Waarom een digitale detox niet helpt: ‘We hebben een Attention Rebellion nodig’

Jeroen de Preter
Jeroen de Preter Redacteur Knack

De gemiddelde mens met een smartphone heeft zowat het concentratievermogen van een goudvis en dat is de schuld van Silicon Valley, zegt de Britse bestsellerauteur Johann Hari. ‘We hebben een tegenbeweging nodig, een soort Attention Rebellion.’

Wat gebeurt er als je jonge mensen verbant uit de digitale wereld, de ruimte waarin ze toch voor een belangrijk deel zijn opgegroeid? De Nederlandse filosoof Hans Schnitzler startte vijf jaar geleden een interessant experiment om die vraag te beantwoorden. Hij vroeg zijn studenten om een week te leven zonder smartphone of pc. Inmiddels werden 250 studenten aan zo’n digitale detox onderworpen.

‘Dat experiment is niet ontstaan uit technofobie,’ vertelt Schnitzler, ‘maar wel uit een grote nieuwsgierigheid. De iPhone bestaat nog maar sinds 2007, maar ga even de straat op en je ziet meteen hoe dat toestel ons leven domineert. De manier waarop we ons in de openbare ruimte voortbewegen, is er ingrijpend door veranderd. Om te begrijpen wat deze omwenteling betekent voor het mens-zijn, leek het mij waardevol even uit die wereld te stappen en te ontdekken hoe het is om je in een zuiver analoge wereld te bewegen.’

De reacties van de studenten op het experiment zijn volgens Schnitzler vrij gelijklopend. ‘De eerste twee dagen registreren ze vaak fantoompijn: ze grijpen naar hun smartphone, alsof het een geamputeerd lichaamsdeel is. Maar na verloop van tijd maakt dat gemis plaats voor een gevoel van bevrijding, en voor een intensivering van de ervaringen. Opvallend vaak valt het woord “echt”. Wandelingen, concerten of gesprekken: ze hebben het idee dat ze die plots “echter” beleven. Opeens zijn ze niet meer bezig met de vraag hoe ze die ervaring zullen delen op sociale media. Tegelijk blijken hun ervaringen ook fysiek er. Dat verbaast me niet. Anders dan in de virtuele ruimte worden bijvoorbeeld ook de tastzin en de geurzin aangesproken. In Kleine filosofie van de digitale onthouding, mijn boekje over dat experiment, schrijf ik dat digitalisering “ontlijving” is. En uiteraard betekent het ook een aanslag op de aandacht en concentratie. Veel studenten vertelden me dat ze zich nooit eerder zo lang hadden kunnen concentreren, en dat ze daar gelukkig van werden.’

Het is alsof we jeukpoeder over ons heen krijgen en iemand zegt dat meditatie helpt tegen krabben. Maar is het niet beter om geen jeukpoeder meer over de mensen te kappen?

Johann Hari, schrijver

Elvis

Over de gevolgen van de digitale revolutie voor ons concentratievermogen gaat Aandacht verloren, een nieuw boek van de Britse bestsellerauteur Johann Hari. Hij begint met het verhaal van zijn petekind, een jongen die zich als achtjarige helemaal kon verliezen in Elvis-imitaties. Tien jaar later ziet Hari hoe dezelfde jongen volkomen apathisch is geworden. Hij slijt zijn dagen thuis op de bank, lamlendig starend naar wisselende schermen. ‘Soms zag ik nog een spoor van het vrolijke jongetje dat Viva Las Vegas had gezongen,’ schrijft Hari, ‘maar het leek wel alsof dat kind verbrokkeld was tot fragmenten zonder onderling verband. Het kostte hem moeite om in een gesprek langer dan een paar minuten bij een onderwerp te blijven zonder naar een scherm te grijpen of abrupt ergens anders over te beginnen. Hij leek wel in de rondte te tollen in het tempo van Snapchat, ergens waar niets stils of serieus hem kon bereiken.’

Na vruchteloze pogingen om zijn petekind weer tot leven te wekken, begon Hari dieper over de kwestie na te denken. ‘Ik moest bekennen dat ook mijn eigen concentratievermogen dramatisch afgenomen was’, vertelt hij aan de telefoon. ‘Aanvankelijk benaderde ik het probleem als een individueel falen. Ik gaf mijn petekind en mezelf en ons gebrek aan wilskracht de schuld. Pas later ben ik gaan inzien dat dat maar een deel van het verhaal is. Werkelijk iedereen met wie ik daarover sprak, worstelt ermee. Dat deed me beseffen dat het geen individueel maar een collectief probleem is.’

Hari zoekt de oorzaken voor het collectieve concentratieprobleem niet alleen in de digitale omwenteling. In het tweede deel van zijn boek besteedt hij uitgebreid aandacht aan ADHD, een concentratiestoornis die almaar vaker bij kinderen wordt gediagnosticeerd. Tijdens zijn uitgebreide rondgang bij gespecialiseerde psychologen raakt Hari er meer en meer van overtuigd dat de toename van ADHD-diagnoses wortelt in de omgeving waarin onze kinderen opgroeien, en hoe die is veranderd. Kinderen slapen minder, eten meer bewerkt voedsel, spelen minder buiten en zitten beduidend vaker voor een scherm. Het verband met ADHD lijkt niet vergezocht, maar er bestaat geen wetenschappelijke consensus over.

Broekzak

Net zoals er geen consensus bestaat over het uitgangspunt van Hari’s boek. In hoeverre de digitale revolutie verwoestende effecten heeft op ons concentratievermogen, is – mede door de geringe leeftijd van die omwenteling – nog altijd voorwerp van speculatie. Al levert wetenschappelijk onderzoek wel wat aanwijzingen. ‘Wie een smartphone heeft, zal bevestigen dat die dingen ons regelmatig uit onze concentratie halen’, zegt Hari. ‘Over de gevolgen daarvan op ons prestatievermogen bestaat, bijvoorbeeld, onderzoek van de Carnegie Mellon University. Voor dat onderzoek moesten 136 studenten een test afleggen. Een groep moest zijn telefoon uitzetten, de andere kreeg tijdens de test een aantal sms-berichten. De laatste groep presteerde gemiddeld 20 procent slechter. Vergelijkbare onderzoeken leverden dezelfde of nog slechtere resultaten. Trek je die resultaten door naar ons dagelijks leven, dan betekent dat dat je smartphone je prestatievermogen voortdurend voor minstens 20 procent doet afnemen. Dat lijkt me een groot probleem. Want onze concentratie wordt ook op nog een andere manier drastisch ondermijnd. Vandaag slapen we 20 procent minder dan een eeuw geleden. Dat minder slapen gevolgen heeft voor onze concentratie is wetenschappelijk bewezen. Met andere woorden: zelfs áls er geen verband zou zijn met de digitale revolutie, hebben we vandaag te maken met een aandachtscrisis.’

Alleen is de smartphone, het toestel dat voor misschien wel de meest ingrijpende omwenteling zorgde, nog maar net onze levens binnengedrongen. ‘Dat het toestel een aanslag pleegt op ons concentratievermogen lijkt me vanzelfsprekend’, zegt Schnitzler. ‘Plots zit de hele digitale wereld in je broekzak. En wetenschappers zeggen dat over de gevolgen daarvan alleen anekdotisch bewijs bestaat. Maar deze technologie evolueert razendsnel. Als ik moet wachten op hard wetenschappelijk bewijs vooraleer ik mag waarschuwen, kom ik zeker te laat.’

Ik wil geen technologie die ontworpen is om mijn concentratie te vernietigen.

Over de gevolgen van de digitale revolutie voor onze focus is inmiddels een halve boekenkast bij elkaar geschreven. De Amerikaanse psycholoog Larry Rosen publiceerde negen jaar geleden al iDisorder, waarin hij een verband legt tussen de nieuwste technologie en psychische stoornissen als slapeloosheid, stress en dwangmatig handelen. Het probleem dat Hari aankaart, is dus allerminst nieuw. Origineler is zijn opvatting dat we de oorzaken en de oplossingen vooral buiten het individu moeten zoeken. ‘Ja, er is een uitknop aan je smartphone,’ zegt hij, ‘en het is absoluut een goed idee om jezelf regelmatig tot een digitale detox te verplichten of een meditatiecursus te volgen. Maar uiteindelijk zijn het vormen van symptoombestrijding. Het is alsof we voortdurend jeukpoeder over ons heen gekapt krijgen en iemand ons komt zeggen dat meditatie helpt tegen krabben. Het zal wel, denk ik dan, maar misschien is het een nog beter idee om niet voortdurend jeukpoeder over de mensen te kappen.’

Boosdoeners zijn volgens Hari de techreuzen, die van onze aandacht de kern van hun businessmodel hebben gemaakt. Uiteraard vochten bedrijven al lang voor de digitale revolutie om onze aandacht. ‘Dat we in een aandachtseconomie leven is geen nieuws’, zegt Hans Schnitzler. ‘Het verschil is dat de internetindustrie over technologie beschikt die het vermogen om onze aandacht te pakken enorm heeft verfijnd. Het is die technologie die ons voortdurend doet klikken, swipen en sharen. Op die manier genereren we data, en houden we de motor gaande. Het is een strijd om onze geest, en in die strijd vormt onze aandacht de frontlinie.’

Achter die frontlinie zou volgens Schnitzler nog een bastion kunnen bezwijken. ‘De technologie dreigt vandaag ook onze vrije wil aan te tasten’, zegt hij. ‘Op basis van de data die over ons verzameld worden, schrijven algoritmes voor wat we in de toekomst zullen doen. Daar loopt het natuurlijk fundamenteel mis. Als we ons in de sporen laten duwen van het algoritme, verliezen we het vermogen om in de toekomst iets anders te doen. Dat is heel duidelijk een aantasting van onze vrijheid.’

Het kan anders

Johann Hari sprak voor zijn boek uitgebreid met Tristan Harris, een computerwetenschapper die zich, na een carrière bij Google, steeds nadrukkelijker als het geweten van Silicon Valley opwerpt. Van Harris leerde Hari hoe de programma’s op onze smartphones ontworpen zijn om onze aandacht maximaal vast te houden. Hoe beter dat lukt, hoe meer geld er wordt verdiend. Een ander businessmodel lijkt utopisch, maar Harris gelooft dat het kan. Volgens hem is het perfect mogelijk om sociale media zo te ontwerpen dat ze mensen niet afleiden van hun diepere doelen, maar hen vooral helpen om die diepere doelen te bereiken.

Voorlopig lijkt dat een verre droom en werken sociale media vooral destructief, vindt Hari. Ze hebben de samenleving in vuur en vlam gezet. Een probleem als het gat in de ozonlaag zou vandaag nooit opgelost raken, denkt hij. Wetenschappers die ervoor waarschuwen zouden weggehoond worden door virale artikelen die het bestaan van de ozonlaag ontkennen of de dreiging afdoen als een verzinsel van George Soros.

Bron van dit kwaad zijn alweer de algoritmes, zegt Hari. ‘Mensen blijven langer hangen bij iets wat hen boos maakt of angst aanjaagt. De algoritmes van Facebook en YouTube spelen daar op in, en promoten zo politici als Donald Trump en Jair Bolsonaro. Hoe meer woede, hoe meer interactie. Feiten zijn irrelevant. In de aanloop naar Trumps verkiezing overtroffen leugenachtige verhalen op Facebook de best gelezen stukken van alle nieuwssites. Zo was er het verhaal dat de paus Trump zou ondersteunen. In werkelijkheid had de paus voor Trump gewaarschuwd. Een onderzoek van het Massachusetts Institute of Technology liet zien dat nepnieuws zich op Twitter zes keer sneller verspreidt dan echt nieuws. Ik hoef u niet te vertellen dat die evolutie de democratie bedreigt.’

Spektakelmaatschappij

Angst, woede en spektakel wekken onze aandacht. Dat was al zo toen er van een digitale revolutie nog geen sprake was. Hetzerige tabloids verkochten een veelvoud van de kwaliteitskranten. Het verschil, zegt Schnitzler, zit in de snelheid en de intensiteit. ‘Al in 1967 waarschuwde de Franse theoreticus Guy Debord voor de spektakelmaatschappij: een samenleving waarin de hardste roepers en de grootste absurditeiten de meeste aandacht wegkapen. Je kunt wel zeggen dat wij in hoge mate in zo’n samenleving zijn terechtgekomen. Spektakel heeft altijd al aangetrokken, maar die aantrekkingskracht wordt vandaag enorm versterkt door de algoritmische receptuur. Als gevolg daarvan worden uitspraken of beelden steeds extremer, en moeten we elkaar overschreeuwen om nog gehoord te worden. Ik herinner me nog hoe ik in 1985 een stuk schreef over het benefietconcert Live Aid. Die internationale mobilisatie is er toen gekomen na één foto van een uitgehongerd kind. In een wereld waarin we voortdurend worden bestookt met extreme en radicale beelden of uitspraken, kan één krachtige foto onmogelijk nog zo’n effect hebben.’

We moeten elkaar overschreeuwen om nog gehoord te worden. Terwijl in 1985 Live Aid nog ontstond na één foto van een uitgehongerd kind.

Hans Schnitzler, filosoof

Johann Hari en Hans Schnitzler zijn niet de eersten die waarschuwen voor schadelijke gevolgen van de digitale revolutie. Die waarschuwingen doen ook denken aan de cultuurpessimistische geschriften die volgden op een eerdere revolutie: de verovering van onze huiskamers door de televisie. Bijzonder frappant zijn bijvoorbeeld de overeenkomsten met de kritiek van Neil Postman, een Amerikaanse communicatiewetenschapper die in 1985 furore maakte met Amusing Ourselves to Death: Public Discourse in the Age of Show Business, een beschouwing over de geestdodende werking van de beeldbuis .

Nieuwe technologie roept in eerste instantie altijd verzet op. Het oudste voorbeeld is misschien wel Socrates, die zich kantte tegen het schrift omdat die innovatie het menselijk geheugen zou aantasten. ‘Wie kritiek levert op bepaalde aspecten van technologie, riskeert meteen te worden weggezet als technofoob’, zegt Hari. ‘Dat is meestal ook de reactie vanuit Silicon Valley. Terwijl ik geen enkel probleem heb met technologie. Er zijn games die ons concentratievermogen aanscherpen. TripAdvisor vind ik een fantastische site. En zo zijn er nog duizenden. Mijn vraag is niet of we meer of minder technologie willen. Mijn vraag is: welke technologie willen we? Daarop is mijn antwoord dat ik geen technologie wil die ontworpen is om mijn concentratie te vernietigen.’

‘Met morele paniek of conservatisme zoals je die zag bij de opkomst van de strip- of rapcultuur heeft dat niets te maken. Ik vergelijk het liever met de stemmen die al in de jaren zeventig waarschuwden voor de obesitasepidemie, met dien verstande dat de concentratiecrisis mogelijk nog ingrijpender zal zijn. Ik vraag tegenwoordig vaak aan mensen: denk aan iets in je leven dat je hebt bereikt en waar je trots op bent. De antwoorden zijn erg uiteenlopend – ze hebben een kind opgevoed, een taal geleerd of een instrument leren spelen – maar altijd gaat het om een prestatie waarvoor ze een grote focus nodig hadden. Als we die focus verliezen, dan verliezen we ook ons vermogen om een groter doel te bereiken of een ingewikkeld probleem op te lossen. Dat geldt niet alleen voor ons als individu, maar ook voor het collectief. De mensheid wordt vandaag geconfronteerd met een klimaatcrisis. Hoe los je zo’n ingewikkeld vraagstuk op, in een samenleving die niet meer in staat is om zich dieper te focussen?’

Attention Rebellion

Hari laat in zijn boek de Canadese activiste Naomi Klein aan het woord. Tijdens de lockdown, zo zegt ze, hebben we een voorproefje gekregen van de nog veel meer gedigitaliseerde samenleving die ons te wachten staat. ‘Als je Silicon Valley zijn gang laat gaan, zal het inderdaad die kant opgaan’, zegt Hari. ‘Maar ik zie ook kansen voor een tegenbeweging. Een soort Attention Rebellion, naar analogie met Extinction Rebellion. Een beweging die zegt: nee, wij tolereren het niet dat onze aandacht, ons vermogen om diep na te denken en onze slaap gestolen worden.’

‘Ik put hoop uit de strijd om vrouwenrechten’, gaat Hari voort. ‘Zestig jaar geleden mochten mijn grootmoeders geen eigen bankrekening openen en konden ze ongestraft door hun man verkracht worden. Mijn Zwitserse grootmoeder had zelfs nog geen stemrecht. Mijn grootmoeders hadden een soort prefeministisch bewustzijn, en waren zich bewust van het onrecht. Het zou ook niet lang duren of er ontstond een feministische beweging die vrouwen leerde dat ze zich niet bij dat onrecht moesten neerleggen. Vandaag is die strijd nog altijd niet gestreden. Maar als ik kijk naar mijn nichtje van 17, dan moet ik toch besluiten dat er een enorme weg is afgelegd. Mijn grootmoeder tekende graag, maar kon dat talent nooit ontwikkelen omdat ze in de keuken werd verwacht. Toen mijn nichtje vertelde dat ze naar de kunstschool wilde, zei iedereen: Leuk! Go for it! (lacht) Vrouwen zijn er met andere woorden in geslaagd om de almacht van de man in de jaren zestig te breken. Als je kunt winnen van zo’n machtsbastion, dan moet je ook kunnen winnen van Silicon Valley.’

Dat kan, al ziet Hari misschien wel iets wezenlijks over het hoofd. Zou het niet kunnen dat wij die nieuwe technologie nog veel meer liefhebben dan we ze haten? In zijn nieuwste boek Wij nihilisten stelt Hans Schnitzler de vraag waarom we ons zo willoos aan onze nieuw collectieve verslaving overgeven. Hij zoekt het antwoord bij Nietzsche, en diens doodverklaring van God. ‘Nietzsche doelde daarmee natuurlijk niet alleen op God, maar ook op de verdwijning van vaste oriëntatiepunten, van gezag en autoriteit. Die verdwijning zadelt ons op met een grote verantwoordelijkheid, die lastig om te dragen is. In zo’n moeilijke wereld zonder God is het verleidelijk om je onder te dompelen in een digitale werkelijkheid. Een muisklik en een swipe volstaan om uit de echte, lastige wereld te verdwijnen. Met andere woorden: de internetindustrie appelleert aan iets wat we heel graag willen. Natuurlijk heeft Hari gelijk als hij zegt dat we gemanipuleerd worden door de industrie. Maar je moet, net als in het klimaatvraagstuk, ook nadenken over de rol van de gebruiker. Als je vindt dat het systeem moet veranderen, moet je je ook bewust zijn van je rol in dat systeem. En dat bewustzijn begint bij het besef dat er in ons iets aanwezig is wat verklaart waarom we ons zo makkelijk laten verleiden.’

Verandering is volgens Schnitzler pas mogelijk als we beseffen wat hier op het spel staat. ‘Ik denk dat te weinig mensen zich realiseren hoe belangrijk aandacht wel is’, besluit hij. ‘Zoals we zuivere lucht nodig hebben om te ademen, zo hebben we aandacht nodig om te denken en voelen. Daarom moeten we vandaag veel meer nadenken over hoe we onder meer van het onderwijs weer een plek kunnen maken die onze aandacht laat floreren. Ik geloof niet dat onderwijs op afstand kan. Leren heeft ook een belangrijke fysieke dimensie, die we in de virtuele wereld compleet dreigen te verliezen.’

Partner Content