De roep om een grote Vlaamse rechts-conservatieve partij is de laatste tijd niet van de lucht. En dat is opmerkelijk. Tot voor kort kon een politicus, zoals de Nederlandse publicist Bart Jan Spruyt schrijft, beter bekennen dat hij aan een gevaarlijke ziekte lijdt dan toe te geven van conservatieve gezindte te zijn. Wie nu en dan - want een mens mag daarin niet overdrijven - tijdens de verkiezingscampagne naar Bert Anciaux luisterde en diens definitie van het conservatisme voor goede munt opnam, kon alleen besluiten dat Charles Woeste nog altijd onder ons is. Want volgens diens definitie staat conservatisme voor een ziekelijke behoudzucht, het zwartste cultuurpessimisme en uiteraard religieuze en ethische verkramping.
...

De roep om een grote Vlaamse rechts-conservatieve partij is de laatste tijd niet van de lucht. En dat is opmerkelijk. Tot voor kort kon een politicus, zoals de Nederlandse publicist Bart Jan Spruyt schrijft, beter bekennen dat hij aan een gevaarlijke ziekte lijdt dan toe te geven van conservatieve gezindte te zijn. Wie nu en dan - want een mens mag daarin niet overdrijven - tijdens de verkiezingscampagne naar Bert Anciaux luisterde en diens definitie van het conservatisme voor goede munt opnam, kon alleen besluiten dat Charles Woeste nog altijd onder ons is. Want volgens diens definitie staat conservatisme voor een ziekelijke behoudzucht, het zwartste cultuurpessimisme en uiteraard religieuze en ethische verkramping. Amper enkele dagen later al kwam Anciauxs partijgenoot Louis Tobback tijdens de verkiezingsavond tot de vaststelling dat er in Vlaanderen behoefte bestaat aan een rechts-conservatieve partij. Sedert 18 mei immers hebben we, volgens Tobback, een hereniging van progressief links rond de SP.A van Steve Stevaert. Het is nu wachten op die conservatieve concentratie rond de VLD en de rechtervleugel van CD&V en het restant van N-VA. En voor we het goed en wel beseffen, leven we in een politiek tweestromenland. Vergelijkbare overwegingen werden in het verleden door anderen gemaakt. Rudy Collier, hoofdredacteur van De Morgen, merkte ooit op dat niet links, maar alleen conservatief rechts een dam kon opwerpen tegen extreem-rechts - in het Antwerpse geval, want daar had hij het over, tegen het Vlaams Blok. Veruit het merkwaardigste betoog werd vorige week in dit blad gehouden door journalist Paul Beliën, de man van Vlaams Blok-kamerlid Alexandra Colen. Volgens Beliën, die geregeld meewerkt aan The Wall Street Journal en het Engelse weekblad The Spectator, twee stijlbijbels van het Angelsaksische neoconservatisme, moet het Vlaams Blok de kans grijpen om die brede, rechtse Vlaamse partij te worden. Want, zo zegt hij, rechts behaalt in Vlaanderen zo'n zestig procent van de stemmen, maar door de versnippering, van VLD tot Vlaams Blok, mist ze de nodige slagkracht. Volgens Beliën kan het Blok, mits het zich ontdoet van de extremistische rouwdouw Filip Dewinter, uitgroeien tot die grote conservatieve, Vlaamsgezinde waardenpartij. Hoe Beliën die verzameling politieke beotiërs van het Blok - dat van die beotiërs is een uitdrukking van wijlen Lode Claes - wil samenbrengen met, om er maar een paar te noemen, Mark Eyskens en Herman De Croo, blijft voorlopig een raadsel. Toch heeft die plotse bezorgdheid om het lot van het rechts conservatisme in Vlaanderen iets aandoenlijks. Al blijft de zogenaamde tegenstelling tussen progressief en conservatief problematisch, omdat noch de ene noch de andere tendens precies te definiëren valt. Doorgaans wordt progressiviteit geassocieerd met de vooruitgangsgedachte, met emancipatie, met de voortdurende drang naar verbetering van de condition humaine, of met de grote linkse principes als solidariteit en gelijkheid van kansen voor iedereen. Maar is er een zinnig mens, ook al is hij conservatief gestemd, die zich daar- tegen zal verzetten? Als er al een definitie van bestaat, is conservatisme - niet te verwarren met de reactionaire ratatouille van Pim Fortuyn - veeleer de uiting van een gezonde scepsis tegenover politieke nieuwlichterijen, van een grote bezorgdheid voor de goede orde in staatszaken en voor de manier waarop de staat met zijn burgers omgaat. In die zin staat Steve Stevaert voor een milde, Vlaamse vorm van conservatisme. Vandaar ook het overdonderende electorale succes van zijn SP.A. Trouwens, waaruit zou de linkse progressiviteit van Stevaert moeten blijken? Uit zijn verzet tegen de wet-Lejeune? Uit zijn onbegrip voor de nieuwe drugswet, zijn argwaan tegenover intellectuelen en hun ideeën waarvan hij zogezegd niks begrijpt? Is hij niet bereid, heel nauwgezet, de Europese financiële en economische richtlijnen te volgen die worden gedicteerd door 'de consensus van Washington'? Zo te zien, is er geen nood aan een grote conservatieve hergroepering. Want die concentratie is al bezig, rond de SP.A van Stevaert. Trouwens, wat moeten we ons in de huidige politieke samenhang voorstellen bij zoiets als links-progressief? Alleen de Parti Socialiste van Elio Di Rupo laat zich daar nog graag op voorstaan. Vorige week toonde Canvas 'De kinderen van de Borinage', een filmische open brief aan Henri Storck en Joris Ivens die in de jaren 1930 de misère in dat deel van Henegouwen in beeld brachten. Wat daar getoond werd, tart de verbeelding: uitgeteerde vrouwen, kinderen fysiek en mentaal getekend door ondervoeding, volwassen mannen die niet kunnen lezen en schrijven, werklozen van vader op zoon, die allemaal samenleven in van vochtigheid en gier doortrokken krochtenwijken. Al dat volk leeft letterlijk uit de hand van lokale PS-satrapen, overvoed door het systeem van uitkeringen en sociale voorzieningen, de kin nog glimmend van alweer een overdadige lunch. Dit alles speelt zich af, vandaag, onder de ogen van de links-progressieve Elio Di Rupo die wat verderop woont, in Mons. Rik Van Cauwelaert