Tussen 1927 en 1930 ging het België economisch voor de wind. Er was ruimte voor openbare werken (het Albertkanaal), een betere sociale wetgeving en belastingverminderingen. Honderd jaar België werd in een euforisch sfeertje gevierd; weinigen die zich om de crash van Wall Street bekreunden. Op het eind van 1930 werd echter duidelijk dat België niet aan de wereldcrisis zou ontsnappen. De economische groei verminderde en het begrotingstekort nam toe. De katholieke conservatief...

Tussen 1927 en 1930 ging het België economisch voor de wind. Er was ruimte voor openbare werken (het Albertkanaal), een betere sociale wetgeving en belastingverminderingen. Honderd jaar België werd in een euforisch sfeertje gevierd; weinigen die zich om de crash van Wall Street bekreunden. Op het eind van 1930 werd echter duidelijk dat België niet aan de wereldcrisis zou ontsnappen. De economische groei verminderde en het begrotingstekort nam toe. De katholieke conservatief Henri Jaspar reageerde prompt en verminderde de lonen van de ambtenaren; zeer tot ongenoegen van de socialistische oppositie, maar ook van de christen-democraten en de radicaal-liberalen. Midden mei 1931 nam de regering ontslag en kwam er een nieuw centrum-rechts kabinet. In zijn regeerverklaring beloofde de katholieke premier Jules Renkin een definitieve oplossing voor de taalkwestie en voorspelde nog strengere bezuinigingen. Door interne verdeeldheid in de coalitie bleef een doortastende aanpak uit en zonk het land steeds verder in het economisch moeras weg. Toen het patronaat op zijn beurt de deflatoire principes in de praktijk bracht en de lonen verminderden, braken in de Borinage wilde stakingen uit. In Charleroi werd zelfs het Volkshuis bestormd. Na anderhalf jaar stopte Renkin ermee en haalde koning Albert I de 72-jarige oudgediende Charles de Broqueville opnieuw van stal. Het rooms-blauwe kabinet bleef twee jaar overeind en zwoer bij deflatie en volmachten. Zo ook de regering van George Theunis, die het niet eens vijf maanden uitzong en er eveneens voor terugschrok om de overgewaardeerde Belgische frank te devalueren. Zo diepte de crisis zich verder uit en belandde het land aan de rand van de afgrond. Het tij keerde toen Paul Van Zeeland in maart 1935 voor het eerst in tien jaar de socialisten - onder hen Hendrik De Man en Paul-Henri Spaak - opnieuw in de regering toeliet, en het taboe van de munt durfde aanpakken. De tripartite devalueerde de frank met 28 procent en kondigde grote openbare werken aan. In geen tijd herpakte de economie zich. In 1936 steeg de uitvoer met honderd procent, daalde de werkloosheid van 300.000 naar 100.000 en was de begroting weer in evenwicht. Toch werden deze resultaten door de kiezer niet beloond. Bij de verkiezingen van 24 mei 1936 leden de traditionele partijen, vooral de katholieken, verlies en boekten de extremen - Rex, VNV en de communisten - een spectaculaire winst.