Zegt het Pact van Roubaix u nog iets? Voor dat mooie stuk vaderlandse sportgeschiedenis moeten we terug naar de veldritwinter 2008-2009. De krant De Morgen brengt Bart Wellens en Sven Nys samen voor een interview. De oude rivalen blijven nog even plakken nadat de journalist de bandopnemer opbergt. Wellens en Nys hebben twee zaken te bespreken. Eén: interview van Niels Albert - in geen enkele andere sport spelen de media zo'n sturende rol - waarin die zei dat bij het komende wereldkampioenschap de belangen van zijn sponsor voorrang krijgen op die van de Belgische nationale ploeg. Twee: het Nederlandse veldritfenomeen Lars Boom, die de tegenstand in een aantal koersen had weggeblazen. Wat moest dat worden op het WK in het Nederlandse Hoogerheide, waar de Nederlander al anderhalf seizoen de mond van vol had, vragen Wellens en Nys zich af. Het duo vaardigt bondscoach Rudy De Bie af om met Albert te gaan praten. De Bie weet een deal te smeden. In de aanloop van de wereldbekerwedstrijd in Frankrijk onderschrijven de Belgische veldrijders het zogeheten Pact van Roubaix, dat ruwweg hierop neerkomt: wat er ook gebeurt in Hoogerheide, aan het eind wint een landgenoot. Niet omdat de buitenlanders nooit mogen winnen, nee: Nys, Wellens en co. vrezen vooral zichzelf onmogelijk te maken voor elkaars supporters. Als Belg andere Belgen tegenwerken en dan een Hollander die met de winst gaat lopen: dat kon lelijk uitpakken. Er zou dus, voor het eerst en voor het laatst, in ploeg worden gekoerst op het WK.
...

Zegt het Pact van Roubaix u nog iets? Voor dat mooie stuk vaderlandse sportgeschiedenis moeten we terug naar de veldritwinter 2008-2009. De krant De Morgen brengt Bart Wellens en Sven Nys samen voor een interview. De oude rivalen blijven nog even plakken nadat de journalist de bandopnemer opbergt. Wellens en Nys hebben twee zaken te bespreken. Eén: interview van Niels Albert - in geen enkele andere sport spelen de media zo'n sturende rol - waarin die zei dat bij het komende wereldkampioenschap de belangen van zijn sponsor voorrang krijgen op die van de Belgische nationale ploeg. Twee: het Nederlandse veldritfenomeen Lars Boom, die de tegenstand in een aantal koersen had weggeblazen. Wat moest dat worden op het WK in het Nederlandse Hoogerheide, waar de Nederlander al anderhalf seizoen de mond van vol had, vragen Wellens en Nys zich af. Het duo vaardigt bondscoach Rudy De Bie af om met Albert te gaan praten. De Bie weet een deal te smeden. In de aanloop van de wereldbekerwedstrijd in Frankrijk onderschrijven de Belgische veldrijders het zogeheten Pact van Roubaix, dat ruwweg hierop neerkomt: wat er ook gebeurt in Hoogerheide, aan het eind wint een landgenoot. Niet omdat de buitenlanders nooit mogen winnen, nee: Nys, Wellens en co. vrezen vooral zichzelf onmogelijk te maken voor elkaars supporters. Als Belg andere Belgen tegenwerken en dan een Hollander die met de winst gaat lopen: dat kon lelijk uitpakken. Er zou dus, voor het eerst en voor het laatst, in ploeg worden gekoerst op het WK. Bijgevolg valt Hoogerheide 2009 eigenlijk amper een koers te noemen. Niels Albert vertrekt al in de eerste ronde nadat Sven Nys keurig het gat liet vallen. Bart Wellens en Erwin Vervecken houden in het peloton het tempo onder controle. Zdenek Stybar weert zich als een duivel in een wijwatervat, maar merkt dat Klaas Vantornout of Kevin Pauwels telkens aan zijn wiel plakken. Lars Boom heeft het zaakje al snel door en dringt niet meer aan. Zijn thuis-WK, de laatste cross voor hij afzwaait als veldrijder, eindigt met een twintigste plaats. Dat net Niels Albert de bloemen wegkaapt, uitgerekend degene die met zijn weinig patriottische uitspraken het verbond der Belgen had gesmeed, is een ironisch toeval. Vijf jaar later vindt het WK opnieuw plaats in het Noord-Brabantse Hoogerheide; zo veel niet-Belgische organisaties staan er niet te springen voor die logistieke inspanning. Nu, erg buitenlands is Hoogerheide evenmin: we zitten zeven kilometer van de grens vandaan. De kerktorens van de Belgische gemeente Essen, waar de veldrijders Bart Aernouts en Tom Meeu-sen wonen, zijn op een heldere dag zichtbaar aan de einder. Zdenek Stybar, de onberekenbare factor van dit WK zo vrezen velen, woont trouwens ook in Essen. Pas 48 uur voor aanvang beslist de tweevoudige wereldkampioen of hij start, en voor het zover is, praat hij niet met de pers. Dat is relaxed toeleven naar een groot kampioenschap, terwijl de tegenstand nu al zenuwachtig wordt gemaakt. En al helemaal als ze aan de startlijn plots een nieuwe opponent zien opduiken. Weinig cyclocrossers juichen om Hoogerheide. De omloop is een tochtgat, met veel open ruimte en pijnlijke lange, rechte stukken. Ontsnappen betekent beuken tegen de wind, waardoor alles meestal weer terugwaait en samentroept. De meest logische uitkomst is een sprint met een uitgedunde kopgroep. In dat scenario valt te vermoeden dat de zege naar Lars van der Haar gaat, algemeen beschouwd als de beste spurter onder de veldrijders. De 22-jarige Nederlander staat op de eerst plaats van de UCI-ranglijst in de meest Belgische sport die er bestaat. Het lucratieve eindklassement van de Wereldbeker heeft hij al op zak. Van der Haar zou zelfs een bedreiging zijn zonder dat het parcours hem in de kaart speelt. Tijd voor een nieuw Pact van Roubaix? 'Dat zullen de Belgen nooit doen, tussen 2009 en nu zit een wereld van verschil', analyseert Lars van der Haar, wiens wortels in de provincie Utrecht liggen en die dus vreemd genoeg van alle favorieten het verst moet reizen. 'De cross is de laatste seizoenen een sport van man tegen man geworden. Waarom zouden er op het WK plots wél ploegafspraken spelen? En willen die Belgen niet allemaal veel te graag zélf winnen? Ach, ik ga op voorhand sowieso niet denken in scenario's. Daar verlies je energie mee, en uiteindelijk kloppen de voorspellingen toch nooit.' LarsVan der Haar: Oh ja. Maar ik ervaar het wereldje zeker ook niet zo gesloten of nationalistisch als jij het nu omschrijft. De fans accepteren me en juichen wanneer ik win net zo goed als voor een ander. Ik heb zelfs een Belgische fanclub! Nee, ik kan zeker niet zeggen dat ik me uitgestoten voel. Van der Haar: Dat een Belg dat aan me durft te vragen! (lacht) Voor mensen die cyclocross niet kennen, omschrijf ik het altijd zo: het is een superaanvallende sport waarin we één uur knallen, en dan zien we waar het schip strandt. Tijd om je te vervelen is er in een veldrit écht niet. Wie afwacht, komt te laat. Het is ook heel multidisciplinair, er komen ontzettend veel aspecten in samen. Sommige renners maken het verschil met kracht, anderen met tactiek, nog anderen met techniek of snel zijn aan de streep. Er zijn eigenlijk amper beperkingen. Je kunt zelfs een stukje lopen als je daarmee het snelst vooruitkomt. Kortom, ik vind veldrijden een fantastische sport. Als het niet bestond, moesten ze het uitvinden. Van der Haar: Dat is verbeterd. Een paar goeie Nederlandse wegprofs hebben zich eens aan een crossje gewaagd, en die zeiden nadien allemaal: 'Pfoe, dit is zware kost!' Dat Lars Boom het op de weg zo goed doet, geeft onze sport extra prestige. Nee, ik krijg van de Nederlandse journalisten zeker respect, hoor. Ook omdat mijn verhaal aanspreekt: ik tegen de Belgen, in een super-Belgische sport, dat heeft cachet. Van der Haar: Omdat hij de laatste weken zo goed reed, is dat een logisch antwoord, ja. Zelf zie ik bij de Belgen zeker vier favorieten: Nys, Niels Albert en sowieso Kevin Pauwels, want die komt weer sterk opzetten. Als vierde man twijfel ik tussen Klaas Vantornout of Tom Meeusen. Een van die twee zal die dag wel weer met de bes-ten meerijden. Maar op een WK gebeuren er vaak rare dingen. Met Philipp Walsleben, misschien niet de grootste naam, zou ik bijvoorbeeld zeker rekening houden. Van der Haar: Als hij start, zet ik hem meteen bij de topkandidaten. Stybar heeft in deze sport alles al bewezen en dat hij niet meer zo vaak aan veldrijden doet, heeft niks te betekenen. Hij is nog even handig als vroeger. In die paar crossjes die Stybar reed, stond ik te kijken van zijn niveau. Zelf mik ik op het podium, dat lijkt me een realistisch doel. Maar als ik de kans zie om wereldkampioen te worden, dan laat ik ze natuurlijk niet liggen. Het hangt allemaal af van de vorm van de dag. Het parcours van Hoogerheide ligt me sowieso. Het is van alles een beetje: een mooie talud, een lekkere technische afdaling, en een snel stuk door de wei. Het buitenlandse gevaar houdt niet op bij Van der Haar en Stybar. Nogal wat waarnemers noemen Philipp Walsleben het dark horse voor dit WK. De laatste maanden blijkt de Potsdammer uit Aarschot verslaafd aan ereplaatsen, zelfs in grote en lastige crossen als Tábor, Asper-Gavere of Koksijde. Op het beruchte wereldkampioenschap van 2009 won Walsleben trouwens bij de beloften. Toen werd gedacht dat de Duitser op termijn de grote concurrent van Niels Albert zou worden: Stybar en Boom spraken al over een overstap naar de weg, van Sven Nys had niemand gedacht dat hij op zijn 37e nog op dit niveau zou koersen. Maar Walsleben kende na 2009 magere jaren en komt eigenlijk pas dit seizoen weer bovendrijven. 'Die titel in Hoogerheide is voorlopig het hoogtepunt uit mijn carrière, maar ik heb er amper goeie herinneringen aan', vertelt de Oost-Duitser in accentloos Nederlands. 'Bij de beloften domineerde ik. Winnen was normaal, niet winnen een verschrikkelijke ontgoocheling. Dus ja, wereldkampioen worden hoorde er min of meer bij, maar ervan genieten deed ik niet. Je leert een zege maar te waarderen als het een paar seizoenen slecht gaat, hè.' PhilippWalsleben: Er was altijd wel een of ander lichamelijk ongemak dat me hinderde. Ik belandde in een negatieve spiraal. Minder presteren zorgt er namelijk voor dat je naar achteren wordt geduwd op de startgrid: je ziet je status letterlijk achteruitgaan. Daardoor verloor ik mijn zelfvertrouwen en gingen de prestaties verder achteruit. Waardoor ik nóg verzwakte en mentaal nog meer tikken kreeg. Eigenlijk is dit pas het eerste seizoen sinds Hoogerheide 2009 dat ik zonder ongemakken koers. Twee mensen moet ik daarbij bedanken: mijn trainer Paul Ponnet en mijn voedingsdeskundige, die eindelijk de problemen met mijn spijsvertering wist op te lossen. Walsleben: Dat is natuurlijk erg beperkt, maar laatst heeft toch één kleine reportage van drie minuten de nationale televisie gehaald. Veldrijden is voor Duitsers een curiosum, een sport waar bijna niemand over gehoord heeft. Dat kan veranderen, maar dan zou ik een langere periode goed moeten presteren. Zondag wereldkampioen worden zou helpen. (lacht)Walsleben: Dankjewel. Maar zelf denk ik eerder aan het podium. Winnen is te hoog gemikt. Walsleben: Oei, als ik had geweten dat je lastige vragen zou stellen, had ik diplomatische antwoorden voorbereid. (lacht) Natuurlijk kan ik die dag niet vergeten dat Niels en ik voor dezelfde ploeg rijden. Als hij ontsnapt, dan ga ik alleen naar hem toe als ik zeker niemand meeneem en als ik denk dat ik zelf kan winnen. Dat zijn twee niet makkelijk te vervullen voorwaarden, dus ik denk dat je het mag vertalen als: normaal gezien rij ik niet achter Niels aan. Walsleben: Om Sven Nys kun je niet heen, maar ik ga ervan uit dat Niels die dag op hetzelfde niveau zal staan. Die twee zullen het uitvechten. DOOR JEF VAN BAELEN'Veldrijden is een fantastische sport. Als het niet bestond, moesten ze het uitvinden.' (Lars van der Haar) 'Ik rij alleen achter Niels Albert aan als ik zeker niemand meeneem en als ik denk dat ik zelf kan winnen.' (Philipp Walsleben)