Bijna drie jaar na de executie van August Borms verscheen het gedicht Aan Borms van Willem Elsschot in het rechts-flamingantische weekblad Rommelpot. Het gedicht bracht zijn auteur niets dan ellende. Hij schreef de eerste versie ervan op 25 februari 1947, tien maanden na Borms' executie. Elsschot bleef eraan knoeien; de tiende en laatste versie (in het poëziealbum van Gerard Walschaps dochter Carla) dateert van 8 april. Elsschot kreeg het gedicht niet gepubliceerd en wat in 1949 in Rommelpot verscheen, was een voorlopige, bijna clandestiene versie. Vrienden begonnen hem met de nek aan te kijken. Elsschot had het gedicht willen opdragen aan Louis Paul Boon, maar die wou daar niets van weten. Boon hoorde toen, in 1947, de laarzen van de collabo's al weer door de straten dreunen en van enige ...

Bijna drie jaar na de executie van August Borms verscheen het gedicht Aan Borms van Willem Elsschot in het rechts-flamingantische weekblad Rommelpot. Het gedicht bracht zijn auteur niets dan ellende. Hij schreef de eerste versie ervan op 25 februari 1947, tien maanden na Borms' executie. Elsschot bleef eraan knoeien; de tiende en laatste versie (in het poëziealbum van Gerard Walschaps dochter Carla) dateert van 8 april. Elsschot kreeg het gedicht niet gepubliceerd en wat in 1949 in Rommelpot verscheen, was een voorlopige, bijna clandestiene versie. Vrienden begonnen hem met de nek aan te kijken. Elsschot had het gedicht willen opdragen aan Louis Paul Boon, maar die wou daar niets van weten. Boon hoorde toen, in 1947, de laarzen van de collabo's al weer door de straten dreunen en van enige complaisance kon voor hem geen sprake zijn. Toch was Elsschot er niet op uit om Borms te vergoelijken. Wat hem dreef, was recalcitrante verontwaardiging. Elsschot was een deftige burger met hoog individualistische en zelfs anarchistische neigingen. Hij wou zich niet laten voorschrijven hoe hij te denken had. Daarvoor had hij te veel zijn eigen oordeel over de dingen. Hij had een grondige hekel aan wat vandaag political correctness heet. Hij was niet onverschillig, maar al evenmin geëngageerd in de concrete actie, zodat hij zich tijdens de oorlog gedeisd hield, niet laf, maar ook geen verzetsheld. Na de bevrijding kon hij dus ook al niet enthousiast zijn over het opzichtige, soms hysterische en niemand engagerende, want gevaarloze gelijk van de anti-Duitse bon ton van het moment. Toen bestond er al evenmin veel ruimte voor nuance in het denken, zoals de harde repressie bewees. De burger-anarchist Elsschot moet de geest van de naoorlog als drukkend en intolerant hebben ervaren. Wellicht zag hij het uitvoeren van doodstraffen als al te brutale machtsdemonstraties, het ultieme gelijk van de door hem principieel afgewezen, arrogante staatsmacht. Ze stoorden hem, zoals hij zich vóór de oorlog had gestoord aan de executie door de nazi's van de communist Marinus van der Lubbe, de vermeende aanstichter van de brand in de Reichstag. Ook zijn gedicht Aan Van der Lubbe kreeg hij in de jaren dertig niet gepubliceerd. VANUIT EEN ABSOLUUT HUMANISTISCH PRINCIPEIn het najaar van 1946 zat Elsschot in zijn briefwisseling vaak te tobben over de politieke moraal. Onder meer de figuur van Van der Lubbe inspireerde hem daartoe, wellicht omdat zijn gedicht over hem toen wél probleemloos kon verschijnen. Ergernis deed hem eind 1946 schrijven: "Was V.d.Lubbe een fascist geweest, ik zou datzelfde gedicht geschreven hebben. (...) Als ik de inspiratie vind zal ik eens een gedicht schrijven ter eere van die Duitschers die, op bevel van een gepruikte Jank of Brit, opgehangen zijn." Enkele maanden later zou die ergernis zich vastpinnen op het lot van Borms. Waarom Borms? Elsschot kende de man niet persoonlijk, aldus het eerste vers van het gedicht: "Gij zijt mij vreemd geweest" (in de eerste vier versies: "Ik heb u niet gekend"). Maar hij kende diens reputatie en die dateerde van lang tevoren. Na de oorlog behoorde Borms in de links-rechts-tweedeling ondubbelzinnig tot de zeer rechtse, foute kant, waartoe Elsschot geenszins kon worden gerekend. Tevoren lagen de verhoudingen helemaal anders. Rond de Eerste Wereldoorlog gold een ander politiek antagonisme, tussen enerzijds het materialisme van de gevestigde, conservatieve en Franstalige burgerij en anderzijds het revolutionair bedoelde idealisme van veel Vlaamse jongeren. De ideologisch zeer heterogene hemelbestormers uit dit laatste kamp konden, in hun aversie voor de "oude orde", in de jaren dertig twee kanten uit, ofwel uiterst rechts, ofwel uiterst links. Maar beide hadden hun revolutionaire, idealistische en anti-establishmentgezindte gemeen. Voor die jongeren behoorde ook het Vlaams-nationalisme tot dat revolutionaire kamp, omdat het een stroming was die zich keerde tegen de onderdrukkende, burgerlijke Belgische staat. Ook Elsschot was in zijn jonge jaren een gedreven flamingant, die zelfs even met het activisme flirtte, in de tijd waarin Borms zijn reputatie maakte. Maar Borms was vooral een aanleiding. Elsschot schreef zijn gedicht vanuit een absoluut humanistisch principe, met een uitgesproken politieke bedoeling. Hij vond het zijn plicht om tegen de stroom van de tijd in te roeien: "daar moest toch één van ons iets over zeggen?". Die "ons" zijnde: wij, niet-katholieken, niet-gecompromitteerden, al wie nog vrij kan spreken. In het weinig benijdenswaardige lot dat zij deelden, zag Elsschot precies de gelijkenis tussen Van der Lubbe en Borms: "zij zijn mij beiden even lief omdat zij beiden om hals gebracht zijn".M.R.