechtsstaat zijn je individuele rechten gegarandeerd. In principe kun je de vrijheid dus volop beleven.
...

Bij vrijheidsberoving denk ik meteen aan dictaturen, aan een staat die zijn burgers onder druk zet om zich te censureren. Mensen passen zich aan omdat ze bestraffingen vrezen. Maar in een democratisch rechtsstaat zijn je individuele rechten gegarandeerd. In principe kun je de vrijheid dus volop beleven. Toch is het niet zo eenvoudig. Je kunt zelf de vrijheid in de weg staan, ook in een goed functionerende democratie. Dat heeft met sociale druk te maken en met de manier waarop je de gewoonten en zeden van je omgeving overneemt. De Franse aristocraat Alexis de Tocqueville bespeurt in de democratie dan ook een specifiek gevaar: de tirannie van de meerderheid. Hij reist rond 1830 naar Amerika om er het gevangeniswezen te bestuderen. Hij noteert vooral scherpe observaties over de nieuwe politieke organisatievorm. Zeker, hij bewondert de moderne democratie. Maar hij ziet enkele nadelen: het streven naar gelijkheid kan tot een soort despotisme leiden. De publieke opinie, de wetgeving, de overheid, allemaal stimuleren ze burgers om aan de heersende zeden en gewoonten te gehoorzamen. Dat gebeurt deels openlijk, maar ook sluipend, in naam van de gelijkheid. En met funeste gevolgen: de vrijheid vermindert. De liberaal John Stuart Mill heeft Tocquevilles suggestie verder uitgewerkt: zonder dat je het beseft, kun je je eigen vrijheid inperken. De rechtsstaat moet jouw individuele rechten waarborgen, maar dat volstaat niet. Want je kunt onvrij zijn door groepsdruk. Mill schrijft tijdens het victoriaanse tijdperk. In zo'n samenleving moet je je aan strenge morele en esthetische conventies houden. De zeden dwingen je in een keurslijf. Maar, meent Mill, de regels komen uiteindelijk niet alleen meer van buitenaf. Je verinnerlijkt de opgelegde waarden en normen, zodat je je eigen vrijheid begint te beteugelen. Tegenwoordig leeft iedereen, van de hoogste tot de laagste klasse in de maatschappij, alsof hij voortdurend blootstaat aan vijandige en geduchte kritiek. Niet alleen bij zaken die anderen aangaan, maar ook bij zuiver persoonlijke aangelegenheden', noteert Mill in On Liberty (1859). Daardoor kiezen mensen niet meer wat bij hun karakter past, maar ze vragen 'wat bij hun positie past'. Volgens Mill gaat de inbreuk van de publieke opinie dieper dan conformisme: 'Ik bedoel niet dat burgers de voorkeur geven aan het meest gangbare, boven het volgen van hun eigen neiging. Het komt zelfs niet bij hen op om enige neiging te hebben behalve voor wat gangbaar is. Zo buigt de geest zelf onder het juk.' Het begint ermee dat je wilt behagen, dat je niet wilt afwijken van anderen. Uiteindelijk laat je toe dat je geest wordt aangetast. Natuurlijk vereist burgerschap dat je je aan wetten onderwerpt. Maar wanneer je achteloos de sociale regels internaliseert, word je je eigen tiran. Ondertussen heeft de samenleving de strenge normering van de victoriaanse tijd afgeworpen. Maar conformisme kan nog altijd op zelfbeknotting uitdraaien. Een fel streven naar gelijkheid kan nog altijd dwingend worden. De samenleving is ook veel diverser dan in de negentiende eeuw. Er is meer dan één publieke opinie, meerdere groepen hebben eigen normen en waarden. Toch geldt Mills analyse ook hier: je kunt de zeden van jouw groep geheel verinnerlijken, aangespoord door angst voor uitsluiting, door schuld- of schaamtegevoelens. Je ziet niet meer hoe dwingend die voorschriften zijn, je lijkt er zelf voor te kiezen. Maar je beperkt je individualiteit en je vrije ontwikkeling. Wat de vrijheid vandaag de dag wel kan bevorderen, is dat psychologische kwesties openlijker worden besproken. Je kunt makkelijker je eigen leefwereld bevragen. Wil je écht wat je al heel je leven dacht dat je wilde? Voor de vrijheid is dat een heikel maar noodzakelijk onderwerp.