DOOR FRANS VERLEYEN
...

DOOR FRANS VERLEYEN Gemeentelijk stemrecht voor migranten van buiten de Europese Unie. Door toedoen van wijlen Loubna en haar kranige zus Nabela Benaïssa wappert het gespreksthema weer als een vlag boven de Wetstraat. Het was premier Dehaene zelf die de wimpel omhoog hees. Zijn eigen CVP haalde hem na ?warm overleg? weer prompt van de mast, maar het aantal christelijke voorstanders van dat stemrecht schijnt toch stilaan toe te nemen. De meerderheid houdt echter voet bij stuk : wie wil deelnemen aan onze politieke democratie, moet vooraf Belgisch staatsburger worden, wat in theorie trouwens een fluitje van een cent is geworden. De redenering ?stemrecht vloeit voort uit nationaliteit? was historisch verdedigbaar tot het Verdrag van Maastricht haar zes jaar geleden deed kantelen. Hier geregeld verblijvende Grieken, Finnen of Portugezen mogen straks (in het jaar tweeduizend) wel degelijk hun gemeenteraadsleden kiezen, of er zelf een worden, zonder Belg te zijn. Turken en Marokkanen hebben dat recht niet, tenzij hun land van oorsprong morgen lid van de Unie zou worden. Dan geldt trouwens het beginsel van de wederkerigheid : ook de daar verblijvende EU-buitenlanders kunnen dan hun invloed laten gelden op het bestuur van Ankara of Rabat. In ieder geval is, via Europa, de principiële band tussen nationaliteit en stemrecht plus recht op verkiesbaarheid doorbroken. Voor sommigen, die de Unie reeds als een vaderland van hoger niveau beschouwen, is dat niet helemaal waar. In hun ogen delen de bezitters van een bordeauxkleurig paspoort met elkaar een politieke identiteit waar ?anderen? nog niet aan toe zijn. Daar is iets van aan, maar het standpunt blijft dubieus : de EU is nog geen federatie zoals de Verenigde Staten. Haar staatsjuridische vorm blijft wazig en zelfs omstreden. Misschien komt de zogenaamde Belgische democratie toch tot de slotsom (en tot de nodige wijziging van de grondwet) dat alle hier sedert pakweg vijf jaar gevestigde allochtonen gemeentelijk stemrecht krijgen, zoals dat bijvoorbeeld in Nederland het geval is. Behalve wat communautaire complicaties in Brussel, waar weinig migranten voeling hebben met de Vlaamse minderheid en de Franstalige partijen dus de facto zullen versterken, zitten daar vooral sociologische voordelen aan vast. Elk stelsel van ?one man, one vote? versterkt, in beginsel, het publieke gemeenschapsgevoel en brengt een aantal maatschappelijke spanningen tot bedaren. Daarmee is echter niet alles gezegd. Het debat gaat altijd over stem recht voor de familie Benaïssa en haars gelijken. Volgens de bestaande Belgische wetgeving bestaat dat recht echter niet. Wij kennen hier alleen stem plicht, voor iedere volwassene. Een verruiming daarvan in de richting van uit Noord-Afrika of Anatolië afkomstige medebewoners komt niet louter neer op het toekennen van een nieuwe vrijheid maar ook op een door de rechtbank afdwingbaar politiek engagement. Wie niet naar de stembus wil, wordt alsnog beboet. Op dit ogenblik doen een aantal parlementsleden een poging om de onwetende of onverschillige kiezer in zijn waarde te laten. Wie van het electorale gebeuren wil wegblijven, zou dat politieke signaal vrij moeten kunnen geven : ?de democratie boeit me niet, ik vind het systeem een schijnvertoning, alle partijen zeggen hetzelfde, ik heb geen greep op de coalitievorming achteraf, ik doe dus niet mee.? Iedereen hoort wel eens dat soort bedenkingen. Die verhinderen trouwens, gedeeltelijk toch, dat verkiezingsuitslagen een ferme en uit debat voortvloeiende volkswil uitdrukken. Tussen de miljoenen uitgebrachte stemmen zit veel onnozelheid of pseudo-democratische slaapwandelarij. Wie allochtonen via de stembus bij het politiek-bestuurlijke leven wil betrekken, doet er dus goed aan eerst de bestaande stemplicht om te buigen tot een naar eigen believen uit te oefenen recht. Alleen op die manier kan de democratie verschoond blijven van nog meer kunstmatig opvulsel. Gewone sociale waarneming leert immers dat vooral oudere migranten géén aanleg voor actief medeburgerschap op zijn Belgisch wisten te ontwikkelen. Culturele afzondering, gebrek aan taalkennis, innerlijke weigering en zelfs religieus verbod (Marokko) om ?westers? te worden, doen die mensen verloren lopen in onze partijpolitieke labyrinten. De meeste teksten en standpunten pro gemeentelijk stem-?recht? voor inwoners van buiten-Europese herkomst, berusten op breeddenkend humanisme en uitgesproken menslievende waarden. Dat blijve zo. Maar de emotionele schoonheid van die pleidooien mag de gewone logica niet uitschakelen. Zo verdient de vraag ?waarom alleen gemeentelijk en niet parlementair ?? alle aandacht. Het toekennen, wegens feitelijk (o.a. fiscaal) medeburgerschap, van slechts lokale politieke rechten, voert een nieuwe discriminatie in of schuift de oude slechts een eindje op. Zo raken we er alweer niet uit. DAT BEETJE WAARDIGHEIDEr moet eerst hard gewerkt worden aan het uitzuiveren van een aantal begrippen die aan deze discussie vastliggen. Hoe democratisch is in de partijpolitieke praktijk onze democratie nog ? Hoe reëel is de invloed van de kiezer op het delegeren van macht ? Welke macht ? Wie en wat is nu eigenlijk een migrant of allochtoon en waarom gebruiken we zo behoedzaam die gepolijste woorden in de plaats van ?mensen van vreemde herkomst? of zelfs : gastarbeider ? Hoe bruikbaar blijft het in deze wereld snel afstervende begrip ?natie? als norm voor of bron van burgerlijke grondrechten ? Waar ligt de echte grens tussen universalisme, vaderland en nationaal tehuis ? Welke waarde kennen wijzelf oprecht toe aan de instellingen waarbij we de onder ons levende vreemdelingen zo hardnekkig willen betrekken ? Het grote nut van de palavers rond het migrantenstemrecht, ligt in het stellen van die vragen. Het eenvoudigste en moreel meest rustgevende antwoord erop luidt : laat de min of meer ingeburgerde vreemdelingen toch maar mee naar die stembus gaan, ze hebben dat beetje waardigheid hard nodig. Tegelijk kunnen ze ons ook een spiegel voorhouden. Daarin is misschien het beeld te zien van een bevolking die haar democratisch model voor anderen wil openstellen, vol progressief vuur, terwijl ze er zelf nogal mee morst.